InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Arrestatie Atıf Hoca
De Helden van Islamİskilipli Mehmed Atıf Hoca

Arrestatie Atıf Hoca

Arrestatie Atıf Hoca

In het voorgaande artikel volgden wij İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ in de weken na de aanneming van de Hoedenwet, de Şapka Kanunu, die op 25 november 1925 in het parlement te Ankara werd bekrachtigd en die het dragen van de Europese hoed niet langer aanbeval maar voorschreef, zodat wat tot dan toe een aangemoedigde mode was geweest van de ene dag op de andere de kracht van een dwingend voorschrift kreeg en de weigering ervan een overtreding van de staatswil werd. Wij zagen hoe die wet, die als een eenvoudige bepaling over hoofddeksels werd voorgesteld, in werkelijkheid een toetssteen was waaraan het regime de gehoorzaamheid van de bevolking aan zijn verwesterende koers wilde afmeten, en hoe in de dagen die op de bekrachtiging volgden in een reeks Anatolische steden, van Sivas en Kayseri tot Erzurum, Rize en Maraş, het ongenoegen tot openlijke protesten aanzwol, waarbij menigten zich op de pleinen verzamelden om hun afschuw te laten blijken van een maatregel die zij als een belediging van hun geloof en van de gebruiken van hun voorouders ervoeren. En wij zagen, ten slotte, hoe het regime op die onrust antwoordde met de İstiklâl Mahkemeleri, de Onafhankelijkheidstribunalen, buitengewone rechtbanken die in de jaren van de nationale strijd waren ingesteld om verraad en desertie te bestraffen en die nu, lang nadat de oorlog gestreden was, opnieuw uit de kast werden gehaald om de tegenstand tegen de hoed met de hardste hand te breken. Het is op het punt waar die tribunalen hun blik van de protesterende menigten in de provincie naar de geleerde in de hoofdstad verlegden, dat dit artikel zijn aanvang neemt, want het regime had besloten dat het niet voldoende was de mannen op de pleinen te straffen, en dat het de bron van hun verzet bij de wortel wilde aanpakken.

Het klimaat van de tribunalen

Om te begrijpen onder welke omstandigheden İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ in de eerste dagen van december 1925 werd opgepakt, moet men zich allereerst rekenschap geven van de sfeer die in die weken over Anatolië hing, een sfeer die het midden hield tussen die van een staat van beleg en die van een afrekening, en waarin de gewone rechtsgang voor een groot deel van de bevolking had opgehouden te bestaan. De protesten tegen de Hoedenwet waren in verscheidene steden bijna gelijktijdig opgelaaid, en het regime, dat in dat patroon niet een spontane en verspreide gemoedsbeweging zag maar het bewijs van een georganiseerde samenzwering tegen de fundamenten van de jonge Republiek, reageerde met een snelheid en een meedogenloosheid die geen ruimte voor twijfel lieten over de ernst waarmee het de zaak opvatte. De Onafhankelijkheidstribunalen, die hun zittingen niet hielden volgens de waarborgen van het gewone strafrecht maar volgens een buitengewone bevoegdheid die hun toestond te veroordelen en de voltrekking van hun vonnissen te gelasten zonder dat van enige hogere instantie nog een herziening kon worden gevraagd, trokken door de getroffen streken als rechtbanken die tegelijk aanklager, rechter en uitvoerder waren, en de mannen die op de pleinen van Rize, van Erzurum, van Sivas en van Maraş hun verzet hadden laten blijken, werden bij tientallen voor hen gebracht.

Wat deze tribunalen onderscheidde van een gewone rechtbank, en wat hen voor de bevolking van Anatolië in deze maanden tot een schrikbeeld maakte, was de korte spanne tijds die bij hen verliep tussen de beschuldiging en de straf, want waar het gewone recht het bewijs weegt, de verdediging hoort en de mogelijkheid van beroep openhoudt, gingen de tribunalen voort met een voortvarendheid die het onderscheid tussen een proces en een vergelding nagenoeg uitwiste. In een reeks steden werden mannen die niet meer hadden gedaan dan deelnemen aan een betoging of een woord van afkeuring uiten, ter dood veroordeeld en opgehangen, dikwijls op de pleinen van hun eigen stad en voor de ogen van hun stadgenoten, opdat de strop niet enkel de veroordeelde zou treffen maar de hele gemeenschap een les zou inprenten over de prijs van ongehoorzaamheid. Het is in dit klimaat, waarin de galg een bestuursinstrument was geworden en de vrees zich als een schaduw over de provincie had gelegd, dat het regime zijn aandacht van de menigten naar de geleerden verlegde, want het zocht achter de spontane opwellingen van het volk een aanstoker, een geestelijke vader van het verzet, en zijn keuze viel, om redenen die wij hieronder zullen ontvouwen, op de man die in de moslimpers van İstanbul jarenlang een gezaghebbende stem had laten horen.

De jacht op de aanstokers

Het is een vast kenmerk van regimes die de tegenstand met geweld willen breken, dat zij niet kunnen of willen geloven in de oprechtheid van een verzet dat uit de bevolking zelf opwelt, en dat zij achter elke openlijke onvrede de hand van een verborgen organisator vermoeden, want het denkbeeld dat een gewone moslimbevolking uit eigen overtuiging en zonder aansporing van buitenaf tegen de Hoedenwet in opstand zou komen, was voor de mannen van het regime moeilijker te aanvaarden dan de voorstelling van een uitgekiend complot dat door geleerden en geestelijken werd aangestuurd. Het zoeken naar zulk een aanstoker was voor het regime niet enkel een kwestie van overtuiging maar ook van berekening, want het kon de talloze betogers van de provincie wel straffen, maar zolang het de geestelijke bron van hun verzet niet had drooggelegd, zou het de overtuiging die hen had bewogen niet kunnen uitroeien, en juist die overtuiging, gevormd door de leer van de geleerden en gevoed door hun geschriften, was wat het regime in de grond van de zaak vreesde.

In die zoektocht naar een geestelijke aanstoker richtte het oog van het regime zich op de ulama die zich in de voorgaande jaren openlijk tegen de verwestering hadden uitgesproken, en onder hen sprong İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ in het oog, niet omdat hij aan enige betoging had deelgenomen of een menigte had toegesproken, want daarvan was geen sprake, maar omdat hij in 1924, ruim een jaar voordat de Hoedenwet werd aangenomen, een boek had gepubliceerd waarin hij de navolging van de Europese kleding, en in het bijzonder van de hoed, als een vorm van teşebbüh had bestempeld, als een gelijkvormig worden aan de niet-moslims dat onder de schijn van een onschuldige modeverandering een diepere geestelijke vervreemding binnensmokkelde. Dat dit boek met de vereiste vergunning van het Ministerie van Onderwijs en geheel binnen de grenzen van de toen geldende wet was verschenen, en dat het een geleerde verhandeling was en geen oproep tot opstand, deed in de redenering van het regime weinig ter zake, want het had de aanstoker gevonden die het zocht, en het zou de feiten naar die vondst plooien in plaats van zijn oordeel naar de feiten te richten.

De terugblik naar het boek van 1924

Het hart van de beschuldiging die men tegen İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ opbouwde, lag niet in iets wat hij in de dagen van de hoedenprotesten had gedaan of gezegd, maar in een geschrift dat hij ruim anderhalf jaar voordat de Hoedenwet bestond op wettige wijze had laten verschijnen, en juist in die volgorde der tijden ligt de hele onhoudbaarheid van de aanklacht besloten, want men beschuldigde hem ervan een verzet te hebben aangestookt tegen een wet die ten tijde van zijn schrijven nog niet was uitgevaardigd en waarvan op het ogenblik van de publicatie van zijn boek niemand het bestaan kon voorzien. Het werk waarover het ging, Frenk Mukallidliği ve Şapka, de navolging van de Europeanen en de hoed, was in 1924 gedrukt in de jaren waarin de Republiek pas was uitgeroepen en het kalifaat zojuist was afgeschaft, en het betoogde, in de taal van een geleerde die zich tot zijn geloofsgenoten richt en niet tot een menigte op een plein, dat de moslim die de uiterlijke gebruiken van de niet-moslim overneemt daarmee een weg inslaat die niet bij de kleding ophoudt maar uiteindelijk de ziel zelf raakt. Het was een verhandeling over een religieus en cultureel beginsel, geschreven en uitgegeven in volle openbaarheid en met de zegen van de bevoegde overheid, en zij had op het ogenblik van haar verschijnen geen wet overtreden, om de eenvoudige reden dat de wet die zij heette te ondermijnen toen nog niet geschreven was.

Het regime echter wendde de tijdsorde, die het had moeten ontwapenen, juist tot zijn voordeel aan, want het redeneerde dat een boek dat de hoed reeds in 1924 had veroordeeld, in de geesten van de bevolking de weerstand had voorbereid die in 1925 tot openlijk verzet zou losbarsten, en dat de schrijver van dat boek derhalve de verre maar werkelijke oorzaak van de protesten was, ook al had hij geen enkele betoging bijgewoond en geen enkel woord tot de betogers gericht. In die redenering werd een geleerde verhandeling met terugwerkende kracht herdoopt tot een opruiend pamflet, en werd een man die binnen de wet had gehandeld aangeklaagd omdat zijn gedachten, eenmaal in de wereld gezet, hun eigen weg waren gegaan en in de harten van anderen een echo hadden gevonden. Het is van het grootste belang dit punt scherp voor ogen te houden, want het onderscheidt de aanklacht tegen İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ van een gewone strafvervolging en plaatst haar in het rijk van de politieke afrekening: men kan een mens vervolgen voor wat hij heeft gedaan, maar het verwijt dat zijn eerder en wettig geschreven woorden later in de monden van anderen tot verzet zouden hebben geleid, is geen aanklacht in de zin van het recht maar een vonnis over zijn invloed.

De onmogelijkheid van de aantijging

Wie de aanklacht ontdoet van de dreigende vormen waarin het regime haar kleedde en haar naar haar logische kern terugbrengt, stuit op een tegenstrijdigheid die zij niet kon verbergen en die voor ieder die de tijdrekening eerlijk wilde volgen, in het oog moest springen. De Hoedenwet dateerde van 25 november 1925; het boek van İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ was in 1924 verschenen, geruime tijd voordat die wet bestond. Een mens kan onmogelijk worden beschuldigd van het aanzetten tot verzet tegen een voorschrift dat ten tijde van zijn schrijven niet bestond, en het verwijt dat zijn boek de protesten van december 1925 had ontketend, vooronderstelt een vooruitziendheid en een opzet die de feiten in geen enkel opzicht ondersteunen, want geen schrijver kan in 1924 hebben opgeroepen tot verzet tegen een wet die pas een jaar later zou worden uitgevaardigd. Het regime, dat dit zeer wel inzag, omzeilde de tegenstrijdigheid door zijn beschuldiging te verschuiven van de daad naar de gezindheid, en door niet zozeer te beweren dat het boek tot de concrete protesten had aangezet, als wel dat het de geesten had voorbereid op de weerstand die zij later zouden bieden, een redenering die zo ruim was dat zij elke geleerde die ooit een woord van kritiek op de verwestering had geschreven, binnen haar bereik kon brengen.

Aan die eerste pijler van de aanklacht voegde het regime een tweede toe, die het uit een verder verleden putte, namelijk zijn leiderschap van de Teâlî-i İslâm Cemiyeti, de vereniging tot verheffing van de islam die in de jaren van de bezetting in İstanbul was ontstaan en waarvan İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ in een latere fase het voorzitterschap had bekleed. Die vereniging, die inmiddels was opgeheven en wier bestaan tot het tijdperk van de geallieerde bezetting en de nationale strijd behoorde, werd door het regime in herinnering geroepen als bewijs dat de geleerde reeds jaren tevoren aan het hoofd had gestaan van een organisatie die zich tegen de koers van Ankara had gekeerd, en zo werd een lang vervlogen episode uit de woelige jaren na Mudros opgegraven en samengevoegd met het boek van 1924 tot een aanklacht die de schijn van een doorlopend en welbewust verzet moest wekken. Dat de vereniging reeds tot het verleden behoorde, dat de omstandigheden waaronder zij had bestaan, die van een bezet rijk in doodsnood, in niets meer leken op die van de gevestigde Republiek van 1925, en dat zijn rol daarin door de bronnen verschillend wordt beoordeeld, telde voor het regime niet, dat in de samenvoeging van het oude voorzitterschap en het recente boek het beeld zocht van een onverbeterlijke tegenstander wiens verzet zich over de jaren had uitgestrekt.

De aanhouding van zeven december

In de eerste week van december 1925, terwijl de tribunalen in de provincie hun gang gingen en de berichten van terechtstellingen tot in de hoofdstad doordrongen, werd İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ op zeven december aangehouden, en daarmee werd de geleerde die zijn hele leven binnen de wet en in het gezelschap van zijn boeken had doorgebracht, in de greep van de buitengewone rechtsmacht gebracht die het regime tegen zijn tegenstanders had ontketend. Over de bijzonderheden van het ogenblik waarop hij in hechtenis werd genomen, hebben de bronnen ons weinig nagelaten dat zich met zekerheid laat vaststellen, en het zou de geschiedschrijver niet passen het tafereel op te sieren met verzonnen omstandigheden over de plaats of het uur waarop de mannen van het gezag aan zijn deur verschenen, want wat wij met zekerheid weten is de datum, de zevende december van het jaar 1925, en de betekenis van die datum, die het begin markeert van de laatste weken van zijn vrijheid en van de weg die hem uiteindelijk naar de galg zou voeren.

Het is van belang deze datum scherp te onderscheiden van een latere, die in een deel van de overlevering met haar wordt verward, want de aanhouding van zeven december 1925 is niet hetzelfde als de gebeurtenis die zich enkele weken later zou voltrekken, toen hij, na een eerste verschijning voor een tribunaal aan de Zwarte Zee, onder bewaking naar Ankara zou worden gezonden om voor het tribunaal van de hoofdstad terecht te staan. De zevende december is de dag van zijn arrestatie, het ogenblik waarop hij uit de vrijheid in de gevangenschap overging, en alles wat daarna komt, de verschijning voor het tribunaal, de overbrenging naar de hoofdstad en het uiteindelijke vonnis, behoort tot een opeenvolging van latere stappen die men niet met de dag van de aanhouding mag laten samenvallen. Wie de geschiedenis van zijn laatste maanden eerlijk wil navertellen, doet er goed aan deze stappen elk op hun eigen plaats te laten, en niet, gelijk in een deel van de overlevering is geschied, de dag van de arrestatie te verschuiven naar de latere dag waarop hij naar Ankara werd overgebracht, want het zijn twee onderscheiden ogenblikken in de aaneenschakeling die zijn ondergang vormde.

De waardigheid bij de aanhouding

Over de wijze waarop İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ zijn aanhouding heeft ondergaan, meldt de overlevering met enige eenstemmigheid dat hij haar droeg met de bezadigde standvastigheid die heel zijn leven had gekenmerkt, en dat hij zich niet liet verleiden tot het vertoon van angst of van verontwaardiging waartoe een minder gevormd mens zich in een dergelijk ogenblik zou hebben laten meeslepen. Het was niet de eerste maal dat de macht haar hand naar hem uitstak, want hij had reeds in 1913, in de jaren van het Comité, de onrechtvaardige verbanning ondergaan die hem zonder vorm van proces uit de hoofdstad had verwijderd en die hem, naar zijn eigen ervaring, had geleerd hoe weinig een onschuldig mens te verwachten heeft van een staat die de macht boven het recht stelt. Die vroegere beproeving had hem niet verbitterd maar gehard, en zij had in hem de innerlijke gerichtheid bevestigd die hij reeds van zijn İskilipse leerjaren af met zich had meegedragen, het besef dat de mens zijn houvast niet moet zoeken in de toevallige beschutting van zijn omstandigheden maar in datgene wat geen macht hem ontnemen kan, en het was uit die gerichtheid dat hij ook nu de kracht putte om de tweede en zwaardere beproeving van zijn leven met opgeheven hoofd tegemoet te treden.

De geleerde die in de medrese had geleerd dat de kennis van de godsdienst een toevertrouwd pand is dat men ongeschonden behoort door te geven, was niet de man om door een aanhouding, hoe onrechtvaardig ook, in zijn overtuiging te worden geschokt, en de overlevering houdt vast dat hij in de dagen van zijn gevangenschap noch zijn waardigheid noch zijn vertrouwen op de beschikking van Allah ﷻ verloor. Wat in het binnenste van een mens omgaat die uit zijn vertrouwde wereld wordt weggerukt en in de greep van een vijandige macht geworpen, behoort tot de verborgen zaken die de geschiedschrijver slechts met grote behoedzaamheid mag benaderen, en het zou een vorm van geschiedvervalsing zijn de stille uren van zijn hechtenis op te vullen met taferelen die de bronnen ons niet hebben nagelaten. Wat zij ons wel met enige stelligheid melden, is dat zijn houding die van een man was die zijn lot in de handen van zijn Heer ﷻ had gelegd en die zich daarom niet door de dreiging van de tribunalen liet verlammen, en het is in die houding dat zich, vooruitlopend op wat komen gaat, de standvastigheid aankondigt waarmee hij later, voor de rechters van de hoofdstad, zou weigeren voor zijn leven te pleiten.

De slag voor zijn naasten en zijn gemeenschap

De aanhouding van İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ trof niet hem alleen, want een mens staat niet op zichzelf maar in een weefsel van betrekkingen, en de slag die het regime hem toebracht, plantte zich voort tot in de kring van zijn gezin en daarbuiten tot in de wijdere gemeenschap van de İstanbulse moslims die in hem een van hun gezaghebbendste leraren hadden gekend. Voor zijn naasten betekende zijn gevangenschap niet enkel de scheiding van een geliefde en de onzekerheid over zijn lot, maar ook de huivering die uitging van de wetenschap dat hij was overgeleverd aan de buitengewone rechtbanken die in deze weken in de provincie het ene doodvonnis na het andere velden, zodat de vrees voor het ergste zich vermengde met de hoop op een uitkomst waarin het recht alsnog zou zegevieren. Het is de geschiedschrijver niet gegeven de stille beproeving van een gezin in zulke dagen tot in haar bijzonderheden na te vertellen, en het past hem deze in haar waardigheid te laten zonder haar met verzonnen taferelen op te luisteren, maar wel mag hij vaststellen dat de last die op de geleerde zelf werd gelegd, in verdubbelde mate op de schouders rustte van hen die hem liefhadden en die machteloos moesten toezien hoe hij in de raderen van een onverbiddelijke machinerie werd opgenomen.

Buiten de kring van zijn gezin trof zijn aanhouding de gemeenschap van de İstanbulse moslims, die in de geleerden van hun stad niet enkel onderwijzers maar de hoeders van hun geestelijk erfgoed zagen, en die in de gevangenneming van een man als İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ het bewijs lazen dat de nieuwe staat zelfs de eerbiedwaardigste dragers van de overgeleverde kennis niet langer ontzag. De ulama van de hoofdstad bevonden zich in deze jaren in een netelige en beklemmende positie, want het kalifaat was afgeschaft, het stelsel van de medreses was opgeheven, en de wereld waarin zij waren gevormd en waaraan zij hun gezag ontleenden, was onder de slagen van de Republiek aan het verdwijnen, zodat de aanhouding van een van hun aanzienlijksten hen tegelijk met droefheid en met vrees vervulde, met droefheid om het lot van een gewaardeerd medegeleerde en met vrees om wat zijn lot voorspelde voor de toekomst van hun stand. Het regime, dat in zijn afrekening met İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ een voorbeeld stelde, wist zeer wel welke boodschap het daarmee aan de hele klasse van de geleerden zond, want het maakte van de man een waarschuwing, een teken aan de wand dat geen aanzien, geen geleerdheid en geen onberispelijk leven binnen de wet voortaan nog bescherming bood tegen de wil van de staat.

De stilte die het verzet trof

Het is een eigenschap van regimes die met de hardste hand regeren, dat zij niet enkel de daad maar ook het woord en uiteindelijk de gedachte zelf trachten te onderwerpen, en de aanhouding van een geleerde als İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ diende, naast de bestraffing van een vermeende aanstoker, een ruimer en dieper doel, namelijk het opleggen van een stilte aan allen die geneigd zouden kunnen zijn zijn voorbeeld te volgen. Want wanneer een man van zijn aanzien, die niets anders had gedaan dan binnen de wet een geleerd boek schrijven, in de greep van de tribunalen kon worden gebracht, dan begreep iedere geleerde, iedere imam en iedere onderwijzer in het hele land dat het uiten van een onafhankelijk oordeel over de koers van de staat voortaan met de vrijheid en wellicht met het leven kon worden bekocht, en die wetenschap legde over de hele klasse van de godsdienstige geleerden een verlammende stilte die het regime juist beoogde. De afrekening met één man was zo tegelijk een afrekening met de stem van een hele stand, en de tribunalen, die de protesterende menigten in de provincie met de strop tot zwijgen brachten, brachten met de aanhouding van de geleerde de geestelijke bron van het verzet tot zwijgen, of meenden althans dat te doen.

En toch ligt in deze poging tot het opleggen van een stilte een wrange tegenstrijdigheid besloten, want door een geleerde wiens boek binnen de wet was verschenen tot het zinnebeeld van het verzet te maken, verleende het regime aan diezelfde geleerde een gezag dat het hem juist had willen ontnemen, en het verhief de man die het tot zwijgen wilde brengen tot een teken dat luider zou spreken dan enig boek had kunnen doen. De stilte die de tribunalen over Anatolië legden, was niet de stilte van de instemming maar die van de vrees, en onder die vrees bleef de overtuiging waarvoor İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ in de ogen van de gemeenschap stond, voortbestaan, om in de jaren en de generaties die volgden, wanneer de hardste greep van het regime zou zijn verslapt, opnieuw aan de oppervlakte te komen. Zo bereikte het regime met zijn afrekening op de korte termijn het tegendeel van wat het op de lange termijn zou oogsten, want de man die het als een aanstoker wilde uitwissen, werd door diezelfde afrekening tot een figuur gemaakt wiens nagedachtenis de stilte zou overleven.

De weg naar het tribunaal van Giresun

Nadat İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ op zeven december 1925 in hechtenis was genomen, werd hij bestemd om zich te verantwoorden voor een van de Onafhankelijkheidstribunalen die in deze maanden de tegenstand tegen de Hoedenwet berechtten, en wel voor het tribunaal dat zijn zittingen hield in Giresun, de oude havenstad aan de Zwarte Zee in het noordoosten van Anatolië, waar het de protesten van de omliggende streken onder zijn jurisdictie had gebracht. De keuze om hem voor het tribunaal van Giresun te brengen, plaatste de İstanbulse geleerde voor een rechtbank die ver van zijn vertrouwde omgeving lag, in een streek die door de hoedenprotesten was beroerd en waar het tribunaal zijn werk verrichtte te midden van de onrust die het heette te beteugelen, en zij voerde hem weg van de hoofdstad waar zijn naam gemaakt was, naar de kust waar zijn lot in handen zou worden gelegd van rechters die hem niet als een geleerde van aanzien maar als een verdachte voor zich zagen.

Het tribunaal van Giresun, gelijk de andere Onafhankelijkheidstribunalen van deze periode, beschikte over de buitengewone bevoegdheid om te oordelen zonder de waarborgen van het gewone strafrecht en om zijn vonnissen te doen voltrekken zonder dat van enige hogere instantie nog een herziening kon worden gevraagd, en het had in de weken voor de komst van İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ reeds menige betoger uit de Zwarte-Zeestreek voor zich gebracht en menig vonnis geveld. Dat een geleerde van zijn aanzien, die in İstanbul jarenlang een gezaghebbende stem in de moslimpers was geweest, voor een dergelijke rechtbank moest verschijnen op grond van een boek dat hij ruim een jaar voor de Hoedenwet binnen de wet had geschreven, toont in welk een omkering van de tijden zijn leven was terechtgekomen, want de man die onder het oude rijk tot inspecteur van de medreses was benoemd en wiens oordeel in de hoogste kringen van de geleerdheid had gewogen, stond nu als verdachte voor een buitengewoon tribunaal van de Republiek, beschuldigd van een verzet dat hij niet had aangestookt tegen een wet die ten tijde van zijn vermeende misdaad nog niet bestond.

Wat het tribunaal van Giresun zou beslissen

Wanneer men de aaneenschakeling van gebeurtenissen overziet die İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ in de eerste dagen van december 1925 uit de vrijheid in de gevangenschap voerde, treft in de eerste plaats de onhoudbaarheid van de aanklacht waarop dit alles berustte, want het regime had een geleerde verhandeling uit 1924, op wettige wijze en met de vergunning van de bevoegde overheid uitgegeven, met terugwerkende kracht herdoopt tot een opruiing tegen een wet die op het ogenblik van haar verschijnen nog niet bestond, en het had die aantijging versterkt met de herinnering aan een leiderschap van een inmiddels opgeheven vereniging uit de vervlogen jaren van de bezetting. Het had, met andere woorden, niet eerst een misdaad gevonden en daarna de dader gezocht, maar het had eerst de man aangewezen die het tot het zinnebeeld van het verzet wilde maken, en vervolgens uit zijn verleden de bouwstenen bijeengezocht waarmee het de schijn van een aanklacht kon optrekken. In die volgorde, die het wezen van de politieke afrekening verraadt, ligt het onrecht van de hele zaak besloten, en wie haar eerlijk wil beoordelen, moet vasthouden aan het eenvoudige en onweerlegbare feit dat de man werd vervolgd voor woorden die hij binnen de wet had geschreven, lang voordat de wet die hij zou hebben ondermijnd, bestond.

En toch zou de eerste rechtbank die over zijn lot moest oordelen, het tribunaal van Giresun aan de Zwarte Zee, tot een uitspraak komen die zowel hemzelf als zijn aanklagers tot nadenken had moeten stemmen, een uitspraak die de onhoudbaarheid van de aanklacht erkende op het ene punt waarop het recht haar onmogelijk kon dragen, en die daarmee, voor een kort en bedrieglijk ogenblik, de hoop wekte dat de gerechtigheid alsnog haar loop zou krijgen. Wat dat tribunaal besliste, en waarom zijn beslissing, hoe gunstig zij ook scheen, hem niet de vrijheid bracht maar hem integendeel op de weg naar de hoofdstad zette en naar het tribunaal van Ankara dat zijn definitieve lot zou bepalen, is het onderwerp van het volgende artikel. Daar zullen wij de geleerde volgen van de rechtszaal in Giresun naar de gebeurtenis die enkele weken na zijn aanhouding zou plaatsvinden, toen hij, ondanks de uitspraak die hem op het punt van de hoedenprotesten gunstig was, niet werd vrijgelaten maar onder bewaking werd weggevoerd, om ten slotte voor een tribunaal te verschijnen waarvan de mannen reeds hadden besloten dat geen rechtvaardiging hem nog zou redden.

Bronnen

  • TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi”, Türkiye Diyanet Vakfı (İstanbul, 2000), pp. 132–135 [de gezaghebbendste academische levensbeschrijving; voor de aanhouding van december 1925, het boek van 1924, het voorzitterschap van de Teâlî-i İslâm Cemiyeti en het tribunaal van Giresun].
  • Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca, Çorum Belediyesi (Çorum, 2016) [monografie met de biografische gegevens van zijn laatste maanden en de İstanbulse gemeenschap].
  • Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History, I.B. Tauris (4e druk, 2017), pp. 166–205 [voor de Hoedenwet van 1925, de hoedenprotesten en de politieke context van de jonge Republiek].
  • Ergün Aybars, İstiklâl Mahkemeleri, Bilgi Yayınevi (Ankara, 1975) [het standaardwerk over de Onafhankelijkheidstribunalen, hun bevoegdheden en hun optreden tegen de hoedenprotesten].
  • Hakkı Uyar, “Tek Parti Dönemi ve İstiklâl Mahkemeleri”, in de tijdschriftliteratuur over de vroege Turkse Republiek [voor de juridische grondslag van de tribunalen en de vervolging van de hoedenprotesten].
  • Gavin D. Brockett, How Happy to Call Oneself a Turk: Provincial Newspapers and the Negotiation of a Muslim National Identity, University of Texas Press (2011), pp. 41–78 [voor de spanning tussen de verwesterende staat en de moslimbevolking van de provincie].
واللّٰه أعلم

Sources

Hoofdbronnen: TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi” (Türkiye Diyanet Vakfı, 2000); Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca (Çorum Belediyesi, 2016); İskilipli Mehmed Âtıf, Frenk Mukallidliği ve Şapka (1924); Mustafa Armağan, Şapka Davası ve İskilipli Atıf Hoca (Bilim ve Kültür, 2008); Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History (I.B. Tauris, 4e druk 2017); Niyazi Berkes, The Development of Secularism in Turkey (McGill UP, 1964); Bernard Lewis, The Emergence of Modern Turkey (Oxford UP, 3e druk 2002); Stanford J. Shaw & Ezel Kural Shaw, History of the Ottoman Empire and Modern Turkey (Cambridge UP, 1977); Andrew Mango, Atatürk (John Murray, 1999); Ergün Aybars, İstiklâl Mahkemeleri (Bilgi Yayınevi, 1975).