Overdracht naar Ankara
In het voorgaande artikel volgden wij İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ naar het tribunaal van Giresun aan de Zwarte Zee, waar hij zich, na zijn aanhouding van zeven december 1925, moest verantwoorden voor de beschuldiging dat zijn boek over de hoed het verzet tegen de Hoedenwet zou hebben aangewakkerd, en wij zagen hoe dat tribunaal, na de aanklacht op het ene punt te hebben gewogen waarop het recht haar onmogelijk kon dragen, tot een vrijspraak kwam die de onhoudbaarheid van de aantijging erkende, want het boek was ruim een jaar voor de wet en met de vergunning van de bevoegde overheid verschenen, zodat geen mens hem redelijkerwijs kon verwijten te hebben opgeroepen tot verzet tegen een voorschrift dat ten tijde van zijn schrijven nog niet bestond. Die vrijspraak, de beraat in de taal van het Turkse recht, had voor İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ het einde van zijn beproeving moeten betekenen, want een rechtbank die de bewijzen had gewogen en de tijdrekening eerlijk had gevolgd, was tot het enige oordeel gekomen dat de feiten toelieten, en in een staat waarin het recht boven de wil van de machthebbers had gestaan, zou hij na die uitspraak in vrijheid naar zijn boeken en zijn gezin in İstanbul zijn teruggekeerd. Maar het regime, dat de geleerde tot het zinnebeeld van het verzet had uitgeroepen en dat in zijn ondergang een waarschuwing aan de hele stand van de ulama wilde stellen, was niet bereid die gunstige uitspraak te laten staan, en in plaats van hem de vrijheid te schenken die het tribunaal van Giresun hem op het punt van de hoedenprotesten had toegekend, hield het hem in de boeien en besloot het hem naar de hoofdstad te zenden, waar een ander tribunaal, dat van Ankara, hem opnieuw en op andere gronden zou berechten. Op zesentwintig december 1925 werd hij onder bewaking uit de Zwarte-Zeestreek weggevoerd, op weg naar Ankara, en het is op die overbrenging, en op wat hem daar wachtte, dat dit artikel zijn aanvang neemt.
De winterse reis naar de hoofdstad
De overbrenging van İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ naar Ankara voltrok zich in de laatste dagen van december, het hart van de Anatolische winter, wanneer de hooglanden van het binnenland onder de sneeuw bedolven liggen en de wegen die de kuststreek met het centrale plateau verbinden, zich door bevroren passen en over verlaten vlakten slingeren, en het is niet moeilijk zich voor te stellen onder welke ongemakken een gevangene in die maand de lange tocht aflegde van de Zwarte-Zeestreek naar de jonge hoofdstad die het regime midden in het Anatolische land had gevestigd. De bronnen hebben ons over de bijzonderheden van die reis weinig nagelaten dat zich met zekerheid laat vaststellen, en het zou de geschiedschrijver niet passen het tafereel op te sieren met verzonnen omstandigheden over de etappes, de nachtverblijven of de bewakers die hem begeleidden, want wat wij met zekerheid weten is de datum waarop hij uit de greep van het ene tribunaal in die van het andere werd overgeleverd, en de betekenis van die overbrenging weegt zwaarder dan welke ingebeelde bijzonderheid ook.
Wat wel met grond mag worden gezegd, is dat de overbrenging zelf reeds een vingerwijzing was naar wat hem in de hoofdstad te wachten stond, want een staat die de gunstige uitspraak van zijn eigen rechtbank niet aanvaardt en de vrijgesproken man in de boeien naar een tweede tribunaal zendt, geeft daarmee te kennen dat hij niet een vonnis zoekt maar een welbepaald vonnis, en dat de uitkomst van het tweede proces in zijn voornemen reeds vaststond voordat de eerste zitting was geopend. De man die in de medrese van zijn jeugd had geleerd dat de kennis van de godsdienst een toevertrouwd pand is dat men ongeschonden behoort door te geven, werd nu door de winterse vlakten van Anatolië gevoerd, weg van de havenstad waar hem het recht nog een ogenblik gunstig was geweest, naar de stad waar het recht had opgehouden de maatstaf te zijn, en die tocht door de sneeuw was, achteraf bezien, de laatste reis van zijn leven die hem niet naar de galg, maar in de richting ervan voerde.
Ankara als brandpunt van de nieuwe orde
De stad waarheen men İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ bracht, was niet het eerbiedwaardige İstanbul aan de Bosporus, de oude hoofdstad van het kalifaat met haar moskeeën en haar eeuwenoude leerhuizen, maar Ankara, een tot voor kort onaanzienlijk Anatolisch provinciestadje dat het regime in de jaren van de nationale strijd tot het brandpunt van zijn beweging had gemaakt en dat het na de stichting van de Republiek tot hoofdstad had verheven, juist omdat het ver van de oude orde lag en geheel met de nieuwe was verbonden. In die stad zetelde de Grote Nationale Vergadering die de wetten van de Republiek uitvaardigde, en in die stad waren de mannen die het land bestuurden en die in de Hoedenwet en in de vervolging van haar tegenstanders hun wil aan de bevolking oplegden, en wie als verdachte naar Ankara werd gebracht, betrad een wereld die in alles de tegenpool was van de wereld waarin de geleerde was gevormd, een wereld waarin niet de eerbied voor de overgeleverde kennis maar de gehoorzaamheid aan de staat de hoogste deugd was geworden.
Voor een İstanbulse geleerde van de oude stempel betekende de overbrenging naar Ankara dan ook meer dan een wisseling van rechtbank, want zij voerde hem naar het zenuwcentrum van de macht die zijn hele wereld aan het ontmantelen was, de macht die het kalifaat had afgeschaft, het stelsel van de medreses had opgeheven en de wetten van de islam uit het openbare leven had verdreven, en het was voor die macht, in haar eigen hoofdstad en in de schaduw van haar eigen vergadering, dat hij zich moest verantwoorden. De rechtbank die hem daar wachtte, was niet zomaar een van de vele tribunalen die in deze maanden de protesten in de provincie berechtten, maar het tribunaal van de hoofdstad zelf, dat dichter dan enig ander bij de mannen van het regime stond en dat van hen zijn opdracht en zijn richting ontving, zodat de overbrenging naar Ankara in werkelijkheid de overlevering van de geleerde betekende aan de instantie die het regime het nauwst aan zijn wil verbond.
De aard van het Onafhankelijkheidstribunaal
Om te begrijpen wat İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ in Ankara wachtte, moet men zich rekenschap geven van de aard van het tribunaal waarvoor hij zou verschijnen, want de İstiklâl Mahkemesi, het Onafhankelijkheidstribunaal, was geen gewone rechtbank in de zin waarin een geordende staat het recht spreekt, maar een buitengewone instelling die in de jaren van de nationale strijd in het leven was geroepen om verraad, desertie en opstand met de grootste spoed en met de hardste hand te bestraffen. Deze tribunalen waren ontstaan uit de noodtoestand van de oorlog, toen het jonge bewind in Ankara meende dat de gewone rechtsgang te traag en te omzichtig was om het verzet tegen zijn gezag te breken, en zij hadden van de Grote Nationale Vergadering een bevoegdheid ontvangen die in een geordende rechtsstaat ondenkbaar zou zijn geweest, namelijk de macht om te oordelen zonder de waarborgen van het gewone strafrecht en om hun vonnissen, met inbegrip van het doodvonnis, te doen voltrekken zonder dat van enige hogere instantie nog een herziening of een beroep kon worden gevraagd.
Juist die laatste eigenschap maakte het tribunaal tot het geduchte werktuig dat het was, want waar in een gewone rechtsgang het vonnis van de eerste rechter aan het oordeel van een hogere rechtbank kan worden onderworpen en de veroordeelde een laatste toevlucht heeft in het beroep, daar was de uitspraak van het Onafhankelijkheidstribunaal onherroepelijk en zonder verweer, zodat de man die voor zulk een tribunaal stond, wist dat het woord van deze rechters het laatste woord over zijn lot zou zijn en dat geen instantie ter wereld het meer zou kunnen herzien. Het tribunaal verenigde in zich de rollen die in een geordende staat zorgvuldig over verschillende instellingen worden verdeeld, en het oordeelde met een voortvarendheid die het onderscheid tussen een proces en een vergelding nagenoeg uitwiste, want de korte spanne tijds die bij hem verliep tussen de beschuldiging en de straf, liet voor het wegen van de bewijzen en het horen van de verdediging slechts de schijn van een ruimte over.
Een politiek werktuig in het gewaad van het recht
Wat het tribunaal van Ankara in deze maanden tot iets anders maakte dan een rechtbank die naar waarheid en gerechtigheid zoekt, was de nauwe band die het met de politieke leiding van het land verbond, want de mannen die in het tribunaal zetelden, waren geen onafhankelijke rechters die boven de partijen stonden, maar afgevaardigden uit de kring van het regime, lieden die hun positie aan de beweging dankten en wier oordeel zich naar de wil van die beweging richtte. Het tribunaal was, met andere woorden, niet een instelling die het recht onafhankelijk van de macht uitoefende, maar een verlengstuk van die macht zelf, een werktuig waarmee het regime zijn tegenstanders de schijn van een proces verleende terwijl de uitkomst reeds in zijn voornemen vaststond, en wie voor dat tribunaal werd gebracht, betrad niet de zaal van het recht maar de arena van de politieke afrekening, gehuld in het gewaad van een rechtbank.
In dat onderscheid ligt de hele tragedie van İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ besloten, want in Giresun had hij gestaan voor een rechtbank die de bewijzen nog had gewogen en die, hoe buitengewoon haar bevoegdheid ook was, op het punt van de hoedenprotesten tot een vrijspraak was gekomen omdat de feiten geen ander oordeel toelieten, maar in Ankara zou hij staan voor een tribunaal waarvan de uitkomst niet door de feiten maar door de wil van het regime werd bepaald, zodat zijn juridisch onaantastbare verweer, dat zijn boek de wet niet kon hebben ondermijnd omdat het ruim een jaar voor die wet was verschenen, hier even weinig zou wegen als een veer tegen een zwaard. De geleerde die zijn hele leven in de overtuiging had geleefd dat de waarheid haar eigen kracht bezit en dat een redenering die juist is, ook overtuigt, zou in de zaal van het Ankaraanse tribunaal ontdekken dat tegenover een macht die niet de waarheid zoekt maar haar eigen wil, de scherpste redenering haar kracht verliest.
De mannen van het tribunaal
Het tribunaal dat over het lot van İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ zou beslissen, werd voorgezeten door Ali Çetinkaya, een man die in de geschiedenis van de jonge Republiek bekend zou blijven onder de bijnaam Kel Ali, en die zich in de jaren van het regime een reputatie van onverbiddelijke hardheid had verworven, want hij was niet de man om voor de overwegingen van het recht te wijken wanneer de belangen van de beweging waaraan hij zijn loopbaan had verbonden, een ander oordeel verlangden. Onder zijn voorzitterschap was het tribunaal van Ankara in deze maanden uitgegroeid tot het geduchtste van alle Onafhankelijkheidstribunalen, en de mannen die met de hoedenprotesten in aanraking kwamen, wisten dat een verschijning voor het tribunaal van Çetinkaya een verschijning was voor een rechter die zelden tot mildheid neigde en die zijn opdracht opvatte als het breken van de tegenstand tegen de koers van de staat.
Naast Çetinkaya zetelden in het tribunaal de leden Kılıç Ali en Reşit Galip, beiden mannen van de beweging die hun plaats aan hun trouw aan het regime dankten, en het openbaar ministerie werd waargenomen door de aanklager Necip Ali Küçüka, wiens taak het was de beschuldiging tegen de geleerde te formuleren en de straf te eisen die het regime van het tribunaal verwachtte. Deze mannen vormden tezamen de rechtbank waarvoor İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ zich zou moeten verantwoorden, en het is van belang vast te stellen dat geen van hen een onafhankelijk magistraat was die zijn oordeel uitsluitend op de bewijzen en op de wet grondde, maar dat zij allen tot de kring van het regime behoorden en dat hun rechtspraak de richting volgde die de politieke leiding van het land hun aanwees. Het waren niet de rechters van een geordende staat die de geleerde voor zich zagen, maar de uitvoerders van een politieke wil, en in hun handen was zijn lot gelegd op een wijze die met de gerechtigheid waarnaar een rechtbank behoort te streven, weinig van doen had.
De afstand tussen deze rechters en de geleerde
Tussen de mannen van het tribunaal en de geleerde die voor hen stond, gaapte een afgrond die dieper was dan die tussen een rechter en een verdachte gewoonlijk is, want İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ vertegenwoordigde alles wat het regime wilde verdringen, de overgeleverde geleerdheid van de islam, de wereld van de medrese en het kalifaat, de eerbied voor een kennis die van geslacht op geslacht was doorgegeven, terwijl Çetinkaya en zijn medeleden de mannen waren van de nieuwe orde die juist die wereld aan het ontmantelen was. Hun ontmoeting in de rechtszaal was dan ook niet enkel die van een rechtbank en een verdachte, maar die van twee onverzoenlijke werelden, en het oordeel dat deze rechters over de geleerde zouden vellen, was in werkelijkheid het oordeel van de nieuwe orde over de oude, een oordeel dat reeds in de politiek van het regime besloten lag en dat in de zaal van het tribunaal slechts de vorm van een vonnis hoefde aan te nemen.
Wie de namen van deze mannen naast de naam van de geleerde plaatst, en wie bedenkt dat zij over hem te oordelen hadden, beseft dat de uitslag van dit proces niet uit de bewijzen maar uit die tegenstelling der werelden voortvloeide, want het was ondenkbaar dat de mannen die de Hoedenwet hadden helpen doorvoeren en die de tegenstand ertegen met de strop bestraften, de geestelijke vader van die tegenstand, zoals zij hem zagen, ongemoeid zouden laten. De vrijspraak van Giresun, die op het wegen van de feiten berustte, kon in Ankara geen stand houden, niet omdat de feiten waren veranderd, maar omdat de rechters waren veranderd, en omdat de mannen die nu over hem oordeelden, niet de waarheid maar de wil van het regime dienden.
De zitting van zesentwintig januari
Het was op zesentwintig januari van het jaar 1926, een kleine maand na zijn overbrenging uit Giresun, dat İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ voor het tribunaal van Ankara verscheen om zich te verantwoorden, en op die dag werd in de zaal van het tribunaal het schouwspel opgevoerd van een proces waarvan de uitkomst, naar al wat eraan voorafging te oordelen, reeds buiten de zaal was beslist. De aanklager Necip Ali Küçüka droeg de beschuldiging voor en eiste een straf van drie jaar, en in die eis, die in verhouding tot wat zou volgen bijna gematigd schijnt, ligt iets wat de hele zaak in een merkwaardig licht stelt, want indien het tribunaal de eis van zijn eigen aanklager had gevolgd, zou de geleerde met een gevangenisstraf van drie jaren zijn weggekomen en niet met de dood. Dat het tribunaal die eis ten slotte verre zou overtreffen en de zwaarste straf zou opleggen die het recht kende, toont dat het zich niet door zijn aanklager liet leiden maar door een wil die boven de aanklager stond, en het maakt de eis van drie jaar tot een aanwijzing dat zelfs binnen het apparaat van het regime de gronden voor een zwaardere straf zo dun waren dat zelfs de aanklager niet verder durfde te gaan.
De zitting van zesentwintig januari was niet de gebeurtenis van een rechtbank die naar de waarheid zoekt en haar oordeel aan het einde van een eerlijk afwegen vormt, maar de openbare vertoning van een uitkomst die reeds vaststond, en wie de gang van zaken eerlijk wil navertellen, moet zich hoeden voor de neiging om de zitting met verzonnen redevoeringen en ingebeelde woordenwisselingen op te luisteren, want de bronnen hebben ons geen betrouwbaar woordelijk verslag van de zitting nagelaten dat zulk een opsiering zou rechtvaardigen. Wat de overlevering ons met grond meldt, is de datum van de zitting, de eis van de aanklager en het ene, veelzeggende besluit waarmee de geleerde op het verloop van het proces antwoordde, en het is bij dat besluit dat wij thans moeten stilstaan, want het vat in zich heel de houding samen waarmee İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ zijn ondergang tegemoet trad.
Het besef dat het vonnis reeds vaststond
Naarmate de zitting voortschreed, moet het İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ duidelijk zijn geworden dat hij niet voor een rechtbank stond die zijn argumenten zou wegen, maar voor een werktuig van het regime waarvan de uitkomst reeds was bepaald, en die ontdekking stelde hem voor een keuze die geen man lichtvaardig maakt, namelijk de keuze tussen het voortzetten van een verdediging die hij wist dat geen vrucht zou dragen, en het zwijgen waarmee hij de zinloosheid van die verdediging zou erkennen. Voor een geleerde wiens hele leven in het teken van het woord en van de redenering had gestaan, was het opgeven van zijn verdediging geen geringe stap, want het betekende dat hij de wapenen waarmee hij gewoon was de waarheid te dienen, de scherpte van zijn redenering en de kracht van zijn betoog, neerlegde voor een tribunaal dat ze niet wilde horen.
En toch was er in zijn besluit niet de minste lafheid of vertwijfeling, maar veeleer het tegendeel, want hij begreep met de helderheid van een man die het wezen van de macht doorzag, dat een verdediging voor dit tribunaal niet de gerechtigheid zou dienen maar slechts de schijn van een eerlijk proces zou versterken die het regime nodig had, en dat het waardiger was te zwijgen dan met zijn woorden mee te werken aan een vertoning waarvan de uitkomst tevoren vaststond. Het was niet de berusting van een man die de hoop had opgegeven, maar de bezadigde standvastigheid van een man die zijn lot in de handen van Allah ﷻ had gelegd en die wist dat geen redenering, hoe juist ook, hem zou kunnen redden van rechters die niet de waarheid maar hun wil dienden, en dat zijn enige gepaste antwoord op zulk een rechtbank het zwijgen was waarmee hij haar haar masker afrukte.
De weigering verder verweer te voeren
Toen İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ inzag dat het vonnis reeds vaststond en dat het tribunaal geen zetel van het recht was maar een werktuig van de politiek, weigerde hij nog enig verder verweer te voeren, en dat besluit, hoe eenvoudig het in zijn uiterlijke vorm ook was, is het meest welsprekende dat de overlevering ons van zijn laatste dagen heeft bewaard, want in die weigering ligt een oordeel besloten dat dieper sneed dan welke redevoering ook. Door zich verder verweer te ontzeggen, sprak de geleerde, zonder een woord, een vonnis uit over het tribunaal dat over hem oordeelde, want hij gaf daarmee te kennen dat hij de rechtbank niet erkende als een instantie die naar de waarheid zocht, en dat hij weigerde mee te werken aan een proces waarvan hij de uitkomst reeds kende en waarvan hij de aard had doorzien.
Het is van het grootste belang deze weigering juist te verstaan, en haar niet te verwarren met onverschilligheid of met de overgave van een man die de moed had verloren, want zij was het tegendeel daarvan, een welbewust en weloverwogen besluit van een geleerde die zijn waardigheid hoger achtte dan zijn leven en die niet bereid was de gerechtigheid van dit tribunaal te erkennen door zich voor zijn rechters te verdedigen. Zij was bovendien de bekroning van de standvastigheid die heel zijn leven had gekenmerkt, want de man die zich in Giresun, toen het recht hem nog gunstig was, op zijn onaantastbare verweer had verlaten, namelijk dat zijn boek ruim een jaar voor de wet was verschenen en die wet dus onmogelijk kon hebben ondermijnd, begreep in Ankara dat ditzelfde verweer, hoe juist ook, voor dit tribunaal geen kracht meer bezat, en hij weigerde het te herhalen tegen rechters die niet door de waarheid maar door hun wil werden geleid.
Het contrast met Giresun
Wie de zitting van Ankara naast die van Giresun plaatst, ziet in volle scherpte het verschil tussen een rechtbank die de bewijzen weegt en een tribunaal dat de wil van de macht uitvoert, want in Giresun had men de aanklacht aan de feiten getoetst en was men, op het punt van de hoedenprotesten, tot de enige slotsom gekomen die de tijdrekening toeliet, namelijk dat een boek uit 1924 onmogelijk had kunnen oproepen tot verzet tegen een wet uit 1925, terwijl in Ankara diezelfde feiten, diezelfde tijdrekening en diezelfde onhoudbaarheid van de aanklacht niets vermochten tegen een wil die de uitkomst reeds had bepaald. In Giresun had het recht, hoe buitengewoon de bevoegdheid van het tribunaal ook was, nog een laatste maal zijn werk gedaan; in Ankara had het opgehouden de maatstaf te zijn, en de geleerde, die het verschil tussen beide met de helderheid van een geschoold verstand doorzag, trok daaruit de enige slotsom die een man van zijn waardigheid kon trekken, te weten dat het geen zin had de waarheid te bepleiten voor rechters die haar niet wilden horen.
In dat contrast ligt de bittere kern van zijn lot besloten, want de juridisch onaantastbare argumenten die hem in Giresun de vrijspraak hadden bezorgd, telden in Ankara voor niets, niet omdat zij minder juist waren geworden, maar omdat de rechters die ze moesten wegen, niet meer de waarheid maar de wil van het regime dienden, en juist in dat besef ligt de waardigheid van zijn zwijgen, want hij weigerde de schijn op te houden dat een eerlijke verdediging nog iets zou kunnen uitrichten waar de uitkomst reeds buiten de zaal was beslist. De man die zijn hele leven aan de overtuiging had vastgehouden dat de waarheid haar eigen kracht bezit, stuitte in de zaal van het Ankaraanse tribunaal op de grens van die overtuiging, op het punt waar de waarheid machteloos staat tegenover een macht die haar niet wil erkennen, en zijn antwoord op die grens was niet de wanhoop maar de standvastige weigering om aan de leugen mee te werken.
Wat het tribunaal zou uitspreken
Wanneer men de gang van zaken overziet die İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ van de havenstad aan de Zwarte Zee naar de zaal van het tribunaal in de hoofdstad voerde, treft in de eerste plaats de wrange omkering waarin zijn lot zich voltrok, want de man die in Giresun was vrijgesproken omdat de feiten geen ander oordeel toelieten, werd niet in vrijheid gesteld maar in de boeien naar Ankara gezonden om opnieuw te worden berecht, en het tribunaal dat hem daar wachtte, was niet een rechtbank die de bewijzen zou wegen maar een werktuig van het regime waarvan de uitkomst reeds vaststond voordat de eerste zitting was geopend. De zitting van zesentwintig januari 1926, met de eis van drie jaar van de aanklager en de waardige weigering van de geleerde om nog enig verder verweer te voeren, was niet het einde van zijn beproeving maar de voorlaatste stap op de weg die hem naar de galg zou voeren, en zij liet aan ieder die de aard van het tribunaal had doorzien, weinig twijfel over de uitkomst die hem te wachten stond.
Want het tribunaal van Ankara zou zich niet tevredenstellen met de drie jaren die zijn eigen aanklager had geëist, maar zou binnen enkele dagen de zwaarste straf uitspreken die het recht kende, en het zou daarbij de aanklacht losmaken van de hoed waarom het boek geschreven was en haar gronden op het algemene verwijt dat de geleerde tegen de orde van de Republiek zou hebben gehandeld, een verwijt dat ruim genoeg was om elk juridisch tegenwerpsel te overstemmen en dat de schijn moest wekken dat het niet de hoed maar de staatsveiligheid was die op het spel stond. In de eerste dagen van februari 1926 zou het tribunaal het doodvonnis uitspreken, en wat in de zaal van zesentwintig januari als een vooraf beslist lot in de lucht had gehangen, zou daarmee tot de wrede werkelijkheid worden die de geleerde reeds in zijn zwijgen had voorzien. Hoe dat vonnis viel, en hoe İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ in het hart van de hoofdstad de strop tegemoet trad met de standvastigheid die heel zijn leven had gekenmerkt, is het onderwerp van het volgende en laatste artikel, waarin wij de geleerde zullen volgen van de zaal van het tribunaal naar het plein waar zijn leven zou eindigen en waar zijn nagedachtenis zou beginnen.
Bronnen
- TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi”, Türkiye Diyanet Vakfı (İstanbul, 2000), pp. 132–135 [de gezaghebbendste academische levensbeschrijving; voor de overbrenging naar Ankara, de zitting van het tribunaal en de samenstelling van de rechtbank].
- Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca, Çorum Belediyesi (Çorum, 2016) [monografie met de biografische gegevens van zijn laatste maanden, de reis naar Ankara en het verloop van het proces].
- Ergün Aybars, İstiklâl Mahkemeleri, Bilgi Yayınevi (Ankara, 1975) [het standaardwerk over de Onafhankelijkheidstribunalen, hun buitengewone bevoegdheid, de afwezigheid van hoger beroep en de samenstelling van het tribunaal van Ankara onder Ali Çetinkaya].
- Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History, I.B. Tauris (4e druk, 2017), pp. 166–205 [voor de Hoedenwet, de hoedenprotesten en de politieke aard van de vervolging in de jonge Republiek].
- Andrew Mango, Atatürk: The Biography of the Founder of Modern Turkey, John Murray (1999), pp. 416–447 [voor de rol van de Onafhankelijkheidstribunalen in het optreden van het regime tegen de tegenstand rond de Hoedenwet].
- Hakkı Uyar, “Tek Parti Dönemi ve İstiklâl Mahkemeleri”, in de tijdschriftliteratuur over de vroege Turkse Republiek [voor de juridische grondslag van de tribunalen en hun functie als politiek werktuig].
