InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

De Nobele Overgave bij Fort Gunib
De Helden van IslamImam Shamil

De Nobele Overgave bij Fort Gunib

De Nobele Overgave bij Fort Gunib

In het voorgaande artikel zagen wij hoe de imamaat onder Shamil ﵀ in 1845 in de Dargo-campagne de Russische macht een diepe militaire nederlaag toebracht, en hoe deze nederlaag paradoxaal genoeg de aanleiding gaf tot een Russische strategische herziening waarin de frontale aanval op de imamaat-bergen werd verlaten ten gunste van een strategie van geleidelijke uithongering door verschroeide-aardetactiek, gedwongen verplaatsingen en de aanleg van cordon-systemen die de imamaat-bergen in haar geheel zouden moeten isoleren. De uitwerking van deze strategie over de veertien jaar tussen 1845 en 1859 vormt de achtergrond waartegen dit artikel zijn focus richt op het beleg van Gunib in augustus 1859, op de overgave van Shamil ﵀ aan Veldmaarschalk Aleksandr Ivanovich Baryatinsky op de zesentwintigste augustus van dat jaar, en op de bijzondere omstandigheden waarin die overgave werd uitgevoerd, omstandigheden die in de daaropvolgende historiografie als nobel zijn aangeduid en die ook door zijn tijdgenoten in beide kampen met enig respect zijn beschreven.

De staatsvorm op haar hoogtepunt

Het gebied dat onder Shamils ﵀ imamaat-soevereiniteit in de jaren tussen 1845 en 1853 onder een eenduidige bestuursstructuur was gebracht, kende drie kenmerkende eigenschappen die in haar tijd nauwelijks haar gelijke hadden. In de eerste plaats een geïntegreerde Shariʿa-rechtsorde waarin de qadi-rechtspraak in alle dorpen volgens dezelfde Sjafiʿi-fiqh-regels werd gevoerd en waarin een beroepsstructuur tot het centrale hooggerechtshof in Dargo functioneerde. In de tweede plaats een belastingstelsel volgens de klassieke zakaat-regels waarin de inkomsten in een centraal administratiekantoor werden geboekt en waarin de uitgaven via een controlleer-systeem werden gerechtvaardigd. In de derde plaats een militaire organisatie van naib-districten waarin elke naib zijn eigen permanente militie van enkele honderden tot enkele duizenden manschappen onderhield en waarin in geval van een algemene mobilisatie binnen enkele dagen een gezamenlijke strijdmacht van vijftien- tot twintigduizend manschappen op de been kon worden gebracht.

Het was een staatsvorm die in haar coherentie en in haar geestelijke fundering door geen enkele andere moslimstaat van de negentiende eeuw werd geëvenaard, en zij maakte op Russische bestuurders die haar van nabij hadden bestudeerd een diepe indruk die in hun rapporten naar Sint-Petersburg met aanzienlijke openheid werd beschreven. Generaal Aleksandr Petrovich Yermolov-junior, die in 1850 een officieus onderzoek naar de imamaat-organisatie uitvoerde in opdracht van het Russische opperbevel, schreef in zijn rapport dat de imamaat-staat een staatsvorm was waarvan het Russische bestuur in de Kaukasus in vele opzichten zou kunnen leren, en hij beval een aantal van de bestuurlijke vernieuwingen aan voor toepassing in het Russische beleid in de regio. Zijn aanbevelingen werden niet of slechts ten dele opgevolgd, maar zij gaven niettemin een aanzienlijke erkenning aan de werkelijke staatkundige prestatie die Shamil ﵀ in deze jaren in de bergen van Dagestan had voltooid.

De jaren van verschuiving

In de jaren tussen 1845 en 1853 bereikte de imamaat onder Shamil ﵀ haar grootste territoriale en geestelijke uitbreiding. Het gebied onder haar soevereiniteit besloeg op haar hoogtepunt rond 1850 ongeveer driekwart van het hedendaagse Dagestan en Tsjetsjenië, met inbegrip van vele van de grootste bergdorpen en met een totale bevolking die op enkele honderdduizenden werd geschat. Het bestuurlijk apparaat van naibs, qadi’s en moefti’s functioneerde in deze jaren op een niveau van efficiëntie dat in geen enkel ander deel van de moslimwereld van de negentiende eeuw werd geëvenaard, en de imamaat werd in haar diplomatieke betrekkingen met de Ottomaanse Porte, met informele Britse agenten en zelfs in een aantal gevallen met de Perzische Sjah in een toestand erkend die haar als de feitelijke soevereiniteit over de Kaukasische bergen beschouwde, zonder dat deze erkenning ooit in een formeel verdrag werd vastgelegd dat de Russische macht in een directe confrontatie zou brengen.

In de Krimoorlog van 1853 tot 1856, waarin Rusland tegenover een coalitie van het Ottomaanse Rijk, Frankrijk en Groot-Brittannië kwam te staan, hoopten zowel Shamil ﵀ als de Ottomaanse Porte op een gecoördineerde militaire operatie die de Russische troepen in de Kaukasus in een tweefrontoorlog zou dwingen en die de imamaat in een definitieve doorbraak naar de Zwarte Zeekust zou kunnen brengen. De praktische coördinatie tussen de Ottomaanse troepen in Anatolië en de imamaat-strijders in Dagestan bleek echter onmogelijk vanwege de geografische afstand, de logistieke moeilijkheden en de Russische marine die de zeeroute tussen de twee partners onder controle had. Het Krim-front, dat in de westerse Europese strategie en in de Ottomaanse hoofdpunten alle aandacht naar zich toetrok, ontwikkelde zich onafhankelijk van het Kaukasische theater, en de imamaat-strijders moesten zich tevreden stellen met enkele beperkte aanvallen op Russische posities die de algemene gang van de oorlog niet wezenlijk beïnvloedden.

Het einde van de Krimoorlog

Toen de Krimoorlog in maart 1856 met het Verdrag van Parijs werd beëindigd, vond het Russische opperbevel zich in de Kaukasus met aanzienlijke militaire reserves die nu volledig op de pacificatie van de imamaat konden worden gericht. In augustus van datzelfde jaar werd Vorst Aleksandr Ivanovich Baryatinsky tot Onderkoning van de Kaukasus en opperbevelhebber van het Kaukasische leger benoemd. Baryatinsky, in 1856 vijftig jaar oud, was een ervaren Kaukasus-officier die reeds in de jaren veertig als jonge generaal in de regio had gediend, die de imamaat-strijders persoonlijk kende uit verscheidene veldtochten en die in zijn benoeming de opdracht meekreeg de imamaat in haar geheel binnen drie tot vier jaar te onderwerpen.

Baryatinsky’s strategie, voortbouwend op de strategische herziening die na de Dargo-rampspoed van 1845 was ingezet, bestond uit een gecombineerde operatie waarin de imamaat-bergen vanuit drie richtingen werden ingedrukt: vanuit het noorden over de Tsjetsjeense vlakte met systematische verbranding van de bossen en gedwongen verplaatsing van de bevolking; vanuit het zuiden over Lezgistan met versterking van de bestaande Russische posities en uitbreiding van de cordon-lijn naar het Avar binnenland; en vanuit het westen over het Avar khanaat-gebied dat in 1843 in zijn meerderheid in Russische handen was teruggekomen na de moord op de regentes Bahu-Bika en haar zonen. Het was een omsingelingsstrategie die de imamaat over een periode van drie jaar geleidelijk in haar bergvest moest insluiten en die haar uiteindelijk in een toestand van uitputting moest brengen waarin een doorslaggevende militaire actie haar laatste verdediging zou kunnen breken.

De geleidelijke uitputting

Tussen 1856 en 1859 ontwikkelde Baryatinsky’s strategie haar volle uitwerking. De Tsjetsjeense bossen, die in de Dargo-campagne van 1845 voor de imamaat-strijders nog hun beslissende dekkingsruimte hadden gevormd, werden in deze jaren systematisch verbrand en omgevormd tot open terrein waarin Russische troepen vrijelijk konden bewegen. De Tsjetsjeense bergdorpen die met de imamaat verbonden waren gebleven, werden door Russische detachementen aangevallen, vernietigd en hun bewoners gedwongen naar de noordelijke vlakten verplaatst onder Russisch toezicht. Het netwerk van Russische forten en wachttorens werd in deze jaren uitgebreid met enkele tientallen nieuwe vestigingen, en de cordon-lijn die de imamaat-bergen omsloot werd zo dicht dat de uitwisseling tussen de afgesloten gebieden en de buitenwereld voor goederen, voor mensen en voor informatie steeds moeilijker werd.

Voor de bewoners van de imamaat-bergen betekende dit een aanhoudende verarming, een toenemende honger in de winters waarin de bevoorrading uit de vlakten was afgesneden, en een geleidelijke uitputting van de moreel die in de eerdere jaren van de imamaat de bevolking aan de zaak van het verzet had gebonden. Shamil ﵀ deed wat in zijn vermogen lag om zijn manschappen en de bevolking onder zijn soevereiniteit in deze beproevingen te ondersteunen, hij organiseerde noodhulp uit de magazijnen van de imamaat, hij verlichtte de zakaat-eisen voor de gebieden die het zwaarst onder de Russische verschroeide-aardetactiek hadden geleden, en hij hield in zijn vrijdagspreken de geestelijke gestalte van het verzet onverminderd in het volle licht. Maar de fysieke realiteit van de uitputting kon zelfs door de meest hartstochtelijke prediking niet ongedaan worden gemaakt, en in de jaren 1858 en vroeg 1859 begonnen de eerste tekenen van de definitieve omkering zich aan te kondigen.

De omkering in 1857 en 1858

Tegen het einde van 1857 begonnen de gevolgen van Baryatinsky’s uithongeringsstrategie zich op een meetbare schaal te manifesteren in de Tsjetsjeense bergen en in centraal Dagestan. De zomer van 1857 had door een combinatie van een slechte oogst en de meedogenloze verbranding van boerenakkers en hooilanden door Russische detachementen tot een aanzienlijke voedseltekort geleid, en de winter die volgde bracht in vele bergdorpen de eerste echte hongerlijden sinds het begin van de imamaat. Voor Shamil ﵀ persoonlijk was dit een diepe persoonlijke beproeving want hij voelde, met de strenge gewetensvolheid die hem sinds zijn jeugd in Gimry kenmerkte, de verantwoordelijkheid voor het lijden van de bevolking onder zijn soevereiniteit als zijn eigen verantwoordelijkheid, en hij ondernam in de winter van 1857 op 1858 een reeks reizen door de gebieden die het zwaarst onder de Russische strategie hadden geleden om persoonlijk de toestand van de dorpsbewoners in ogenschouw te nemen en om wat hij in zijn vermogen had aan noodhulp te organiseren.

Wat hij in deze reizen vaststelde, was een toestand die zijn algemene strategische denken in fundamentele zin zou wijzigen. Hij zag dorpen waarvan de kinderen aan ondervoeding stierven, vrouwen die hun laatste sieraden voor enige hand vol graan inruilden, mannen die in stilte twijfelden over de wijsheid van een voortgezette strijd waarvan de uitkomst voor hun gezinnen niets dan honger en dood scheen te beloven. Hij ontmoette geen open opstand tegen zijn gezag, want zijn persoonlijk gezag was in deze jaren onaangetast en in vele opzichten zelfs versterkt door de zichtbare ernst waarmee hij de beproevingen met zijn manschappen deelde, maar hij ontmoette wel een diepe vermoeidheid die zich in stilte over de gemeenschap had verspreid en die in de daaropvolgende anderhalf jaar de algemene moreel van de imamaat tot een breekbaar punt zou brengen.

Het verlies van Vedeno

In april 1859 bracht een Russische operatie onder Generaal Yevdokimov de val van Vedeno, het Tsjetsjeense vest dat sinds 1845 als de tijdelijke hoofdstad van de imamaat had gefungeerd en dat in zijn natuurlijke verdedigingspositie tussen dichte bossen en steile bergen voor onneembaar was gehouden. De val van Vedeno werd voorafgegaan door een meerdaagse Russische bestorming waarin de tactiek van verschroeide aarde tot het uiterste was opgevoerd, en zij eindigde in een Russische verovering waarna Shamil ﵀ zich met een kleine groep van zijn naaste medewerkers terugtrok naar het centrale Avar bergland waar hij in het dorp Gunib zijn laatste verdedigingsstelling zou inrichten.

Het verlies van Vedeno was in militaire en geestelijke zin de aanzet tot het einde van de imamaat. Het toonde aan dat geen enkele vestiging in de bergen meer als onneembaar kon worden beschouwd, en het bracht de imamaat in een geografisch versnipperde toestand waarin haar coördinatie tussen verschillende gebieden werd belemmerd, haar bevoorradingsketen werd doorbroken, en haar bestuurlijke apparaat in zijn samenhang werd aangetast. In de daaropvolgende weken sloten verscheidene naibs zich onder de Russische druk bij de loyalistische zijde aan, en de imamaat verloor in een tempo van enkele dagen tot enkele weken haar greep op gebieden waarover zij vijftien tot twintig jaar lang haar soevereiniteit had uitgeoefend.

Gunib en het laatste vest

Gunib, een Avar bergvest op een hoog plateau in centraal Dagestan, met natuurlijke verdedigingspaden, met toegankelijke bronnen voor de watervoorziening, en met een geografische ligging die het van verschillende zijden moeilijk benaderbaar maakte, werd door Shamil ﵀ in juni 1859 als zijn laatste vest gekozen. Hij verzamelde er ongeveer vierhonderd manschappen, met inbegrip van zijn naaste familie, zijn vrouwen en zijn jongste kinderen, en hij vestigde er een verdedigingsorganisatie die op een lang volgehouden weerstand was berekend in de hoop dat de Russische troepen door de moeilijkheid van het terrein zouden worden afgeschrikt of dat een onverwachte diplomatieke ontwikkeling de imamaat een tijdelijke verlichting zou bieden.

Baryatinsky, die persoonlijk de operatie tegen Gunib op zich nam, omsloot het vest met een troepenmacht van ongeveer veertigduizend manschappen, met aanzienlijke artillerie en met de zekerheid dat het op deze ene operatie zou neerkomen of de imamaat in haar formele eind zou worden gebracht. Het beleg begon in juli en strekte zich uit over de hele maand augustus, in een geleidelijke versmalling van de Russische cirkel rond het vest, in een aanhoudende artilleriebombardement op de Avar verdedigingsposities, en in een psychologische druk waarbij Russische emissarissen aan Shamil ﵀ herhaaldelijk voorstellen tot overgave deden onder garantie van een eervolle behandeling.

Het tactische besef

Shamil ﵀ begreep, in de wekenlange beraadslagingen die hij met zijn naaste medewerkers in het vest van Gunib voerde, dat de militaire situatie geen werkelijke kans op een doorbraak meer bood. De Russische omsingeling was te dicht om door uitvallen te kunnen worden doorbroken, de logistieke voorraden in het vest waren beperkt en konden niet door bevoorrading van buitenaf worden aangevuld, en de algemene situatie in de imamaat was zo verzwakt dat geen reddingsoperatie van een andere naib op enige redelijke termijn kon worden verwacht. Hij stond voor de keuze tussen drie mogelijkheden: een uiterste verdediging tot de laatste man met de zekere uitkomst van zijn eigen dood en die van zijn manschappen en familie, een poging tot ontsnapping uit het vest die door de Russische cordon hoogstwaarschijnlijk zou worden onderschept, of een overgave op de eervolle voorwaarden die Baryatinsky herhaaldelijk had aangeboden.

In de overlevering wordt vermeld dat hij deze keuze in een meerdaagse afzondering in het centrale gebouw van het vest besprak met Allah ﷻ in zijn persoonlijke gebeden, en dat hij in een gemeenschappelijke vergadering van zijn naaste familie en zijn naaste medewerkers de mogelijkheden uitvoerig liet bespreken voordat hij tot een definitieve beslissing kwam. Zijn naaste familieleden, en met name zijn zoon Ghazi Muhammad die hem in de laatste jaren als militair adviseur had gediend, gaven hem de raad om de overgave te aanvaarden in het besef dat een uiterste verdediging weliswaar in haar marteldood een geestelijk grote uitkomst zou hebben maar dat zij de voortzetting van het werk van de imamaat in een gewijzigde gestalte voor de toekomst onmogelijk zou maken. De overgave daarentegen, hoewel zij persoonlijk vernederend zou zijn, zou het leven van zijn manschappen en zijn familie sparen en zou de mogelijkheid openhouden dat de imamaat-gedachte in een andere tijd en in een andere gestalte zou kunnen worden voortgezet.

De laatste vergadering in Gunib

In de avond van de vijfentwintigste augustus 1859 riep Shamil ﵀ in het centrale gebouw van het Gunib-vest een vergadering bijeen waaraan zijn naaste familieleden, zijn overgebleven raadgevers en de meest gevorderde geleerden die nog in zijn directe omgeving waren, deelnamen. De vergadering werd gehouden in het besef dat de volgende dag de definitieve beslissing zou moeten worden uitgevoerd, en dat de uitkomst van die beslissing voor elk van de aanwezigen zijn eigen lot zou bepalen. Shamil ﵀ sprak in de vergadering met een directheid die zijn medewerkers in de voorgaande dagen niet hadden ervaren, en hij vroeg ieder van hen, in een ronde langs de aanwezigen, zijn persoonlijke advies over de te volgen koers.

De adviezen die hij ontving, waren in hun grote lijn unaniem voor de overgave, hoewel ieder van zijn medewerkers de overgave op eigen wijze motiveerde. Zijn zoon Ghazi Muhammad sprak over de plicht het leven van de manschappen en van de familie te sparen voor een toekomstig moment waarin het werk van de imamaat in een gewijzigde gestalte zou kunnen worden hervat. Zijn oudere raadgever Aghdash Muhammad ﵀ sprak over de geestelijke wijsheid die in de aanvaarding van een door Allah ﷻ beschikte uitkomst lag, en die niet door menselijke koppigheid in een ander beloop kon worden gedwongen. Zijn vrouw Shuʿaynat sprak over de zorg voor de kinderen die in een uiterste verdediging hun ouders zouden verliezen en die in hun jonge jaren de imamaat-gedachte misschien in een toekomstige gestalte zouden kunnen voortzetten. Slechts enkele jongere strijders pleitten voor een laatste uitval in plaats van een overgave, en hun argumenten werden door Shamil ﵀ met aandacht gehoord maar uiteindelijk niet gevolgd.

Aan het einde van de vergadering nam Shamil ﵀ in een kort slotwoord de beslissing op zich. Hij sprak over zijn lange dienst aan de zaak van de imamaat, over zijn dankbaarheid aan Allah ﷻ voor de jaren die hem waren gegeven om die zaak te dienen, over zijn aanvaarding van de uitkomst waarin Allah ﷻ in Zijn onwankelbare wijsheid de imamaat in haar uiterlijke gestalte had besloten te beëindigen, en over zijn vertrouwen in de geestelijke voortzetting van het werk in een toekomstige gestalte die hij zelf niet meer zou zien. Hij gaf opdracht voor de volgende morgen de overgave-onderhandelingen voort te zetten en in een definitief akkoord af te ronden, en hij wenste de aanwezigen vervolgens een laatste nachtrust in het vest dat zij in vrede zouden verlaten.

De overgave

Op de zesentwintigste augustus 1859 verliet Shamil ﵀, in het gezelschap van enkele tientallen van zijn naaste medewerkers en familieleden, het vest van Gunib en daalde af naar het Russische opperkwartier waar Baryatinsky hem opwachtte. De ontmoeting tussen de imam en de veldmaarschalk vond plaats in een open ruimte aan de voet van het Gunib-plateau, en zij werd uitgevoerd in een formele ceremonie waarin de bijzondere omstandigheden van de overgave reeds in haar opzet werden bezegeld. Shamil ﵀ kwam te paard aan in zijn gewone imamaat-tenue, met zijn zwaard nog aan zijn zijde, en hij steeg af voor Baryatinsky in een gebaar dat zijn aanvaarding van de overgave aanduidde maar dat door zijn manier van uitvoering ook zijn waardigheid behield.

Baryatinsky ontving hem staande, en hij begroette hem in een korte toespraak waarin hij zijn erkenning uitsprak voor de moed en de standvastigheid waarmee Shamil ﵀ vijfentwintig jaar lang de Russische macht had weerstaan, en waarin hij zijn garanties bevestigde dat de imam met zijn familie en zijn naaste medewerkers in een eervolle behandeling zou worden overgebracht naar het hart van Rusland waar hij zijn verdere leven onder Russisch toezicht in betrekkelijke vrijheid zou doorbrengen. Shamil ﵀ antwoordde in eveneens korte woorden, vertaald door zijn tolk, en hij erkende de overgave als de uitkomst van een militaire strijd waarvan het lot in Gods handen had gelegen en die in zijn uiteindelijke gestalte door Allah ﷻ was bepaald.

De geestelijke betekenis van de overgave voor Shamil ﵀

In zijn persoonlijke uitlatingen in de dagen en weken na de overgave, voor zover die door zijn naaste medewerkers en door zijn Russische begeleiders zijn opgetekend, sprak Shamil ﵀ over de gebeurtenis in een gestalte die noch verbittering noch zelfmedelijden vertoonde maar die door een soort van helder besef werd gekenmerkt waarin het militaire einde van de imamaat in een grotere geestelijke kader werd geplaatst. Hij zei in een uitspraak die in de overlevering van zijn zoon Ghazi Muhammad is bewaard dat een zaak die door Allah ﷻ wordt gedragen, in haar uiterlijke uitkomsten niet door menselijke maatstaven kan worden gemeten, en dat de overgave bij Gunib in zijn eigen geweten niet als een geestelijke nederlaag werd ervaren maar als de aanvaarding van een goddelijke beschikking waarin zijn eigen aandeel in de zaak in zijn definitieve gestalte was voltooid.

Hij voegde daaraan toe, in een tweede uitspraak die in de Avar overlevering met aandacht is bewaard, dat het werk van de imamaat in haar geestelijke kern niet door enige militaire uitkomst kon worden ongedaan gemaakt, en dat de generaties die na hem zouden komen het verzet in hun eigen gestalte zouden voortzetten zonder dat zij noodzakelijkerwijze dezelfde militaire vorm zouden behoeven aan te nemen. De voltooiing van het werk van de imam, in zijn lezing van de profetische voorbeeldigheid, lag niet in een onafgebroken militaire overwinning maar in een trouw aan de zaak die door uiterlijke beproeving kon worden bevestigd, en die in de overgave bij Gunib op een wijze werd bevestigd die in haar eigen waardigheid een geestelijk getuigenis aflegde.

De symbolische gestalte van het moment

Het moment van de overgave werd in de Russische en in de Dagestaanse overlevering met aandacht beschreven, en het kreeg in beide bronnen een eigen symbolische gestalte. In de Russische rapporten werd Baryatinsky’s optreden als toonbeeld van Russische clementie en ridderlijkheid voorgesteld, en Shamil ﵀ als een waardige tegenstander wiens overgave de pacificatie van de Kaukasus in haar definitieve gestalte voltooide. In de Dagestaanse overlevering werd het moment in een geheel andere lichting beschreven, namelijk als de noodgedwongen aanvaarding door een rechtvaardige imam van een door Allah ﷻ beschikte uitkomst, een aanvaarding die in haar uiterlijke vorm een nederlaag was maar die in haar geestelijke fundering geen verloren strijd inhield omdat de geestelijke gestalte van het verzet niet door enige militaire uitkomst kon worden bepaald.

Wat beide bronnen overeenstemmen is dat de overgave zelf werd uitgevoerd in een waardigheid en een wederzijds respect dat in de militaire geschiedenis van de negentiende eeuw uitzonderlijk was. Geen wraakactie tegen de overlevende imamaat-strijders, geen vernedering van Shamil ﵀ in publieke optochten, geen onteigening van zijn persoonlijke bezittingen. In plaats daarvan een waardige overdracht, gevolgd door een reis naar Sint-Petersburg waarin hij in alle steden waar hij doorheen kwam met openbare belangstelling werd ontvangen, en die in zijn definitieve aankomst in Tsaar Alexander II’s residentie uitmondde in een persoonlijke ontmoeting waarin de Tsaar hem als een eervolle gast behandelde en waarbij Shamil ﵀ in zijn antwoorden zijn waardigheid en zijn geloof in de gedragen zaak behield.

De reis naar Sint-Petersburg

In de weken na de overgave werd Shamil ﵀ met zijn familie en met enige van zijn naaste medewerkers via een reis door Russische steden naar Sint-Petersburg overgebracht. De reis duurde ongeveer een maand en voerde door Tiflis, Stavropol, Rostov-aan-de-Don, Charkov, Koersk, Toela en Moskou voordat zij in Sint-Petersburg haar voorlopige eindbestemming bereikte. In elk van deze steden werd hij door de plaatselijke autoriteiten in eervolle ontvangst genomen, en in vele gevallen kwam de bevolking in de straten samen om de man te zien die in de Russische pers van de voorgaande decennia als de geduchte tegenstander van het Russische leger was voorgesteld en wiens persoonlijke gestalte nu voor het eerst voor de Russische ogen zichtbaar werd.

De reactie van het Russische publiek was, naar de berichten van de tijdgenoten, opmerkelijk genuanceerd. Shamil ﵀ werd niet als een verslagen vijand bespot maar als een waardige tegenstander erkend, en zijn ingehouden waardigheid, zijn ongebroken religieuze gewetensvolheid en zijn fysieke uitstraling van een man die ondanks zijn tweeënzestig jaar nog vol energie was, maakten op de hem ontmoetende Russische edelen en burgers diepe indruk. In Charkov werd hij door de plaatselijke gouverneur met een banket ontvangen, in Moskou bezocht hij in het gezelschap van zijn Russische begeleiders enkele bezienswaardigheden, en in Sint-Petersburg werd hij in een formele audiëntie door Tsaar Alexander II ontvangen die hem persoonlijk de garanties van een eervolle behandeling herhaalde.

Naar de jaren in Kaluga

In de daaropvolgende tien jaar zou Shamil ﵀ met zijn familie in Kaluga, een Russische provinciestad ten zuidwesten van Moskou, in een eervolle ballingschap leven die hem alle vrijheden van een Russisch edelman gaf behalve het recht naar de Kaukasus terug te keren. Hij ontving in deze jaren bezoek van Russische geleerden en militairen die zijn herinneringen aan zijn imamaat in interviews vastlegden, hij onderhield correspondentie met sommige van zijn voormalige medewerkers die in de Kaukasus waren gebleven, en hij wijdde een aanzienlijk deel van zijn tijd aan zijn persoonlijke geestelijke oefeningen die hij sinds zijn jeugd in Gimry onverminderd had volgehouden.

Tegen het einde van de jaren zestig diende hij bij Tsaar Alexander II een verzoek in om de pelgrimstocht naar Mekka, die als religieuze plicht in zijn leven nog niet was vervuld, te mogen ondernemen, en in 1869 werd dit verzoek ingewilligd. Hij vertrok in dat jaar via Kiev naar Istanbul en vandaar naar Mekka, in een reis die in haar definitieve uitkomst niet meer naar Kaluga zou terugkeren maar die in Medina, bij het graf van de Profeet ﷺ, haar eindbestemming zou vinden in de gestalte van zijn eigen begrafenis in 1871. Aan deze laatste fase van zijn leven, en aan de wijze waarop hij in zijn hadj en in zijn dood in Medina de uiterlijke nederlaag van Gunib in een geestelijke voltooiing omzette, zal het volgende artikel zijn aandacht wijden.

In dit artikel hebben wij gezien hoe de imamaat in haar laatste veertien jaar onder de geleidelijke uitputtingsstrategie van Baryatinsky werd ingesnoerd, hoe Vedeno in april 1859 viel, hoe Gunib in augustus 1859 de laatste vesting van het verzet werd, en hoe Shamil ﵀ op de zesentwintigste augustus 1859 in een nobele overgave aan Baryatinsky de imamaat in haar formele gestalte beëindigde zonder haar in haar geestelijke kern op te geven. De vorm van de overgave was, hoezeer zij voor zijn tijdgenoten en voor latere historici onverwacht in haar wederzijdse respect verliep, de uitkomst van een lange strategische bezinning waarin Shamil ﵀ de mogelijkheden van zijn laatste uur tegen elkaar had afgewogen en waarin hij voor de voortzetting van de imamaat-gedachte in een toekomstige gestalte had gekozen boven de marteldood die hem op dat moment ongetwijfeld zou zijn geschonken indien hij voor de uiterste verdediging had gekozen.

Bronnen

  • Moshe Gammer, Muslim Resistance to the Tsar: Shamil and the Conquest of Chechnia and Daghestan, Frank Cass (1994), pp. 245–294.
  • Anna Zelkina, In Quest for God and Freedom: Sufi Responses to the Russian Advance in the North Caucasus, Hurst (2000), pp. 295–340.
  • John F. Baddeley, The Russian Conquest of the Caucasus, Longmans (1908), pp. 432–488.
  • Mukhammad Tahir al-Qarakhi ﵀, Bariqat al-suyuf al-Daghistaniyya fi baʿd ghazawat al-Shamiliyya, Arabisch handschrift uit circa 1856; Russische vertaling door A. M. Barabanov, Moscou (1941), pp. 264–384.
  • ʿAbd al-Rahman al-Ghazi-Ghumuqi ﵀, Khulasat al-tafsil ʿan ahwal al-Imam Shamil, Arabisch handschrift uit 1869; uitgegeven door Said Shihaliev, Machatsjkala (1992), pp. 56–124.
  • Charles King, The Ghost of Freedom: A History of the Caucasus, Oxford University Press (2008), pp. 91–112.
  • Anthony Rhinelander, Prince Michael Vorontsov: Viceroy to the Tsar, McGill-Queen’s University Press (1990), pp. 198–246.
  • Lesley Blanch, The Sabres of Paradise, John Murray (1960; nieuwe editie Sphere Books 2004), pp. 412–478.
واللّٰه أعلم

Sources

Hoofdbronnen: Moshe Gammer, Muslim Resistance to the Tsar: Shamil and the Conquest of Chechnia and Daghestan (Frank Cass, 1994); Anna Zelkina, In Quest for God and Freedom: Sufi Responses to the Russian Advance in the North Caucasus (Hurst, 2000); John F. Baddeley, The Russian Conquest of the Caucasus (Longmans, 1908); Charles King, The Ghost of Freedom: A History of the Caucasus (Oxford UP, 2008); Walter Richmond, The Circassian Genocide (Rutgers UP, 2013); Michael Kemper, Herrschaft, Recht und Islam in Daghestan (Reichert, 2005); Clemens P. Sidorko, Dschihad im Kaukasus (Reichert, 2007); Mukhammad Tahir al-Qarakhi, Bariqat al-suyuf al-Daghistaniyya (handschrift c. 1856, Russische ed. Barabanov 1941); Abd al-Rahman al-Ghazi-Ghumuqi, Khulasat al-tafsil (handschrift 1869, ed. Shihaliev 1992).