InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Doodvonnis en Executie
De Helden van Islamİskilipli Mehmed Atıf Hoca

Doodvonnis en Executie

Doodvonnis en executie

In het voorgaande artikel volgden wij İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ op zijn gedwongen tocht naar Ankara en in de zaal van de İstiklâl Mahkemesi, het Onafhankelijkheidstribunaal dat onder voorzitterschap van Ali Çetinkaya, met Kılıç Ali en Reşit Galip als leden en met Necip Ali Küçüka als openbaar aanklager, in januari 1926 over zijn lot zou beslissen; wij zagen hoe de zitting van de zesentwintigste januari niet het wezen van een echt proces had maar van een reeds genomen besluit dat slechts nog zijn vorm zocht, hoe de aanklager een gevangenisstraf van drie jaar eiste, en hoe de geleerde, die in Giresun reeds op de eigenlijke beschuldiging was vrijgesproken zonder dat men hem had vrijgelaten, weigerde zich nog langer te verdedigen tegen een rechtbank die haar oordeel reeds had geveld voordat hij de zaal was binnengeleid. Dit laatste artikel is gewijd aan wat daarna kwam: aan het vonnis dat in de eerste dagen van februari werd uitgesproken, aan de wijze waarop hij het ontving, aan de ochtend van de vierde februari 1926 waarop het werd voltrokken, en aan de lange nagedachtenis waarin zijn naam, eerst onderdrukt en later in ere hersteld, in de Turkse moslimwereld zou voortleven.

Het vonnis van begin februari

De beraadslaging van het tribunaal kostte, zoals bij een uitkomst die in haar wezen reeds vaststond te verwachten viel, geen lange dagen. Tussen de zitting van de zesentwintigste januari en de uitspraak verstreken nauwelijks meer dan een handvol dagen, en op of omstreeks de derde februari 1926, de dag vóór de voltrekking, deelde de İstiklâl Mahkemesi van Ankara haar oordeel mee: de doodstraf, door ophanging, te voltrekken zonder uitstel. Voor de mannen die het uitspraken was de zaak daarmee afgesloten, maar voor wie de juridische werkelijkheid eerlijk wil verstaan is juist hier de grootste zorgvuldigheid geboden, want de overlevering heeft het vonnis vereenvoudigd tot het beeld van een geleerde die werd opgehangen omdat hij weigerde een hoed te dragen, en dat beeld doet, hoe begrijpelijk het ook is ontstaan, geen recht aan de werkelijke gang van zaken.

De formele grondslag van de veroordeling lag niet in enige bepaling over hoofddeksels, want zulk een bepaling kende het Turkse strafrecht in haar afzonderlijke vorm niet, maar in artikel vijfenvijftig van het strafwetboek, de bepaling die het handelen tegen de grondwettelijke orde van de staat en de poging haar omver te werpen strafbaar stelde. Op die grondslag, en niet op de letter van de Şapka Kanunu die in november van het voorgaande jaar was aangenomen, werd Atıf ﵀ ter dood veroordeeld, en het boek dat hij in 1924 met een vergunning van het Ministerie van Onderwijs en geheel binnen de toenmalige wettelijke kaders had gepubliceerd, het traktaat Frenk Mukallidliği ve Şapka over de navolging van de Europeanen en de hoed, diende daarbij niet als de eigenlijke misdaad maar als het politieke voorwendsel waaraan men de aanklacht ophing.

Waarom het onderscheid telt

Men zou kunnen menen dat dit een spitsvondigheid is die het onrecht eerder verkleint dan verheldert, maar het tegendeel is waar, want juist in dit onderscheid ligt de werkelijke aard van wat de geleerde werd aangedaan besloten. Indien hij was veroordeeld voor een overtreding van de hoedenwet, zou men nog kunnen spreken van een staat die, hoe hard ook, haar eigen geschreven recht toepaste; maar de hoedenwet was pas aangenomen toen zijn boek reeds ongeveer anderhalf jaar in omloop was, en een mens kan naar geen enkel rechtsbeginsel worden gestraft voor een geschrift dat ten tijde van zijn verschijning volkomen geoorloofd was. Om die hindernis te omzeilen greep het tribunaal naar de veel ruimere en veel vager omschreven bepaling van artikel vijfenvijftig, en het verklaarde het boek tot een instrument waarmee de auteur zou hebben getracht het volk tegen de nieuwe orde op te zetten, zodat de straf niet de overtreding van een wet maar de vermeende bedreiging van een regime tot maatstaf nam.

Daarmee was de veroordeling in haar kern een politiek vonnis, geveld door een tribunaal dat in deze maanden in heel Anatolië als het scherpste instrument van de jonge eenpartijstaat optrad en dat in de nasleep van de protesten tegen de hoedenwet in Sivas, Kayseri, Erzurum, Rize, Maraş en Giresun reeds vele mannen aan de galg had gebracht. De vorm van de wet werd gehandhaafd en de schijn van een proces werd opgehouden, maar de uitkomst was van tevoren bepaald door de wil van een staat die in de stem van de oude geleerdheid een gevaar zag dat zij niet naast zich wenste te dulden, en die in Atıf ﵀ een voorbeeld zocht waarmee zij de overige ulema tot zwijgen kon manen. Het is deze waarheid, de waarheid van een rechtsorde die haar eigen vormen gebruikte om een vooraf gewenste uitkomst te bekleden, die men eerlijk onder ogen moet zien wil men begrijpen wat er op die vierde februari werkelijk gebeurde, en het is een waarheid die het onrecht niet verkleint maar het in zijn volle gewicht zichtbaar maakt.

De houding van de veroordeelde

Over de wijze waarop Atıf ﵀ het vonnis ontving, is in de overlevering veel verteld, en de geschiedschrijver moet hier behoedzaam onderscheiden tussen wat de bronnen met enige zekerheid toelaten en wat de latere vroomheid aan het beeld heeft toegevoegd. Wat met grote eenstemmigheid wordt overgeleverd, en wat ook in het licht van zijn gehele levensloop geloofwaardig is, is dat hij het doodvonnis met een merkwaardige kalmte aanhoorde, zonder de uitbarstingen van wanhoop of de smeekbeden om genade die men van een mens in zijn omstandigheden zou verwachten, en dat hij weigerde zijn leven te bepleiten bij de mannen die over hem oordeelden. Hij had zich reeds in de zitting van de zesentwintigste januari onthouden van elke verdere verdediging, en hij bleef ook na het vonnis bij die houding, want hij begreep dat een beroep op de barmhartigheid van een rechtbank die haar oordeel reeds had geveld niet alleen vruchteloos maar ook beneden zijn waardigheid zou zijn.

Het is verleidelijk om die houding te willen invullen met een welsprekende laatste rede, met een tot in de bijzonderheden uitgesproken toespraak waarin de geleerde zijn rechters de waarheid in het gezicht slingerde, en de latere overlevering heeft hem zulke woorden ook menigmaal in de mond gelegd; maar de eerlijkheid gebiedt te erkennen dat geen betrouwbare bron ons een woordelijk verslag van een dergelijke rede heeft nagelaten, en dat het de waardigheid van de man eerder schaadt dan eert wanneer men zijn werkelijke standvastigheid met verzonnen welsprekendheid opsiert. Wat de bronnen toelaten te zeggen is niet wat hij precies sprak, maar wat hij naliet te doen, en juist in dat nalaten ligt de getuigenis: hij smeekte niet, hij herriep niet, hij vernederde zich niet, en hij ging zijn dood tegemoet met de gelatenheid van een man die zijn rekening reeds met Allah ﷻ had opgemaakt en die de uitkomst van zijn aardse zaak in Diens hand had gelegd.

Wat de overlevering vasthoudt

In de gemeenschap die zijn nagedachtenis bewaarde, is door de generaties heen één beeld met bijzondere innigheid doorgegeven, namelijk dat hij in de uren voor zijn dood en op de gang naar de galg de Koran reciteerde, en dat de woorden van de openbaring de laatste klanken waren die over zijn lippen kwamen. Of die voorstelling in al haar bijzonderheden op een ooggetuige teruggaat dan wel of zij door de vroomheid van latere geslachten aan het beeld van zijn einde is toegevoegd, valt met de bronnen die ons resten niet met zekerheid vast te stellen, en het past de geschiedschrijver hier te spreken in de voorzichtige bewoordingen die de zaak verdient: de overlevering houdt vast dat hij de dood tegemoet ging met de Koran op de tong, en die overlevering, ook waar zij zich aan de strikte toetsing onttrekt, drukt een waarheid uit die met zijn gehele leven in overeenstemming is.

Want de man die op die ochtend naar de galg werd geleid, was niet bij die gelegenheid voor het eerst tot de Koran teruggekeerd, maar had haar van zijn kindertijd in İskilip af, door zijn jaren aan het Caca Bey-leerhuis en zijn lange studie aan het Fatih-complex heen, tot in zijn jaren als müderris en als schrijver in de moslimpers gemaakt tot het weefsel zelf van zijn bestaan, zodat het niets dan natuurlijk zou zijn dat in zijn laatste uur juist die woorden hem het dichtst nabij waren. En indien er één vers is dat de moslim in het aangezicht van de dood op de lippen neemt, een vers dat de tong vindt nog voordat de geest het zoekt, dan is het dat ene dat de gelovige sinds de dagen van de Profeet ﷺ heeft uitgesproken wanneer hem het verlies en de beproeving troffen, en de overlevering houdt vast dat het deze woorden waren waarmee Atıf ﵀ zich aan zijn Heer overgaf.

إِنَّا لِلَّهِ وَإِنَّا إِلَيْهِ رَاجِعُونَ

"Wij behoren aan Allah ﷻ toe en tot Hem keren wij terug."

Soera Al-Baqarah 2:156

In dat vers ligt het hele begrip van zijn houding besloten, want het spreekt niet van verzet tegen de dood noch van onderwerping aan de macht die haar oplegde, maar van een mens die zichzelf van het begin af aan begrijpt als een toevertrouwd pand dat aan zijn Heer toebehoort en dat op het bepaalde uur tot Hem terugkeert. Wie zo over zijn eigen leven denkt, kan door geen tribunaal werkelijk worden bezeten, want het ergste dat zulk een rechtbank vermag, de ontneming van het aardse leven, is in zijn ogen niet de vernietiging van zijn bestaan maar de overgang ervan naar de Hand die het altijd reeds had vastgehouden, en juist daarom kon Atıf ﵀ de galg tegemoet gaan zonder de paniek van wie meent dat met zijn dood alles afgelopen is.

De ochtend van de vierde februari

In de vroege ochtend van de vierde februari 1926 werd het vonnis voltrokken in het hart van Ankara, in de wijk rond het oude parlementsgebouw waar de jonge Republiek haar wetten uitvaardigde en waar het tribunaal dat hem had veroordeeld zetelde. Het was de winter, en in de hoofdstad van een land dat zichzelf met grote haast aan het herscheppen was naar Europees voorbeeld, in een stad die nog maar weinige jaren tevoren een bescheiden Anatolische provincieplaats was geweest en nu de zenuw van de nieuwe staat moest worden, werd in het openbaar een galg opgericht waaraan een geleerde op gevorderde leeftijd, gebroken naar het lichaam door de maanden van gevangenschap maar onverzet naar de geest, zijn leven zou laten.

Over de juiste plaats van de terechtstelling lopen de bronnen uiteen, en het past niet die onzekerheid te verbergen achter een schijn van precisie die de stukken niet toelaten. De gezaghebbendste levensbeschrijving, het lemma in de TDV İslâm Ansiklopedisi, plaatst de galg op de Karaoğlan Çarşısı, de oude marktbuurt in het centrum van Ankara; andere Turkse bronnen daarentegen noemen het Samanpazarı Meydanı, een naburig plein in dezelfde oude stadskern. Welke van beide aanduidingen de juiste is, laat zich met de gegevens die ons resten niet met volledige zekerheid uitmaken, en het is eerlijker de beide overleveringen naast elkaar te laten staan dan een ervan met een stelligheid te kiezen die de bronnen niet dragen; wat wel vaststaat is dat het in het openbaar gebeurde, in de oude kern van Ankara, op enkele schreden van de instellingen van de macht die over hem had geoordeeld.

Hij was niet de enige

Het zou een vertekening van de geschiedenis zijn de gebeurtenis van die ochtend voor te stellen als het eenzame lot van één man, want Atıf ﵀ stond in deze maanden niet alleen voor de tribunalen en hij stond ook niet alleen aan de galg. In dezelfde golf van vervolging die in de nasleep van de hoedenwet over de Anatolische ulema en over de protesterende bevolking neerkwam, werd ook Ali Rızâ Efendi ﵀, de mufti van Babaeski, ter dood veroordeeld en in hetzelfde tijdsgewricht opgehangen, en zijn naam behoort naast die van Atıf ﵀ genoemd te worden wil men de werkelijke omvang van wat zich voltrok niet uit het oog verliezen. De İstiklâl Mahkemeleri hadden in deze weken in de getroffen provincies talloze terdoodveroordelingen uitgesproken, en de twee geleerden die in Ankara aan de galg stierven waren de meest zichtbare slachtoffers van een vervolging die in haar reikwijdte veel verder ging dan hun beider persoon.

Dat besef ontneemt aan het einde van Atıf ﵀ niets van zijn bijzonderheid, maar het plaatst het in zijn ware verband, namelijk in dat van een staat die in een korte en harde periode besloot dat de oude religieuze geleerdheid en het openlijke verzet tegen haar maatregelen met de strop tot zwijgen moesten worden gebracht. De geleerde uit İskilip werd daarvan het meest herinnerde gezicht, deels omdat zijn boek hem reeds vóór de hoedenwet tot een bekend man had gemaakt, deels omdat zijn standvastigheid in het proces en zijn weigering om genade te vragen hem in de ogen van de gemeenschap tot een getuige bij uitstek maakten; maar hij stierf niet als een uitzondering, hij stierf als de meest zichtbare onder velen, en de mufti van Babaeski ﵀ stierf aan zijn zijde in dezelfde dagen en om dezelfde redenen.

De voltrekking

Van de eigenlijke voltrekking laten de bronnen ons weinig na dat de toets van de zekerheid doorstaat, en het is hier, aan de uiterste rand van het leven van deze man, dat de geschiedschrijver het meest op zijn hoede moet zijn voor de neiging om de leegte van het document met de verbeelding op te vullen. Wat wij weten is het wezenlijke en het onomstotelijke: dat hij in de vroege ochtend van de vierde februari 1926 naar de galg werd geleid, dat hij geen genade had gevraagd en geen herroeping had uitgesproken, en dat hij stierf zoals hij had geleefd, in onderwerping aan Allah ﷻ en niet aan de macht die over hem heerste. De rest, de bijzonderheden van het uur en van de gebaren, behoort tot het gebied waarover de stukken zwijgen, en het past de eerbied die wij hem verschuldigd zijn beter dat zwijgen te eerbiedigen dan het met verzonnen tonelen te overstemmen.

De winterse ochtend, de opgerichte galg in de oude stad, de geleerde op leeftijd die de trap besteeg met de woorden van de openbaring op zijn lippen: dit is het beeld dat de overlevering heeft bewaard, en het is, ook waar het zich aan de strikte toetsing onttrekt, in overeenstemming met alles wat de betrouwbare bronnen ons over zijn houding melden. Hij was vijftig jaren oud naar de telling van zijn geboortejaar 1875, en hij eindigde zijn leven niet als de misdadiger die het vonnis van hem maakte, maar als een man die liever de strop verkoos dan de verloochening van wat hij sinds zijn kindertijd in İskilip als de hem toevertrouwde kennis had leren eerbiedigen. Met zijn dood was de stem die in de moslimpers van Sebîlürreşâd en Beyânülhak, in de leerhuizen van Fatih en in het traktaat over de hoed had gesproken, tot zwijgen gebracht, maar het zwijgen dat de staat haar oplegde zou niet zo volledig en niet zo blijvend zijn als de mannen aan het tribunaal hadden gemeend.

De jaren van het opgelegde zwijgen

In de eerste jaren na zijn dood viel over de naam van Atıf ﵀ de stilte die de eenpartijstaat over al wie haar in de weg had gestaan liet neerdalen. In de officiële geschiedschrijving van de jonge Republiek was voor de man die aan de galg van Ankara was gestorven geen eervolle plaats ingeruimd, en waar zijn naam al werd genoemd, was het in de hoedanigheid van de veroordeelde, de reactionair die zich tegen de vooruitgang had verzet en die de straf van de revolutie had ondergaan. Het was niet raadzaam, en gedurende lange tijd zelfs gevaarlijk, om in het openbaar van hem te spreken als van een onrechtvaardig ter dood gebrachte geleerde, en zijn boek verdween uit de omloop, zijn graf bleef zonder de eer die men aan een geliefde dode pleegt te bewijzen, en zijn nagedachtenis werd uit de zichtbare ruimte van het nationale leven verdreven.

Maar wat uit de officiële ruimte was verdreven, leefde voort in de stille ruimte van de gemeenschap, want de mensen van İskilip en de bredere kring van vrome moslims in Anatolië vergaten niet wie hij was geweest en waarom hij was gestorven. In de huizen en in de harten, in de mondelinge overlevering die van vader op zoon en van leraar op leerling werd doorgegeven buiten het bereik van de staat en haar geschiedboeken, bleef de herinnering aan de geleerde uit İskilip bewaard, en zij werd er, naar de aard van zulk een onderdrukte nagedachtenis, eerder inniger dan zwakker door, want een gemeenschap hecht zich met bijzondere trouw aan de gedachtenis van wie zij als een onrechtvaardig getroffene beschouwt. Het opgelegde zwijgen verstomde de openbare stem, maar het kon de gemeenschapsherinnering niet uitwissen, en juist in die onderstroom werd de naam van Atıf ﵀ bewaard totdat de tijden zouden veranderen.

Het keren van het getij

Met de geleidelijke verandering van het politieke klimaat in Turkije in de tweede helft van de twintigste eeuw, toen het ijzeren keurslijf van de vroege eenpartijstaat losser werd en er ruimte kwam voor een herwaardering van wie in de harde jaren waren vervolgd, begon ook de naam van Atıf ﵀ uit het opgelegde zwijgen op te rijzen. Wat in de gemeenschap nooit was vergeten, kon nu opnieuw in het openbaar worden uitgesproken, en in geschriften, in herdenkingen en in het toenemende historische onderzoek werd de geleerde uit İskilip geleidelijk uit de hoedanigheid van de veroordeelde naar die van de onrechtvaardig ter dood gebrachte overgebracht. Het eerherstel voltrok zich niet bij één enkel besluit en op één enkele dag, maar in de langzame verschuiving van het collectieve oordeel waarin een gemeenschap haar eigen verleden herziet, en het droeg het kenmerk van een geleidelijk groeiende eerbied eerder dan dat van een plotselinge rehabilitatie van staatswege.

In dat proces werd ook zijn werk opnieuw toegankelijk, werd zijn levensloop in steeds zorgvuldiger studies onderzocht, en werd hij in de bredere Turkse moslimgemeenschap erkend als een van de geleerden die in de moeilijkste jaren van de overgang van het rijk naar de Republiek de prijs van hun overtuiging tot het uiterste hadden betaald. De man die de eenpartijstaat tot zwijgen had willen brengen, werd in de generaties na haar een figuur van wie de naam met eerbied werd uitgesproken, en de geschiedenis voltrok aan hem de eigenaardige gerechtigheid die zij wel vaker aan de vervolgden voltrekt, dat de nagedachtenis van het slachtoffer de overwinning van zijn vervolgers overleeft.

De hedendaagse gedachtenis

In de jaren rond 2008 tot 2010 werd het stoffelijk overschot van Atıf ﵀ naar İskilip overgebracht, naar de stad waarin hij in 1875 was geboren en waarin de eerste fundamenten van zijn geleerdheid waren gelegd, zodat de geleerde na lange jaren ten slotte rustte in de grond van zijn geboortestreek. In de jaren daarna kreeg zijn nagedachtenis in zijn geboortestad een zichtbare neerslag: er verrees een herdenkingspark dat zijn naam draagt, en in 2020 werd aan de Hitit-universiteit in Çorum een wetenschappelijk symposium aan zijn leven en werk gewijd, waarin onderzoekers de bronnen van zijn levensloop en de plaats van zijn denken in de geschiedenis van de late Ottomaanse en vroege Republikeinse ulema aan een ernstige studie onderwierpen. In 2017 werd bovendien een biografische film over zijn leven gemaakt, waarmee zijn verhaal ook een breder hedendaags publiek bereikte dat de naam misschien voor het eerst vernam.

In deze hedendaagse gedachtenis is Atıf ﵀ in de Turkse moslimwereld een figuur van bijzondere eer geworden, en in de latere Turkse moslimoverlevering wordt hij herinnerd als de eerste martelaar van de Republiek, de geleerde wiens dood aan de galg van Ankara het begin markeerde van de prijs die de oude geleerdheid voor de nieuwe orde zou betalen. Hier past echter, juist op de plaats waar de eerbied het sterkst is, een eerlijk woord, want die aanduiding is een vrome erenaam die de latere overlevering hem heeft toegekend en geen door de bronnen vastgestelde historische rangorde. Of hij in strikte zin de allereerste was die onder de Republiek om zijn geloofsovertuiging stierf, valt met de talloze terdoodveroordelingen van de İstiklâl Mahkemeleri in deze maanden niet met zekerheid te bepalen, en de waarde van de erenaam ligt dan ook niet in haar feitelijke nauwkeurigheid maar in wat zij over de plaats van de man in het geheugen van zijn gemeenschap uitdrukt.

Wat de erenaam wil zeggen

Wanneer de gemeenschap hem de eerste martelaar van de Republiek noemt, spreekt zij niet als de historicus die de data naast elkaar legt, maar als de gelovige die in deze ene geleerde het lot van een hele geleerdentraditie samengevat ziet. Hij werd het gezicht van de vervolging, niet omdat hij aantoonbaar de eerste in de tijd was, maar omdat zijn standvastigheid, zijn weigering om genade te vragen, zijn boek dat reeds vóór de hoedenwet de botsing tussen de oude en de nieuwe wereld had benoemd, en zijn dood aan de galg van de hoofdstad hem tot het meest sprekende voorbeeld maakten van wat in deze jaren aan de ulema werd voltrokken. De erenaam is in die zin waar zoals een gedicht waar is, niet in de letterlijke optelsom van de feiten maar in de betekenis die zij aan de gebeurtenis verleent, en het is geen geringschatting van die betekenis wanneer de geschiedschrijver erbij aantekent dat zij een devotionele en geen archivale waarheid uitdrukt.

Het past de eerbied voor de man eerder dan dat het haar tekortdoet, dat men hem in de waarheid herinnert en niet in de overdrijving, want zijn werkelijke grootheid heeft de opsmuk van de legende niet nodig. Een geleerde die zijn leven liet omdat hij weigerde de stem van de overgeleverde kennis te verloochenen, en die de galg verkoos boven de vernedering van het smeken om genade, is in zijn eigen werkelijkheid eervol genoeg, en de eerlijke geschiedschrijving die zijn lot in de juiste verbanden plaatst, eert hem dieper dan de vrome overdrijving die hem in een feitelijke rangorde wil dwingen die de bronnen niet kunnen dragen.

Wat aan de galg van Ankara niet werd uitgewist

Aan het begin van deze reeks van veertien artikelen stonden wij reeds bij de galg in het hart van Ankara, op de vroege ochtend van de vierde februari 1926, en zagen wij een geleerde in zijn witte gewaad naar de strop geleid worden in de schaduw van het gebouw waar de jonge Republiek haar wetten uitvaardigde; wij wendden toen de blik van die galg af en keerden terug naar het Anatolische stadje İskilip van een halve eeuw eerder, naar het vaderloze kind dat in 1875 in een gewoon moslimhuishouden ter wereld kwam en van wie niemand kon vermoeden dat hij ooit het symbool zou worden van de botsing tussen twee werelden. Nu, aan het einde van de reeks, zijn wij bij die galg teruggekeerd, en wij verstaan haar anders dan wij haar aan het begin verstonden, want wij hebben de weg gezien die ervandaan terugvoert: de leerjaren aan het Caca Bey-leerhuis onder Hoca Abdullah Efendi ﵀, de lange studie aan het Fatih-complex, de jaren als müderris en als medrese-inspecteur, de stem in de moslimpers van Sebîlürreşâd en Beyânülhak, het traktaat over de hoed, en ten slotte de tribunalen en de gevangenschap die in deze winterse ochtend hun ontknoping vonden.

De staat die hem ophing, meende dat zij met de strop een stem voorgoed tot zwijgen bracht, en in de eerste jaren scheen het dat zij gelijk had gekregen, want zijn naam verdween uit de geschiedboeken en zijn boek uit de omloop, en de officiële herinnering verklaarde hem tot de reactionair die de straf van de revolutie had ondergaan. Maar wat aan de galg werd ontnomen, was het aardse leven en niet de nagedachtenis, en de stem die de tribunalen hadden willen smoren, sprak in de stille overlevering van de gemeenschap voort, totdat de tijden keerden en zij opnieuw in het openbaar mocht klinken. Het stoffelijk overschot keerde terug naar İskilip, het park verrees, het symposium werd gehouden, de film werd gemaakt, en de naam die men had willen uitwissen werd uitgesproken met de eerbied die men aan de getuigen van het geloof bewijst, zodat de geschiedenis aan deze man de gerechtigheid voltrok die zij aan de onrechtvaardig getroffenen voltrekt, namelijk dat zijn gedachtenis de macht van zijn rechters overleefde.

In dat overleven ligt de zin van het hele verhaal besloten, want de man die in 1875 als een vaderloos kind in een afgelegen provinciestad werd geboren en die in 1926 aan de galg van de hoofdstad eindigde, had in zijn jeugd in İskilip geleerd dat de kennis van de godsdienst geen bezit is waarover men vrijelijk beschikt, maar een toevertrouwd pand dat men ongeschonden behoort door te geven, en hij bleef die les trouw tot in de uiterste prijs die zij van hem vroeg. Hij smeekte niet en hij herriep niet, want hij begreep zijn eigen leven, naar het vers dat de overlevering hem op de lippen legt, als iets dat aan Allah ﷻ toebehoort en op het bepaalde uur tot Hem terugkeert, en wie zo over zijn bestaan denkt, kan door geen galg werkelijk worden verslagen. Zo eindigt het verhaal van İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀, niet in de strop die zijn aardse leven beëindigde en niet in het opgelegde zwijgen dat zijn vervolgers hem oplegden, maar in de nagedachtenis van een gemeenschap die hem als een getuige bleef erkennen en in de gerechtigheid van een geschiedenis die zijn naam aan de vergetelheid heeft ontworsteld. Moge Allah ﷻ hem genadig zijn, en moge de standvastigheid waarmee hij voor zijn overtuiging is gestorven, de gelovigen die na hem komen tot een baken zijn op de weg die hij is gegaan.

Bronnen

  • TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi”, Türkiye Diyanet Vakfı (İstanbul, 2000), pp. 132–135 [de gezaghebbendste academische levensbeschrijving; de plaats van de terechtstelling, de datum van de executie en de juridische grondslag].
  • Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca, Çorum Belediyesi (Çorum, 2016) [monografie met de İskilipse gegevens en de hedendaagse gedachtenis, het herdenkingspark en de herbegrafenis].
  • Ergün Aybars, İstiklal Mahkemeleri, Ayyıldız Yayınları (Ankara, 1975; herziene uitgave Bilgi Yayınevi, İstanbul, 1998) [voor de werkwijze van de Onafhankelijkheidstribunalen en de vervolgingen in de nasleep van de Şapka Kanunu].
  • Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History, I.B. Tauris (4e druk, 2017), pp. 166–205 [voor de İstiklâl Mahkemeleri, de hoedenwet en de consolidatie van de eenpartijstaat].
  • Andrew Mango, Atatürk: The Biography of the Founder of Modern Turkey, John Murray (1999), pp. 434–438 [voor de hoedenwet, de protesten en de rol van de tribunalen].
  • Gotthard Jäschke, Der Islam in der neuen Türkei: Eine rechtsgeschichtliche Untersuchung, in Die Welt des Islams N.S. 1:1–2 (1951), pp. 1–174 [voor de juridische context van de seculariserende wetgeving en artikel vijfenvijftig van het strafwetboek].
واللّٰه أعلم

Sources

Hoofdbronnen: TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi” (Türkiye Diyanet Vakfı, 2000); Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca (Çorum Belediyesi, 2016); İskilipli Mehmed Âtıf, Frenk Mukallidliği ve Şapka (1924); Mustafa Armağan, Şapka Davası ve İskilipli Atıf Hoca (Bilim ve Kültür, 2008); Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History (I.B. Tauris, 4e druk 2017); Niyazi Berkes, The Development of Secularism in Turkey (McGill UP, 1964); Bernard Lewis, The Emergence of Modern Turkey (Oxford UP, 3e druk 2002); Stanford J. Shaw & Ezel Kural Shaw, History of the Ottoman Empire and Modern Turkey (Cambridge UP, 1977); Andrew Mango, Atatürk (John Murray, 1999); Ergün Aybars, İstiklâl Mahkemeleri (Bilgi Yayınevi, 1975).