Vrijspraak in Giresun
In het voorgaande artikel zagen wij hoe İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ op zeven december 1925 in de greep van de buitengewone rechtsmacht werd gebracht die het regime tegen de tegenstand tegen de Hoedenwet had ontketend, en hoe hij, een geleerde die zijn hele leven binnen de wet en in het gezelschap van zijn boeken had doorgebracht, werd bestemd om zich te verantwoorden voor een van de Onafhankelijkheidstribunalen, en wel voor dat van Giresun, de oude havenstad aan de Zwarte Zee onder wier jurisdictie de protesten van de omliggende streken waren gebracht. Wij zagen toen ook waarop de aanklacht berustte, namelijk op een boek dat hij in 1924, ruim anderhalf jaar voordat de Hoedenwet bestond, op wettige wijze en met de vergunning van het Ministerie van Onderwijs had laten verschijnen, en wij stelden vast dat in die volgorde der tijden de hele onhoudbaarheid van de aantijging besloten lag, want men kan een mens onmogelijk beschuldigen van het aanzetten tot verzet tegen een voorschrift dat ten tijde van zijn schrijven nog niet was uitgevaardigd. Het artikel sloot met de aankondiging dat de eerste rechtbank die over zijn lot zou oordelen, het tribunaal van Giresun, tot een uitspraak zou komen die op het ene punt waarop het recht de aanklacht onmogelijk kon dragen, de onhoudbaarheid ervan zou erkennen, en die daarmee, voor een kort en bedrieglijk ogenblik, de hoop zou wekken dat de gerechtigheid alsnog haar loop zou krijgen. Het is bij die uitspraak, en bij de wrange wijze waarop zij hem werd toegekend en hem in hetzelfde ogenblik weer werd ontnomen, dat dit artikel zijn aanvang neemt.
De rechtszaal aan de Zwarte Zee
In de loop van december 1925 werd İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ voorgeleid voor het tribunaal dat zijn zittingen in Giresun hield, en het is van belang dat men zich de aard van de rechtbank waarvoor hij verscheen scherp voor ogen stelt, want het ging niet om een gewone strafrechter die het bewijs weegt en de verdediging hoort binnen de waarborgen van een geordend procesrecht, maar om een Onafhankelijkheidstribunaal dat in de woelige jaren van de nationale strijd was ingesteld om verraad en desertie met de hardste hand te bestraffen, en dat nu, lang nadat de oorlog gestreden was, opnieuw uit de kast was gehaald om de tegenstand tegen de hoed te breken. Zulk een rechtbank verenigde in zich de bevoegdheden die het gewone recht zorgvuldig over verschillende instanties verdeelt, want zij was tegelijk aanklager, rechter en uitvoerder, en haar vonnissen konden, zonder dat van enige hogere instantie nog een herziening kon worden gevraagd, terstond worden voltrokken, zodat een mens die voor haar werd gebracht zich in de handen wist van een macht die over zijn vrijheid en zijn leven kon beschikken zonder dat hij zich op enige beschutting van de wet kon beroepen.
De stad waarin deze rechtbank haar zittingen hield, lag ver van de hoofdstad waar de naam van İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ in de jaren van zijn İstanbulse geleerdheid was gemaakt, en zij lag eveneens ver van het Anatolische binnenland waar hij was geboren en gevormd, zodat hij zich voor zijn rechters bevond in een streek die hem vreemd was en die in deze maanden zelf door de hoedenprotesten was beroerd. De rechters die hem aanhoorden zagen niet de geleerde van aanzien voor zich die onder het oude rijk tot inspecteur van de medreses was benoemd en wiens oordeel in de hoogste kringen van de religieuze wetenschap had gewogen, maar een verdachte die hun was voorgeleid in het kader van een afrekening die het regime over heel Anatolië had uitgespreid, en het is tegen die achtergrond, in een rechtszaal die meer op een instrument van bestuur dan op een zetel van gerechtigheid geleek, dat de geleerde zich verdedigde tegen een aanklacht waarvan hij de kern reeds bij zijn arrestatie had doorzien.
De mannen die over hem oordeelden
Over de samenstelling van het tribunaal dat İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ in Giresun aanhoorde, past de geschiedschrijver een grote behoedzaamheid, want de overlevering die rond zijn laatste maanden is gegroeid, heeft zich niet altijd aan de eisen van de betrouwbaarheid gehouden, en zij heeft aan de gebeurtenissen in Giresun bijzonderheden toegevoegd, over de naam van de voorzittende rechter en over een persoonlijke wrok die zijn oordeel zou hebben bepaald, die zich bij nadere toetsing niet met zekerheid laten staven en die wij daarom niet als vaststaand feit zullen presenteren. Wat de geschiedschrijver met meer recht kan zeggen, is dat de rechtbank werd bemand door mannen die het regime met de berechting van de hoedenprotesten had belast en die hun gezag ontleenden aan de buitengewone bevoegdheid van de Onafhankelijkheidstribunalen, en het zou een vorm van geschiedvervalsing zijn de leemten in onze kennis op te vullen met de stellige aanwijzing van een enkele rechter wiens persoonlijke beweegredenen de uitkomst zouden hebben bepaald.
Het is veeleer in de werking van de rechtbank als zodanig, en niet in de inborst van een enkele rechter, dat men de krachten moet zoeken die het lot van İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ bepaalden, want de tribunalen waren niet de onafhankelijke organen die hun naam suggereerde, maar instrumenten van een regime dat zijn koers met geen tegenspraak wilde verdragen, en het is in de spanning tussen wat de rechters volgens het recht moesten erkennen en wat het regime van hen verlangde, dat zich de eigenaardige uitkomst van de zaak in Giresun laat verklaren. De rechters stonden voor een aanklacht waarvan de innerlijke tegenstrijdigheid zo openlijk aan de dag trad dat zelfs een buitengewone rechtbank haar op het beslissende punt niet kon dragen, en zij moesten kiezen tussen de eis van het recht, dat hun de erkenning van de onhoudbaarheid van de aantijging oplegde, en de wil van het regime, dat de veroordeling van de geleerde verlangde, en in die keuze, zo zal blijken, namen zij een opmerkelijke en voor het regime onwelgevallige beslissing.
De verdediging van de geleerde
Wanneer İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ zich voor zijn rechters verantwoordde, beschikte hij over een verdediging waarvan de kracht niet in de welsprekendheid of in de behendigheid van de pleiter lag, maar in de eenvoudige en onweerlegbare waarheid van de feiten, en hij behoefde aan die feiten niets toe te voegen dan de heldere ordening die hun innerlijke logica vanzelf aan het licht bracht. Zijn boek, Frenk Mukallidliği ve Şapka, de navolging van de Europeanen en de hoed, was in 1924 verschenen, in de jaren waarin de Republiek pas was uitgeroepen en het kalifaat zojuist was afgeschaft, en het was gedrukt met de vergunning van het Ministerie van Onderwijs, hetgeen wil zeggen dat de bevoegde overheid van diezelfde staat die hem nu vervolgde, het werk vóór de verschijning had ingezien en had goedgekeurd, zodat hij niet enkel binnen de wet had gehandeld maar zelfs met de uitdrukkelijke zegen van het gezag dat hem thans als een opruier voor het gerecht had gebracht.
De kern van zijn verweer kwam neer op een onontkoombare tijdrekening die geen rechter, hoezeer ook aan de wil van het regime onderworpen, kon ontkennen zonder de rede zelf geweld aan te doen, want de Hoedenwet was op vijfentwintig november 1925 in het parlement bekrachtigd, en de protesten die het regime aan zijn boek toeschreef hadden zich in de late herfst van datzelfde jaar voltrokken, terwijl zijn boek meer dan een jaar tevoren was gedrukt, in een tijd waarin van een wet op de hoed nog geen sprake was en waarin niemand het bestaan ervan kon voorzien. Hoe kon, zo luidde de vraag waarop de aanklacht geen antwoord had, een geschrift hebben aangezet tot het verzet tegen een wet die op het ogenblik van zijn verschijnen nog niet bestond, en hoe kon een schrijver verantwoordelijk worden gehouden voor protesten die meer dan een jaar na de publicatie van zijn werk uitbraken, tegen een maatregel waarvan hij ten tijde van het schrijven onmogelijk had kunnen weten dat zij ooit zou worden uitgevaardigd.
Een verhandeling, geen oproep
Naast deze onweerlegbare tijdrekening voerde İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ een tweede pijler aan, die de aard van zijn boek zelf betrof en die niet minder zwaar woog dan de eerste, want de aanklacht steunde niet enkel op een onmogelijke chronologie maar ook op een verkeerde voorstelling van wat hij eigenlijk had geschreven. Zijn werk was geen pamflet dat de bevolking tot ongehoorzaamheid aan de staat opriep, en het bevatte geen aansporing tot verzet, geen leus die de menigten op de pleinen had kunnen aanvuren, geen woord dat de lezer tot een daad van opstand aanzette, maar het was een geleerde verhandeling over een beginsel van de islamitische jurisprudentie, opgesteld in de taal van een geleerde die zich tot zijn geloofsgenoten richt en niet tot een oproerige schare, en het behandelde de vraag of de moslim die de uiterlijke gebruiken van de niet-moslim overneemt, daarmee zondigt tegen het beginsel van het teşebbüh, de gelijkvormigheid aan hen die buiten het geloof staan.
Het ging in dat boek, met andere woorden, om een redenering binnen de overgeleverde rechtsgeleerdheid van de hanafitische school, om de afweging van een religieus en cultureel beginsel dat de moslimgeleerden sinds eeuwen hadden behandeld, en niet om een politieke daad die tegen de staat was gericht, en juist dat onderscheid, tussen het uiteenzetten van een leer en het aanzetten tot een daad, was wat de aanklacht moest verdoezelen om zich staande te kunnen houden. İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ had de moed noch de neiging om voor zijn rechters te verloochenen wat hij in zijn boek had betoogd, want hij stond achter elk woord dat hij had geschreven en hij zag in zijn geschrift geen misdaad maar de vervulling van de plicht van de geleerde om zijn geloofsgenoten over de eisen van hun godsdienst voor te lichten, doch hij wees er met klem op dat het uiteenzetten van een leerstellig beginsel iets geheel anders was dan het opruien van een menigte, en dat de wet die hij heette te hebben ondermijnd, op het ogenblik waarop hij schreef, niet bestond.
De vereniging uit de vervlogen jaren
Naast het boek had het regime aan de aanklacht een tweede element toegevoegd, dat het uit een verder verleden putte, namelijk de herinnering aan zijn leiderschap van de Teâlî-i İslâm Cemiyeti, de vereniging tot verheffing van de islam die in de jaren van de bezetting in İstanbul was ontstaan en waarvan İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ in een latere fase, nadat Mustafa Sabri Efendi ﵀ tot Şeyhülislâm was verheven, het voorzitterschap had bekleed. Die vereniging behoorde tot een tijdperk dat in alle opzichten van het heden verschilde, het tijdperk van het bezette en in doodsnood verkerende rijk na de wapenstilstand van Mudros, toen de geallieerde mogendheden in İstanbul de lakens uitdeelden en de toekomst van de moslims van Anatolië in het ongewisse hing, en de omstandigheden waaronder zij had bestaan, leken in niets meer op die van de gevestigde Republiek van 1925.
Voor zijn rechters kon İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ erop wijzen dat de vereniging reeds lang was opgeheven, dat haar bestaan tot een vervlogen episode behoorde, en dat het onbillijk was een man op grond van een functie die hij jaren tevoren in een geheel andere wereld had bekleed te verbinden met protesten die zich in december 1925 in een andere streek en om een andere aanleiding hadden voltrokken. Dat zijn rol in die vereniging bovendien door de bronnen verschillend wordt beoordeeld, en dat de daden die het regime aan haar toeschreef niet zonder meer aan zijn persoon konden worden aangerekend, maakte de tweede pijler van de aanklacht niet minder wankel dan de eerste, en de rechters die de zaak eerlijk wilden wegen, stonden voor een aantijging die uit twee delen bestond, waarvan het ene een boek betrof dat geen wet had overtreden omdat de wet nog niet bestond, en het andere een vereniging die reeds tot het verleden behoorde en wier omstandigheden niets met de hoedenprotesten te maken hadden.
De last van de tijdrekening
Het is van belang in te zien dat de verdediging van İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ niet berustte op een ontkenning van wat hij had gedaan, en evenmin op het smeken om genade of op het afzweren van zijn overtuiging, maar op de eenvoudige eis dat de rechtbank de feiten zou nemen zoals zij waren en niet zoals het regime ze wenste te zien. Hij vroeg niet om vergeving, want hij had niets misdaan dat vergeving behoefde; hij wees enkel op de onmogelijkheid dat een boek uit 1924 een opstand zou hebben aangestookt tegen een wet uit het einde van 1925, en op het verschil tussen een geleerde verhandeling en een oproep tot verzet, en hij stelde de rechters daarmee voor de keuze tussen de erkenning van die waarheid en de bewuste verkrachting ervan in dienst van een vooraf bepaalde uitkomst.
In de rechtszaal van Giresun trad zo de eigenaardige gestrengheid van de feiten zelf naar voren, want hoe ook de rechters tegenover de geleerde gestemd mochten zijn, zij konden de tijdrekening niet ongedaan maken, en zij konden uit het bewijs niet lezen wat het bewijs niet inhield, namelijk dat de man die voor hen stond tot de protesten van december zou hebben aangezet. De aanklacht had, om met enige schijn van geldigheid staande te kunnen blijven, een verband nodig tussen het boek en de protesten dat de feiten niet konden leveren, en op het beslissende punt, waar het recht een bewezen daad verlangt en geen vermoeden over een verre invloed kan dulden, viel de aantijging uiteen onder haar eigen gewicht, en de rechters van Giresun, hoe buitengewoon hun bevoegdheid ook was, zagen zich genoodzaakt daaruit de gevolgtrekking te maken die het recht hun oplegde.
De vrijspraak die niets veranderde
En zo geschiedde het, in december 1925, dat het tribunaal van Giresun een uitspraak deed die voor een ogenblik de loop van het recht scheen te bevestigen en de hoop wekte dat de gerechtigheid haar werk zou doen, want de rechtbank sprak İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ vrij, en zij verklaarde hem door haar vonnis van beraat onschuldig aan de beschuldiging die met betrekking tot de hoedenprotesten tegen hem was ingebracht. Het was een uitspraak die de onhoudbaarheid van de aanklacht erkende op het punt waarop het recht haar onmogelijk kon dragen, en die, hoe men de beweegredenen van de rechters ook beoordeelt, in haar uitkomst aan de feiten recht deed en bevestigde wat de geleerde van het eerste ogenblik af had volgehouden, namelijk dat een boek uit 1924 onmogelijk verantwoordelijk kon worden gesteld voor de gebeurtenissen van december 1925. Voor de duur van een ademtocht stond de man die in de greep van de buitengewone rechtsmacht was gebracht, voor het recht als een vrij en onschuldig mens.
Doch de hoop die in dat vonnis besloten lag, was van een wrede kortstondigheid, want de vrijspraak bracht hem niet de vrijheid die zij naar de letter van het recht had behoren te brengen, en hij werd na de uitspraak niet uit zijn gevangenschap ontslagen maar in hechtenis gehouden, zodat hij de eigenaardige en bittere ondervinding deelde van een mens die door een rechtbank onschuldig wordt verklaard en niettemin geketend blijft. Het regime liet de vrijspraak niet staan, en het was niet bereid de gevolgtrekking ervan, de invrijheidstelling van de geleerde, te dulden, want de beslissing die het in deze zaak had genomen was niet in de rechtszaal van Giresun gevallen maar reeds tevoren in de raadkamers van de macht, en de uitspraak van een tribunaal, hoe rechtmatig ook, kon die beslissing niet ongedaan maken. Wat het recht had toegekend, werd door de wil van het regime in hetzelfde ogenblik weer ontnomen, en de geleerde die zojuist onschuldig was verklaard, bevond zich na zijn vrijspraak in een gevangenschap die niet minder hecht was dan daarvoor.
Een vonnis dat door de wil werd overstemd
In deze gang van zaken, waarin een vrijspraak zonder gevolg bleef en een vonnis door de politieke wil werd overstemd, treedt de eigenlijke aard van de macht waaronder İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ in deze maanden verkeerde scherper aan het licht dan in welke veroordeling ook, want een veroordeling kan men, hoe onrechtvaardig ook, nog uitleggen als een dwaling van de rechters of als een verkeerde weging van het bewijs, maar een vrijspraak die wordt genegeerd, ontmaskert de macht die haar negeert als een macht die zich aan het recht in het geheel niet gebonden acht. Het regime had de vorm van een rechtszaak in stand gehouden, het had de geleerde voor een tribunaal gebracht en hem zich laten verdedigen, maar toen die rechtszaak een uitkomst opleverde die het niet beviel, liet het de uitkomst eenvoudig terzijde en hield het de man vast die zijn eigen rechtbank zojuist had vrijgesproken.
Het is in deze wrange tegenstrijdigheid dat zich het diepste onrecht van de hele zaak openbaart, want zij toont dat het lot van İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ niet door het recht maar door de berekening werd bepaald, en dat de gerechtigheid voor het regime niet het doel maar hoogstens een hindernis was, een vorm die men in acht nam zolang zij van pas kwam en die men terzijde schoof zodra zij de uitkomst bedreigde die men vooraf had vastgesteld. Een rechtsstaat onderscheidt zich van een willekeurige macht juist hierin, dat hij ook de uitspraak die hem onwelgevallig is eerbiedigt, en dat de vrijspraak van een verdachte voor hem een onomkeerbaar feit is dat de macht aan handen en voeten bindt, maar het regime van de Onafhankelijkheidstribunalen kende die binding niet, en de vrijspraak van Giresun, die in een rechtsstaat de geleerde de poort van zijn gevangenis had moeten openen, betekende voor hem niets meer dan een uitstel van de afrekening die elders reeds was beraamd.
De houding van de geleerde tegenover een vrijheid die hem werd ontzegd
Hoe İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ de wrede tegenstrijdigheid van zijn toestand inwendig heeft verwerkt, behoort tot de verborgen zaken die de geschiedschrijver slechts met grote behoedzaamheid mag benaderen, en het zou een vorm van geschiedvervalsing zijn de stille uren waarin hij vernam dat zijn vrijspraak hem de vrijheid niet bracht, op te vullen met verzonnen taferelen of met woorden die de bronnen ons niet hebben nagelaten. Wat de overlevering met enige eenstemmigheid vasthoudt, is dat hij de bittere wending van zijn lot droeg met dezelfde bezadigde standvastigheid die heel zijn leven had gekenmerkt, en dat hij zich noch door de vrijspraak tot een voorbarige hoop liet verleiden, noch door het uitblijven van zijn invrijheidstelling tot wanhoop liet drijven, want hij had reeds in zijn jongere jaren, toen hem in 1913 de onrechtvaardige verbanning was overkomen, geleerd hoezeer een staat die de macht boven het recht stelt, met het lot van een onschuldig mens kan spelen.
De gelijkmoedigheid waarmee hij een vrijheid ontving die hem terstond weer werd ontzegd, was niet de onverschilligheid van een mens die het leven gering acht, maar de gerichtheid van een geleerde die zijn houvast niet in de toevallige beschutting van zijn omstandigheden zocht maar in datgene wat geen macht hem ontnemen kon, en die de beschikking over zijn lot in de handen van zijn Heer ﷻ had gelegd. Hij wist dat de vrijspraak van een aards tribunaal, hoe rechtmatig ook, niet de laatste instantie was waarvoor de mens zich te verantwoorden heeft, en dat de gerechtigheid waarop hij vertrouwde niet die van de rechtbanken van Ankara of van Giresun was, maar die van de Rechter ﷻ voor wie eens alle macht der mensen rekenschap zou afleggen, en het was uit dat vertrouwen dat hij de kracht putte om noch in de vrijspraak te juichen, noch in haar miskenning te vertwijfelen, maar beide met dezelfde rust te aanvaarden als beschikkingen die hem van een hogere hand toekwamen.
Het verschil tussen vrijheid en rechtvaardiging
Wie het lot van İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ in deze dagen overweegt, stuit op een onderscheid dat de geschiedenis zelden zo zuiver aan het licht brengt, namelijk het verschil tussen de vrijheid die een mens van zijn medemensen ontvangt en de rechtvaardiging die hem in waarheid toekomt, want de vrijheid werd hem in Giresun toegekend en in hetzelfde ogenblik weer ontnomen, maar de rechtvaardiging, het feit dat een rechtbank, hoe buitengewoon ook, niet anders had gekund dan zijn onschuld erkennen, bleef hem en behoort hem tot op de dag van vandaag. Het regime kon hem de poort van zijn gevangenis gesloten houden, en het zou hem weldra naar een ander tribunaal voeren dat zich aan de vrijspraak van Giresun in het geheel niets gelegen liet liggen, maar het kon het feit niet ongedaan maken dat de eerste rechtbank die over hem oordeelde, hem op de beschuldiging waarvoor hij was voorgeleid onschuldig had bevonden.
Daarin ligt, achteraf bezien, een betekenis die het ogenblik zelf nog niet kon openbaren, want de vrijspraak van Giresun staat in de geschiedenis als een getuigenis dat zelfs onder de zwaarste druk van het regime de feiten zich niet geheel lieten plooien, en dat er een rechtbank was, ingesteld door dat regime en bemand door zijn eigen mannen, die de onhoudbaarheid van de aanklacht niet kon verbergen en die de geleerde het recht deed dat de macht hem weigerde. Dat zijn vrijspraak hem niet baatte en dat hij niettemin de weg naar de galg zou afleggen, ontneemt aan dat vonnis niets van zijn betekenis, want het bewijst dat zijn veroordeling, toen zij ten slotte kwam, niet uit het recht voortvloeide maar uit de wil, en het stelt buiten twijfel dat de man die later in Ankara ter dood zou worden gebracht, door de eerste rechters die hem hoorden voor onschuldig was gehouden.
Wat de weg naar Ankara aankondigde
Wanneer men de gebeurtenissen van december 1925 in Giresun overziet, treft in de eerste plaats de bittere ironie dat het recht in deze zaak wel sprak maar niet werd gehoord, en dat de vrijspraak die İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ werd toegekend geen poort opende maar een nieuwe deur achter hem dichtsloeg, want het regime, dat de uitspraak van zijn eigen tribunaal niet wilde dulden, had reeds besloten de geleerde niet vrij te laten maar hem voor een andere rechtbank te brengen, waar de uitkomst minder aan de toevalligheid van het recht zou worden overgelaten. De vrijspraak had het regime niet ontwapend maar geprikkeld, want zij had aangetoond dat een rechtbank die de feiten eerlijk woog tot geen veroordeling kon komen, en juist daarom moest de zaak worden weggenomen bij de rechters die haar naar het recht hadden beoordeeld, en worden overgebracht naar een tribunaal dat zich vaster in de hand van de regering bevond.
Zo werd İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ op zesentwintig december 1925, enkele weken na zijn aanhouding en kort na de vrijspraak die hem zijn vrijheid had moeten teruggeven, onder bewaking uit Giresun weggevoerd en op weg gezet naar de hoofdstad, naar Ankara, waar het tribunaal zetelde dat in de jaren van de jonge Republiek de duchtigste van alle Onafhankelijkheidstribunalen was geworden en welks mannen reeds in talloze zaken hadden getoond dat van hen geen vrijspraak te verwachten viel voor wie het regime tot zijn tegenstander had bestempeld. Hij verliet de Zwarte-Zeestreek als een man die door het recht was vrijgesproken en door de macht gevangen werd gehouden, en hij reisde, geketend en onder bewaking, naar een rechtbank waar het vonnis dat hem wachtte niet meer uit de weging van het bewijs maar uit de wil van het regime zou voortvloeien.
Wat hem in Ankara wachtte, het tribunaal onder de mannen die de naam van de Republiek met de hardste hand handhaafden, de hernieuwde aanklacht waaraan geen vrijspraak meer was gehecht, en het vonnis dat ten slotte over zijn leven zou beslissen, is het onderwerp van het volgende artikel. Daar zullen wij de geleerde volgen van de havenstad aan de Zwarte Zee, waar het recht hem nog had vrijgesproken, naar de hoofdstad waar de macht hem zou veroordelen, en wij zullen zien hoe een man die door zijn eerste rechters voor onschuldig was gehouden, voor zijn tweede rechters de waardigheid bewaarde van hem die weet dat de uitkomst reeds vaststaat en die daarom niet meer voor zijn leven pleit maar zijn lot aan de beschikking van zijn Heer ﷻ overlaat.
Bronnen
- TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi”, Türkiye Diyanet Vakfı (İstanbul, 2000), pp. 132–135 [de gezaghebbendste academische levensbeschrijving; voor het proces te Giresun, de vrijspraak van december 1925 en de overbrenging naar Ankara op 26 december 1925].
- Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca, Çorum Belediyesi (Çorum, 2016) [monografie met de gegevens over zijn laatste maanden, het verloop van het proces en zijn houding tijdens de gevangenschap].
- Mustafa Armağan, İskilipli Atıf Hoca en aanverwante opstellen over de Şapka-zaak, Timaş Yayınları (İstanbul, 2008) [voor de vrijspraak te Giresun en de daaropvolgende overbrenging naar Ankara als kenmerkend voorbeeld van een door de politieke wil overstemde gerechtelijke uitspraak].
- Ergün Aybars, İstiklâl Mahkemeleri, Bilgi Yayınevi (Ankara, 1975) [het standaardwerk over de Onafhankelijkheidstribunalen, hun buitengewone bevoegdheden en hun optreden tegen de hoedenprotesten].
- Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History, I.B. Tauris (4e druk, 2017), pp. 166–205 [voor de Hoedenwet van 1925, de hoedenprotesten en de politieke context van de jonge Republiek].
