InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Aanname Hoedenwet
De Helden van Islamİskilipli Mehmed Atıf Hoca

Aanname Hoedenwet

Aanname Hoedenwet

In het voorgaande artikel volgden wij İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ in de jaren van de bezetting, toen de geleerden van İstanbul zich in de Cemiyet-i Müderrisîn en later in de Teâlî-i İslâm Cemiyeti aaneensloten om de zaak van de islam te behartigen in een tijd waarin de hoofdstad onder vreemde wapens lag en de toekomst van het kalifaat ongewis was, en wij zagen hoe Atıf ﵀ in dat gezelschap een leidende plaats innam en daarmee in een groeiende spanning verzeild raakte met de nationale beweging die zich vanuit Ankara verzette tegen de bezetting en die in deze geleerden van de bezette hoofdstad maar al te gemakkelijk tegenstanders meende te herkennen. Die spanning, hoe pijnlijk ook, behoorde tot een tijdperk dat thans ten einde liep, want de nationale strijd was met de overwinning bekroond, de bezetter was van de Anatolische bodem verdreven, en de mannen van Ankara stonden op het punt het rijk dat zij hadden gered op een geheel nieuwe leest te schoeien. Wat zij voor ogen hadden was niet de herstelling van de oude orde waarvoor Atıf ﵀ zijn leven lang had geijverd, maar de vestiging van een nieuwe staat die met die oude orde in haar grondslagen zou breken, en het is in de jaren van die omwenteling dat zich de noodlottige draad begon te spinnen die het leven van de geleerde aan de galg zou voeren.

De geboorte van de Republiek

De overwinning van de nationale beweging onder Mustafa Kemal had de bezetter verdreven en het bestaan van een Turkse staat veiliggesteld, maar zij had daarmee de vraag opengelaten welke vorm die staat zou aannemen en op welke beginselen hij zou rusten, en het antwoord dat de leiders in Ankara in de jaren na de overwinning gaven, viel radicaler uit dan de meeste tijdgenoten hadden voorzien. Reeds in november 1922 was het sultanaat afgeschaft en was de laatste Ottomaanse sultan de hoofdstad ontvlucht, zodat de eeuwenoude band tussen de wereldlijke macht en het huis van Osman was doorgesneden, maar voorlopig bleef de waardigheid van het kalifaat nog bestaan, overgedragen aan een ander lid van de dynastie dat voortaan kalief zou zijn zonder wereldlijke macht, een schaduw van het oude ambt die de schijn van de oude orde nog enige tijd ophield.

Op 29 oktober 1923 viel de beslissing die aan die overgangstoestand een einde maakte, want op die dag riep de Grote Nationale Vergadering in Ankara de Republiek uit, met Mustafa Kemal als haar eerste president, en daarmee werd niet enkel een nieuwe regeringsvorm afgekondigd maar een breuk bezegeld met alles wat het rijk in zijn staatsrechtelijke wezen was geweest. De soevereiniteit, die eeuwenlang aan de sultan-kalief als plaatsbekleder van een hogere orde had toebehoord, werd voortaan zonder voorbehoud aan de natie en aan haar gekozen vergadering toegekend, en het beginsel dat de staat zijn rechtvaardiging aan de godsdienst en aan het kalifaat ontleende, werd vervangen door het beginsel van de volkssoevereiniteit naar Europees republikeins voorbeeld. Voor de moslims van Anatolië was de proclamatie van de Republiek niet enkel een politieke gebeurtenis maar de aankondiging van een omwenteling die tot in het hart van hun geloofsleven zou reiken, ook al beseften velen van hen op dat ogenblik nog niet hoe diep die omwenteling zou ingrijpen.

Atıf ﵀ behoorde tot degenen die de strekking van wat zich voltrok wél vroeg doorzagen, want hij was een geleerde die de geschiedenis van de hervorming van binnenuit kende en die wist dat de krachten die sinds de Tanzimat in het rijk werkzaam waren geweest, nu in de vorm van de Republiek hun radicaalste keer namen. Hij had de neergang van het oude rijk in zijn eigen lot meebeleefd, en hij beschouwde de nieuwe staat niet met de geestdrift van wie in haar de verlossing zag, maar met de bezorgdheid van wie vreesde dat de moslimgemeenschap, na de uitwendige nederlagen die zij had geleden, nu ook van haar eigen overheid een aanslag op haar geestelijke grondslagen te wachten stond.

De afschaffing van het kalifaat

Die bezorgdheid bleek niet ongegrond, want nauwelijks vier maanden na de proclamatie van de Republiek viel het besluit dat in de ogen van de gelovige moslimwereld het zwaarst van alle woog. Op 3 maart 1924 schafte de Grote Nationale Vergadering het kalifaat af, verdreef de laatste kalief en de gehele Ottomaanse dynastie uit het land, en maakte daarmee een einde aan een ambt dat sinds de dood van de Profeet ﷺ in deze of gene gedaante de eenheid van de soennitische moslimwereld had verzinnebeeld. Het kalifaat was sinds de zestiende eeuw aan het huis van Osman verbonden geweest, en hoewel het in zijn laatste jaren tot een machteloze waardigheid was teruggebracht, bleef het voor de moslims van Anatolië en daarbuiten het zichtbare teken dat de gemeenschap der gelovigen, hoe verdeeld en verzwakt ook, nog altijd een geestelijk middelpunt bezat. De afschaffing ervan was daarom geen administratieve maatregel maar een daad van symbolische betekenis die de hele wereld der gelovigen aanging, en zij werd door velen, in en buiten Turkije, als een verbijsterende slag ervaren.

Op dezelfde dag, en in de wetten die er onmiddellijk op volgden, werden de instellingen ontmanteld waarop het godsdienstig leven van het rijk eeuwenlang had gerust. Het ambt van de Şeyhülislâm, het hoogste religieuze gezag van het oude rijk dat over de wettigheid van de daden van de staat had gewaakt, werd opgeheven, het beheer van de godsdienstzaken en de vrome stichtingen werd onder de nieuwe staatsorde gebracht, en bovenal werd het stelsel van de medreses, de leerhuizen die sinds de vroege Ottomaanse tijd de geleerden van het rijk hadden voortgebracht, bij wet gesloten en aan een eenvormig, door de staat beheerst en op westerse leest geschoeid onderwijsstelsel onderworpen. Voor Atıf ﵀, die zijn hele leven aan de medrese had gewijd, eerst als leerling in İskilip en aan het Fatih-complex, daarna als müderris en als inspecteur van het godsdienstig onderwijs, was de sluiting van de medreses niet enkel het verdwijnen van een instelling maar het uitwissen van de wereld waarin hij thuishoorde, de afbraak van de keten van geleerdheid die terugreikte tot de Metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ en die hij zich tot taak had gesteld ongeschonden door te geven.

De verwesterende omwenteling

De afschaffing van het kalifaat en de sluiting van de medreses waren niet op zichzelf staande maatregelen, maar de eerste en de zwaarste van een hele reeks hervormingen waarmee de nieuwe leiding zich voornam de Turkse samenleving in een betrekkelijk kort tijdsbestek van haar islamitische en Ottomaanse erfenis los te maken en haar naar het model van het hedendaagse Europa om te vormen. Wat in de Tanzimat als een aarzelende en gedeeltelijke modernisering was begonnen, en wat het Comité van Eenheid en Vooruitgang met meer voortvarendheid had voortgezet, werd nu door de Republiek tot zijn uiterste consequentie gedreven, want waar de hervormers van de negentiende eeuw nog hadden getracht het nieuwe naast het oude te plaatsen, beoogde de nieuwe staat het oude door het nieuwe te vervangen en de zichtbare tekenen van de overgeleverde orde uit het openbare leven te doen verdwijnen.

In de jaren die op de proclamatie van de Republiek volgden, werd het ene na het andere onderdeel van het oude leven aangepakt, want het onderwijs werd geheel verstatelijkt en aan elke godsdienstige inhoud onttrokken, de godsdienstige rechtbanken werden afgeschaft ten gunste van een uit Europa overgenomen wetboek, en in heel het bestuurlijke en maatschappelijke leven werd de scheiding doorgevoerd tussen de staat en de godsdienst die voortaan tot het besloten domein van het persoonlijke geweten werd teruggedrongen. Het was een omwenteling die in haar volledigheid en in haar tempo in de moslimwereld geen weerga kende, en zij stelde de gelovige geleerden van het land voor een vraag van het diepste gewicht, namelijk of zij zwijgend zouden toezien hoe de zichtbare orde van de islam uit het openbare leven werd verdreven, dan wel of het hun plicht was, als erfgenamen van de profetische kennis, de gemeenschap te waarschuwen voor wat haar geestelijk dreigde te overkomen.

De positie van een geleerde onder de nieuwe orde

Voor een man als Atıf ﵀ was die vraag niet van louter theoretische aard, want hij behoorde tot de geleerden wier hele bestaansgrond door de nieuwe maatregelen werd ondergraven, en hij stond voor de keuze tussen het verzaken van zijn roeping en het volharden erin onder een bewind dat aan die roeping geen plaats meer wilde toekennen. Hij koos, zoals hij heel zijn leven had gekozen, voor de volharding, niet in de vorm van politiek verzet of van samenzwering, want daarvoor was hij niet de man en daartoe ontbrak hem elke neiging, maar in de vorm die hem als geleerde eigen was, die van het geschreven woord, van de redenering en van het beroep op de bronnen van het geloof. Hij bleef wat hij altijd was geweest, een geleerde die zijn oordeel niet plooide naar de eisen van de macht, en hij meende dat het juist in deze ure van omwenteling zijn plicht was de gemeenschap voor te lichten over de geestelijke gevolgen van wat zich onder de naam van de vooruitgang voltrok.

Het is van belang in te zien dat Atıf ﵀ in deze jaren geen openlijke oorlog tegen de nieuwe staat voerde en zich niet in het kamp van de politieke oppositie schaarde, want zijn bezwaren betroffen niet de regeringsvorm als zodanig maar de geestelijke richting waarin de samenleving werd gedreven, en zijn middel was niet het pamflet van de opstand maar de verhandeling van de geleerde. Juist die omstandigheid maakt het lot dat hem te wachten stond te schrijnender, want de man die later als een staatsgevaarlijke samenzweerder zou worden berecht en ter dood gebracht, had niets anders gedaan dan zijn pen volgen waar zijn geweten hem heenwees, in de overtuiging dat het waarschuwen van de gelovigen voor een geestelijk gevaar tot de eerste plichten van de geleerde behoorde.

Het boek over de navolging van de Europeanen

In het jaar 1924, terwijl de omwenteling in volle gang was en de instellingen van de oude orde de een na de ander werden afgebroken, gaf Atıf ﵀ een boek uit dat in de geschiedenis van zijn leven een beslissende plaats zou innemen, een verhandeling met de titel Frenk Mukallidliği ve Şapka, wat zich laat vertalen als de navolging van de Europeanen en de hoed. Het boek verscheen langs de geijkte en volkomen wettige weg, want het werd gedrukt met een vergunning van het ministerie van onderwijs, de instantie die in de nieuwe staat over het toezicht op de uitgaven was gesteld, en niemand verbood op het ogenblik van zijn verschijning de verkoop of de verspreiding ervan, zodat het zonder enige heimelijkheid en met de instemming van de overheid onder de lezers kwam. Deze omstandigheid, dat het boek met overheidsvergunning was uitgegeven, is van zulk een gewicht voor de beoordeling van wat later gebeurde, dat zij hier met nadruk dient te worden vastgesteld, want zij ontneemt aan de latere beschuldiging dat het boek een verboden of een ondergronds geschrift zou zijn geweest, iedere grond.

De stelling van het boek was, in de kern, een godsdienstig-culturele en geen staatkundige. Atıf ﵀ betoogde dat het overnemen van de uitwendige tekenen van de Europese levenswijze, en in het bijzonder van de Europese kleding waarvan de hoed het zinnebeeld was geworden, niet de onschuldige verandering van een gewoonte was die men ervan trachtte te maken, maar een geval van wat de islamitische wetenschap met de term teşebbüh aanduidt, de nabootsing van de niet-moslims in datgene wat hun als gemeenschap eigen is. Die nabootsing, zo redeneerde hij, was niet zonder gevolgen, want de mens drukt in zijn kleding en in zijn uiterlijke verschijning uit tot welke gemeenschap hij wil behoren en met welke orde hij zich vereenzelvigt, en wie de tekenen van een vreemde beschaving overneemt, neemt op den duur ook iets van haar geest en van haar waarden over, zodat de uitwendige nabootsing de weg baant voor een inwendige vervreemding van de eigen godsdienstige en culturele grondslag. De hoed was in zijn ogen niet enkel een hoofddeksel maar een teken, en wel een teken van de geestelijke en culturele opslorping van de moslim in een vreemde orde, en het was tegen die opslorping dat hij de gelovigen waarschuwde.

De inhoud en de toon van de verhandeling

Wie het boek leest met aandacht voor wat het werkelijk beweert, en niet door de bril van de latere beschuldigingen, ontwaart een verhandeling die zich beweegt op het terrein van het godsdienstig recht en van de geestelijke voorlichting, en die haar betoog opbouwt uit de gangbare gronden van de islamitische wetenschap, uit de overgeleverde bronnen en uit de redenering omtrent de gevolgen van het navolgen van de niet-moslims. Het boek riep niet op tot opstand tegen de staat, het hitste de bevolking niet op tot geweld, en het richtte zich niet tegen de regeringsvorm of tegen de personen die haar bestuurden, maar het stelde een vraag van het geweten aan de gelovige, de vraag of het hem geoorloofd was zich de uitwendige tekenen van een vreemde beschaving eigen te maken en welke geestelijke prijs hij daarvoor uiteindelijk zou betalen. Het was, met andere woorden, het werk van een geleerde die zijn ambt uitoefende zoals hij meende dat het hem betaamde, door de gemeenschap voor te lichten over een zaak die naar zijn overtuiging haar geestelijke welzijn raakte.

De toon van het boek was die van de geleerde redenering, niet die van het strijdschrift, en het past in een lange traditie van islamitische verhandelingen over de vraag in hoeverre de moslim de gebruiken van de niet-moslims mag overnemen, een vraag die de geleerden van de gemeenschap door alle eeuwen heen had beziggehouden en die in de tijd van de grote omwenteling die Turkije doormaakte, een prangende actualiteit had gekregen. Dat Atıf ﵀ zich juist op dit ogenblik geroepen voelde over dit onderwerp te schrijven, getuigt van zijn scherpe besef dat de uitwendige verandering die de nieuwe staat nastreefde, een inwendige strekking had die de gelovige niet mocht ontgaan, en het is de tragiek van zijn leven dat juist dit boek, dat uit bezorgdheid om het geestelijk welzijn van zijn medegelovigen was geschreven, het wapen zou worden waarmee men hem naar de galg voerde.

De beslissende volgorde van de tijd

Hier dient een feit te worden vastgesteld dat van alle feiten in dit verhaal het zwaarst weegt en dat in de latere voorstelling van zaken stelselmatig is verduisterd, namelijk de volgorde waarin de gebeurtenissen zich hebben voltrokken. Het boek Frenk Mukallidliği ve Şapka verscheen in 1924, en de wet die de Europese hoed verplicht zou stellen, de Şapka Kanunu, werd pas op 25 november 1925 aangenomen, zodat tussen de uitgave van het boek en de afkondiging van de wet ongeveer anderhalf jaar verstreek. Dit betekent, en het kan niet genoeg worden herhaald, dat Atıf ﵀ zijn boek schreef en uitgaf in een tijd waarin er nog geen hoedenwet bestond, en dat het hem dus onmogelijk was met dat boek tot het overtreden van een wet aan te sporen die op het ogenblik van het schrijven nog niet was uitgevaardigd en wier komst niemand met zekerheid kon voorzien.

De beschuldiging die later tegen hem zou worden ingebracht, dat hij met zijn boek het volk tot verzet tegen de hoedenwet had aangezet, stuit dus af op de eenvoudige en onweerlegbare orde van de tijd, want men kan niet aansporen tot het overtreden van iets wat nog niet bestaat, en een geschrift dat anderhalf jaar voor een wet is verschenen, kan in eerlijkheid niet als een opruiing tegen die wet worden uitgelegd. Wie het lot van Atıf ﵀ wil begrijpen, moet deze volgorde steeds voor ogen houden, want zij ontmaskert het ware karakter van wat er met hem geschiedde, namelijk niet de bestraffing van een wetsovertreder, maar het gebruik van een wettig verschenen geschrift als voorwendsel om met een onwelgevallige geleerde af te rekenen onder de dekmantel van een wet die pas later in het leven was geroepen. De man werd niet veroordeeld om wat hij had gedaan toen hij het deed, maar om wat zijn woorden, achteraf en in een ander licht geplaatst, geschikt bleken te dienen.

De hoedenwet en de rechtbanken van de onafhankelijkheid

De wet die op 25 november 1925 werd aangenomen, maakte het dragen van de Europese hoed voor de mannelijke bevolking verplicht en verbood in de praktijk het dragen van de fez en van de andere hoofddeksels die met de oude orde werden vereenzelvigd, en zij verhief daarmee een aangelegenheid die in de ogen van Atıf ﵀ een zaak van het geweten en van de godsdienstige gewoonte was, tot een verplichting van staatswege waaraan zich onttrekken voortaan een vergrijp tegen de wet was. De hoedenwet was in de opzet van de nieuwe leiding niet enkel een voorschrift omtrent de kleding, maar een toetssteen, een zichtbaar teken waaraan men kon aflezen wie de nieuwe orde aanvaardde en wie haar in zijn hart verwierp, want door het overnemen van de hoed bekende de onderdaan zich tot de verwesterende staat, terwijl het volharden in het oude hoofddeksel als een stille weigering kon worden uitgelegd. Op die wijze werd een stuk stof tot een belijdenis gemaakt, en wat tevoren een vraag van persoonlijke vroomheid was geweest, werd door de wet tot een proef van trouw aan het nieuwe bewind verheven.

Dat de nieuwe staat aan deze schijnbaar geringe aangelegenheid zulk een gewicht hechtte, blijkt uit de hardheid waarmee hij de weerstand tegen de hoedenwet beantwoordde, en die hardheid had haar werktuig in een instelling die de Republiek uit de jaren van de nationale strijd had geërfd en die zij nu opnieuw in het leven riep, de İstiklâl Mahkemeleri, de rechtbanken van de onafhankelijkheid. Deze rechtbanken waren geen gewone gerechtshoven die naar de vaste vormen van het recht oordeelden, maar buitengewone tribunalen die met verregaande bevoegdheden waren bekleed, die zonder de waarborgen van een gewoon proces te werk gingen, wier vonnissen niet voor hoger beroep vatbaar waren en die de doodstraf konden uitspreken en onmiddellijk laten voltrekken. Zij waren in de oorlogsjaren geschapen als een werktuig van de uiterste noodtoestand, en hun heroptreden in de jaren van de hervorming betekende dat de nieuwe staat bereid was zijn omwenteling desnoods met de middelen van de uitzonderingstoestand af te dwingen.

De golf van protesten tegen de hoed

De hoedenwet stuitte in brede lagen van de Anatolische bevolking op een diepe weerzin, want voor de gewone gelovige was het opgelegde hoofddeksel niet enkel een ongewone dracht maar het teken van een orde die hem vreemd was en die hij met de overheersing van de niet-moslim verbond, en in de weken na de aanneming van de wet braken in tal van steden van het binnenland onlusten en protesten uit. In de late dagen van november en de eerste dagen van december van het jaar 1925 kwam het tot openlijke betogingen en oproer in Sivas, in Kayseri, in Erzurum, in Rize, in Maraş en in Giresun, steden die over de breedte van Anatolië waren verspreid en wier gelijktijdige onrust toonde hoe diep de afkeer van de hoedenwet onder de bevolking reikte. Het waren geen opstanden van geleerden of van politieke leiders, maar uitbarstingen van het gewone volk dat in de opgelegde hoed een belediging van zijn geloof en van zijn gebruiken zag, en dat zich tegen de nieuwe verplichting verzette met de wanhopige weerstand van wie meent dat men hem in zijn diepste overtuiging treft.

De rechtbanken van de onafhankelijkheid beantwoordden deze protesten met een meedogenloosheid die in heel het land schrik moest zaaien, want zij trokken naar de oproerige steden, hielden in ijltempo hun zittingen, en spraken doodvonnissen uit die zonder uitstel aan de galg werden voltrokken, zodat in de steden van het binnenland de lijken van de opgehangenen op de pleinen werden tentoongesteld als een waarschuwing aan ieder die het in zijn hoofd zou halen zich tegen de nieuwe orde te verzetten. De staat die de hoed had voorgeschreven, was niet bereid enige weerstand tegen dat voorschrift te dulden, en hij maakte van de bestraffing van de hoedenoproeren een vertoon van macht dat tot ver buiten de oproerige steden zelf zijn afschrikkende werking deed gevoelen. Het was in deze sfeer van vervolging en van galgen, in de winter van 1925, dat de naam van Atıf ﵀ in de mond van de machthebbers begon te vallen.

Hoe het boek tot een wapen werd gesmeed

Het verband dat het regime tussen het boek van Atıf ﵀ en de hoedenoproeren legde, was niet de vrucht van een eerlijke beoordeling van de feiten maar van een politieke berekening, en het is van belang te doorzien hoe die berekening werd gemaakt. De rechtbanken van de onafhankelijkheid, die de oproeren tegen de hoedenwet vervolgden, gingen op zoek naar de bronnen van de weerstand, en in die speurtocht stuitten zij op het boek Frenk Mukallidliği ve Şapka, dat over de navolging van de Europeanen en over de hoed handelde en dat in de voorgaande jaren onder de gelovigen was verspreid, en zij besloten in dat boek de geestelijke aanstichting van de protesten te zien, alsof de schrijver ervan de gemoederen had vergiftigd die zich later tegen de wet zouden keren. Dat het boek anderhalf jaar voor de wet was verschenen en dat het met overheidsvergunning was uitgegeven, deed in deze redenering niet ter zake, want het regime zocht geen waarheid maar een schuldige, en het had in de gezaghebbende geleerde die zich tegen de verwestering had uitgesproken, een schuldige naar zijn gading gevonden.

Zo werd een wettig verschenen verhandeling van de godsdienstwetenschap, die uit bezorgdheid om het geestelijk welzijn van de gelovigen was geschreven, achteraf herschapen tot een opruiend geschrift dat het volk tot oproer zou hebben aangezet, en de man die niets anders had gedaan dan als geleerde zijn oordeel verkondigen, werd in het net van de hoedenvervolging gevangen alsof hij de aanstichter van de onlusten was geweest. Het was dezelfde logica die hem in 1913 onder het Comité had getroffen, toen men hem op een vermoeden in ballingschap had gezonden, maar zij nam thans een veel dodelijker keer, want waar het Comité hem slechts uit de hoofdstad had verwijderd, beschikte de Republiek over de buitengewone tribunalen die de macht hadden om over leven en dood te beslissen, en zij was bereid die macht te gebruiken.

De geleerde tegenover de noodlogica van de staat

In de botsing tussen Atıf ﵀ en de nieuwe staat stonden twee onverenigbare opvattingen van het recht en van de waarheid tegenover elkaar, en het is in dat licht dat zijn naderende ondergang moet worden begrepen. Voor de geleerde was de waarheid een zaak van de bronnen, van de redenering en van het bewijs, en hij meende, met de onschuld van wie het recht aan zijn zijde weet, dat de eenvoudige feiten, de wettige uitgave van zijn boek en de volgorde van de tijd die het boek voor de wet plaatste, hem zouden vrijpleiten van elke beschuldiging van opruiing. Voor de nieuwe staat daarentegen was de waarheid ondergeschikt aan de noodzaak van de omwenteling, en de rechtbanken van de onafhankelijkheid waren niet ingesteld om de feiten te wegen maar om de wil van het regime door te zetten, zodat de geleerde die op de feiten en op het recht vertrouwde, in werkelijkheid tegenover een macht stond die de feiten niet zocht en het recht niet eerbiedigde.

Daarin ligt de diepste tragiek van wat zich in deze maanden voltrok, want Atıf ﵀ ging zijn beproeving tegemoet met de wapens van de geleerde, met de redenering en het beroep op de waarheid, terwijl zijn tegenstanders niet langs die weg te bereiken waren, omdat het hun niet om de waarheid te doen was maar om de afschrikking en om de vestiging van de nieuwe orde door middel van de schrik. De man die meende dat zijn onschuld hem zou redden, omdat zij naar de maatstaf van het recht onloochenbaar was, had niet voorzien, of had niet willen geloven, dat hij in handen zou vallen van een tribunaal dat naar die maatstaf niet vroeg, en het is die noodlottige onbegrepenheid tussen het rechtsgevoel van de geleerde en de noodlogica van de staat die het verloop van zijn proces en de uitkomst ervan zou bepalen.

Wat zich rond hem samentrok

Toen het jaar 1925 ten einde liep, hadden zich rond İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ alle krachten samengetrokken die hem zouden vernietigen, en hoewel hij dat op het ogenblik zelf wellicht nog niet in zijn volle omvang besefte, was zijn lot in zekere zin reeds bezegeld op de dag dat het regime besloot in zijn boek de aanstichting van de hoedenoproeren te zien. De Republiek was gevestigd en het kalifaat afgeschaft, de medreses waarin hij was gevormd en waaraan hij had gediend, waren gesloten, de verwesterende omwenteling was in volle gang, de hoedenwet had een stuk stof tot een toetssteen van trouw verheven, de protesten tegen die wet hadden het land in beroering gebracht, en de rechtbanken van de onafhankelijkheid stonden gereed om met de weerstand af te rekenen, zodat in dat samenstel van krachten de gezaghebbende geleerde die zijn pen tegen de navolging van de Europeanen had gericht, het uitgelezen slachtoffer was geworden.

Het is, achteraf bezien, een wrede ironie dat de man wiens hele bezwaar tegen de nieuwe orde van geestelijke en culturele aard was geweest en die zich nooit op het pad van het politieke verzet had begeven, juist door het verband dat het regime tussen zijn boek en de hoedenoproeren legde, in de greep van de zwaarste politieke vervolging zou geraken, en dat zijn wettig verschenen verhandeling, die anderhalf jaar voor de hoedenwet het licht had gezien, hem zou worden voorgehouden als het bewijs van een misdaad die hij niet had begaan en niet had kunnen begaan. De geleerde die in de medrese had geleerd dat de kennis van de godsdienst een toevertrouwd pand is dat men ongeschonden behoort door te geven, en die in 1913 reeds de smaak van het onrecht had geproefd, stond opnieuw, en thans onder een nog hardere ster, voor de keuze tussen het verloochenen van zijn overtuiging en het dragen van de gevolgen van zijn standvastigheid.

In de eerste dagen van december 1925, toen de galgen in de oproerige steden van het binnenland nog hun afschrikkende werk deden en de naam van Atıf ﵀ in de stukken van de rechtbanken van de onafhankelijkheid was opgedoken, naderde het ogenblik dat de hand van de staat zich naar hem zou uitstrekken, en de geleerde die zijn leven lang aan de overgeleverde kennis van de islam had gewijd, zou in hechtenis worden genomen om voor de buitengewone tribunalen te worden gebracht die over zijn leven zouden beslissen. Hoe die arrestatie in de decemberdagen van 1925 zich voltrok, langs welke wegen men hem van de ene rechtbank naar de andere voerde, en hoe hij in de maanden die volgden zijn standvastigheid bewaarde, is het onderwerp van het volgende artikel.

Bronnen

  • TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi”, Türkiye Diyanet Vakfı (İstanbul, 2000), pp. 132–135 [de gezaghebbendste academische levensbeschrijving; voor de uitgave van het boek in 1924 met onderwijsvergunning en voor de gang van zaken rond de hoedenwet].
  • Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca, Çorum Belediyesi (Çorum, 2016) [monografie met de bespreking van Frenk Mukallidliği ve Şapka en de chronologie van boek en wet].
  • Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History, I.B. Tauris (4e druk, 2017), pp. 166–199 [voor de proclamatie van de Republiek, de afschaffing van het kalifaat, de verwesterende hervormingen en de rechtbanken van de onafhankelijkheid].
  • Bernard Lewis, The Emergence of Modern Turkey, Oxford University Press (3e druk, 2002), pp. 256–293 [voor de hoedenwet en de culturele hervormingen van de jaren twintig].
  • Niyazi Berkes, The Development of Secularism in Turkey, McGill University Press (1964), pp. 461–479 [voor de afschaffing van het kalifaat, de secularisering en de Şapka Kanunu].
  • Hakkı Uyar e.a., over de İstiklâl Mahkemeleri en de vervolging van de hoedenoproeren van 1925, in de Turkse historiografie van de vroege Republiek [voor de werking van de buitengewone tribunalen].
واللّٰه أعلم

Sources

Hoofdbronnen: TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi” (Türkiye Diyanet Vakfı, 2000); Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca (Çorum Belediyesi, 2016); İskilipli Mehmed Âtıf, Frenk Mukallidliği ve Şapka (1924); Mustafa Armağan, Şapka Davası ve İskilipli Atıf Hoca (Bilim ve Kültür, 2008); Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History (I.B. Tauris, 4e druk 2017); Niyazi Berkes, The Development of Secularism in Turkey (McGill UP, 1964); Bernard Lewis, The Emergence of Modern Turkey (Oxford UP, 3e druk 2002); Stanford J. Shaw & Ezel Kural Shaw, History of the Ottoman Empire and Modern Turkey (Cambridge UP, 1977); Andrew Mango, Atatürk (John Murray, 1999); Ergün Aybars, İstiklâl Mahkemeleri (Bilgi Yayınevi, 1975).