Oprichting Teali-i İslam
In het voorgaande artikel volgden wij İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ tot aan de wapenstilstand van Mudros, ondertekend op 30 oktober 1918 aan boord van een Brits oorlogsschip in de haven van het eiland Lemnos, waarmee de Ottomaanse deelname aan de Eerste Wereldoorlog werd beëindigd en het rijk goeddeels aan de genade van zijn overwinnaars werd overgeleverd. Wij zagen hoe Atıf ﵀, die de wereldoorlog in de hoofdstad had doorgemaakt nadat de onrechtvaardige verbanning van 1913 hem aan den lijve had geleerd hoe een staat het recht aan zijn belang ondergeschikt maakt, na de wapenstilstand zijn werk hervatte in een İstanbul dat niet meer de zelfverzekerde zetel van het kalifaat was maar een verslagen stad onder de schaduw van de geallieerde bezetting, met vreemde oorlogsschepen voor anker in de Bosporus en vreemde troepen in haar straten. En wij besloten dat artikel met de vaststelling dat het juist in deze duistere ure was, met de vijand in de hoofdstad en de toekomst van het kalifaat ongewis, dat de geleerden van İstanbul zich gedrongen voelden zich aaneen te sluiten, en dat Atıf ﵀ in de vereniging die uit die noodzaak voortkwam een leidende rol zou gaan vervullen. Het is die vereniging, haar ontstaan, haar oogmerken en de zware en omstreden keuzen die zij in de woelige jaren van de bezetting maakte, die in dit artikel het onderwerp zullen zijn, en het is hier dat de loopbaan van de geleerde, die zich tot dan toe tussen de medrese, de moskee en de redactietafel had afgespeeld, zich vermengt met de meest beladen episode van de moderne Turkse geschiedenis, een episode die de geschiedschrijver niet anders dan met grote behoedzaamheid en met de bereidheid tot eerlijke twijfel kan benaderen.
De hoofdstad onder de bezetting
Om te begrijpen waarom de geleerden van İstanbul zich in het begin van 1919 verenigden, en waarom de keuzen die zij in de jaren daarna maakten zo beladen en zo betwist zijn gebleven, moet men zich eerst rekenschap geven van de toestand waarin de hoofdstad na de wapenstilstand van Mudros verkeerde, want het was een toestand van vernedering en onzekerheid die op de stad woog als een loden hemel. De voorwaarden van de wapenstilstand hadden de overwinnende mogendheden het recht verleend de strategische punten van het rijk te bezetten, en zij maakten van dat recht een ruim gebruik, zodat reeds in november 1918 een geallieerde vloot in de Bosporus verscheen en de troepen van Engeland, Frankrijk en Italië zich in de stad en haar omgeving installeerden, terwijl het bestuur van de stad in toenemende mate aan het toezicht van de bezetters werd onderworpen. De sultan-kalief in zijn paleis aan de oever van de Bosporus regeerde nog in naam, maar zijn macht was tot een schaduw geslonken, en de regering die in zijn naam optrad, was meer bezig met het behoud van wat nog te behouden viel dan met het bestrijden van de vreemde overheersing, want zij meende, niet zonder grond, dat openlijk verzet de verslagen staat het laatste restant van zijn voortbestaan zou kosten.
Voor de moslims van de hoofdstad was deze toestand niet enkel een politieke en militaire nederlaag, maar een geestelijke beproeving van de eerste orde, want İstanbul was niet zomaar een hoofdstad maar de oude zetel van het kalifaat, het hart van de soennitische moslimwereld en de stad waarheen de blikken van de gelovigen van Indië tot Marokko zich sinds eeuwen hadden gericht, en het schouwspel van die stad onder de wapens van christelijke mogendheden trof de gelovigen in het diepst van hun zelfbesef. Daar kwam bij dat de toekomst zo donker en zo ongewis was als zij in geen mensenleven was geweest, want het stond geenszins vast dat het rijk, of zelfs maar de hoofdstad, zou blijven bestaan, en in de wandelgangen van de geallieerde diplomatie circuleerden plannen die de verdeling van Anatolië onder de overwinnaars en hun beschermelingen behelsden, terwijl in het westen van het schiereiland een Griekse landing aanstaande was die in mei 1919 te Smyrna zou worden uitgevoerd en die de Anatolische moslims in een staat van wanhoop en woede zou brengen. Het was een ure waarin niemand met zekerheid kon zeggen wat de volgende maand zou brengen, en waarin de oude orde, het rijk, het kalifaat en het godsdienstig bestel dat ermee verweven was, niet langzaam leek te verbleken maar in één slag te kunnen worden weggevaagd.
De last die op de ulama viel
In een gemeenschap waarin de wereldlijke macht is weggevallen of in vreemde handen is geraakt, valt de last van de geestelijke leiding van nature terug op de schouders van de geleerden, want het zijn de ulama, de erfgenamen van de profeten in de overdracht van de kennis, die het morele gezag en de geestelijke verantwoordelijkheid dragen wanneer de zwaarden zijn gebroken en de tronen wankelen, en het was uit dat eeuwenoude besef, even oud als de gemeenschap zelf, dat de geleerden van İstanbul zich in deze jaren aangesproken voelden. De Profeet ﷺ had immers geleerd dat de geleerden de erfgenamen van de profeten zijn, en dat erfgenaamschap betekende niet enkel het bewaren en doorgeven van de kennis in rustiger tijden, maar ook het opnemen van de leiding in de uren waarin de gemeenschap stuurloos dreigde te raken. De geleerden van de hoofdstad beschikten niet over legers of over wapens, en zij konden de bezetter niet uit de stad verdrijven, maar zij beschikten over iets wat in de ogen van de moslimbevolking zwaarder woog dan menig wapen, namelijk over het gezag van de godsdienstige kennis en over de plicht de gemeenschap te onderrichten, te vermanen en in de verwarring van het uur een richting te wijzen.
Het was bovendien een ure waarin niet enkel de wereldlijke macht maar ook het godsdienstige bestel zelf in gevaar verkeerde, want de medreses, de leerhuizen waarin de religieuze wetenschappen sinds eeuwen werden doorgegeven, hadden onder de wereldoorlog en de daaropvolgende ineenstorting zwaar geleden, en de geleerdenstand die hen droeg verkeerde in een toestand van verwarring en versnippering. Atıf ﵀, die sinds 1910 het ambt van inspecteur van de medreses had bekleed, kende de zwakte van dat bestel van binnenuit, en hij behoorde tot de geleerden die inzagen dat de stand van de müderrissen zich zou moeten organiseren wilde hij in de nieuwe en vijandige tijd zijn stem laten gelden en zijn werk beschermen. Het is uit die dubbele noodzaak, de noodzaak de gemeenschap te leiden in de bezetting en de noodzaak het godsdienstig onderwijs te verdedigen tegen het verval, dat de vereniging voortkwam waaraan dit artikel is gewijd.
De stichting van de Cemiyet-i Müderrisîn
In het begin van 1919 namen de geleerden van de hoofdstad het besluit hun krachten te bundelen in een vereniging, en op 15 februari 1919 werd de Cemiyet-i Müderrisîn opgericht, het Genootschap der Müderrissen, dat de leraren van de medreses verenigde en zich ten doel stelde de belangen van de geleerdenstand te behartigen, de godsdienstige wetenschappen te verdedigen en te versterken, en de stem van de ulama te laten horen in een tijd waarin alles wat de moslims dierbaar was bedreigd leek. De naam van de vereniging gaf haar oorspronkelijke aard nauwkeurig weer, want zij was in de eerste plaats een vereniging van müderrissen, van de leraren van het hogere godsdienstig onderwijs, mannen die hun leven aan de overdracht van de kennis hadden gewijd en die zich nu, in het besef dat hun stand en hun werk in gevaar verkeerden, aaneensloten om gezamenlijk op te treden waar de enkeling machteloos zou zijn geweest. Het was, met andere woorden, geen politieke partij in de moderne zin en geen geheime samenzwering, maar een gilde, een beroepsvereniging van geleerden, die uit de nood van het uur was geboren en die de zaak van de islam en van zijn wetenschappen wilde dienen in de verwarring van de bezetting.
Slechts enkele dagen na de stichting, op 19 februari 1919, werd İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ tot tweede voorzitter van de jonge vereniging gekozen, een verkiezing die zijn aanzien onder de geleerden van de hoofdstad treffend illustreert, want de man die enkele jaren tevoren door het Comité op een vermoeden in ballingschap was gezonden, werd nu door zijn medegeleerden tot een van de leidende figuren van hun gezelschap verheven. Dat een geleerde uit een afgelegen provinciestad, een vaderloos İskilips kind dat zich langs de trage en geduldige weg van de medrese had opgewerkt, in het hart van de hoofdstadse geleerdheid tot zulk een vertrouwenspositie werd geroepen, getuigt van de plaats die hij zich door zijn kennis, zijn standvastigheid en zijn onafhankelijkheid van oordeel had verworven, en het verklaart waarom hij in de jaren die volgden tot in de voorste linie van de geestelijke strijd van zijn tijd zou worden gedreven. Hij aanvaardde de last van het ambt in een tijd waarin het dragen van verantwoordelijkheid geen eer was die men zonder gevaar op zich nam, maar een verplichting die zware en mogelijk noodlottige gevolgen droeg.
Van Müderrisîn tot Teâlî-i İslâm
De vereniging die op 15 februari 1919 als Cemiyet-i Müderrisîn was opgericht, droeg die naam niet lang, want naarmate haar oogmerken zich verbreedden en zij zich niet langer enkel als de beroepsvereniging van de medreseleraren maar als een gezelschap ten dienste van de hele islam ging beschouwen, drong zich een naam op die dat ruimere streven beter weergaf, en op 24 november 1919 werd de vereniging omgedoopt tot de Teâlî-i İslâm Cemiyeti, het Genootschap voor de Verheffing van de Islam. In die naamsverandering lag een verschuiving van betekenis besloten die meer was dan een woordkeuze, want zij gaf te kennen dat de geleerden hun taak niet langer beperkten tot de verdediging van hun eigen stand en hun eigen leerhuizen, maar dat zij zich geroepen voelden de zaak van de islam zelf te dienen, haar te verheffen en haar te verdedigen in een tijd waarin de oude orde uiteenviel en waarin de gemeenschap, beroofd van haar wereldlijke beschutting, behoefte had aan een stem die haar in de godsdienst staande zou houden. De verheffing van de islam, de teâlî, was geen leuze maar een program, het program van geleerden die in de ineenstorting van het rijk niet enkel een politieke ramp zagen maar een gevaar voor de godsdienst zelf, en die meenden dat het hun plicht was die godsdienst hoog te houden waar de staat haar niet meer kon dragen.
In de leiding van deze vereniging bekleedde naast Atıf ﵀ ook Mustafa Sabri Efendi ﵀ een vooraanstaande plaats, een geleerde van groot aanzien die tot de meest invloedrijke ulama van de late Ottomaanse tijd behoorde en die in deze jaren tot de hoogste geestelijke ambten van het rijk zou worden geroepen. Toen Mustafa Sabri Efendi ﵀ tot Şeyhülislâm werd benoemd, het hoogste godsdienstige ambt van de Ottomaanse staat en de zetel van de opperste gezagsdrager in zaken van het islamitisch recht, viel het voorzitterschap van de Teâlî-i İslâm Cemiyeti aan Atıf ﵀ toe, zodat hij van tweede voorzitter tot president van de vereniging opklom en daarmee tot een van de meest zichtbare geleerden van het bezette İstanbul werd. Het is van belang hier de eerlijkheid te bewaren die de geschiedschrijver verplicht is, en niet meer namen aan de leiding van de vereniging te verbinden dan de betrouwbaarste bronnen rechtvaardigen, want de overlevering heeft rond deze vereniging in latere tijden allerlei beweringen geweven, en het past de geschiedschrijver beter zich te beperken tot het weinige dat met zekerheid vaststaat dan het beeld met onbewezen bijzonderheden op te sieren. Wat vaststaat is dat Atıf ﵀ en Mustafa Sabri Efendi ﵀ tot de leidende figuren behoorden, en dat de eerste het voorzitterschap aanvaardde toen de tweede tot het ambt van Şeyhülislâm werd geroepen.
De oogmerken van het genootschap
De oogmerken die de Teâlî-i İslâm Cemiyeti zich stelde, kwamen voort uit de toestand van de tijd, en wie ze billijk wil beoordelen moet ze niet losmaken van de wanhoop en de onzekerheid waarin de hoofdstad verkeerde, maar ze juist in dat licht bezien. Het eerste oogmerk was de verdediging en de versterking van de godsdienstige wetenschappen, want de geleerden zagen met bezorgdheid hoe het bestel van de medreses, dat sinds eeuwen de keten van de kennis had bewaard, onder de slagen van de oorlog en de ineenstorting dreigde te bezwijken, en zij meenden dat het hun eerste plicht was die keten te beschermen en de overdracht van de kennis te waarborgen in een tijd waarin alles wankelde. Het tweede oogmerk was het laten horen van de stem van de ulama, het verschaffen van een georganiseerde spreekbuis aan de geleerdenstand die, zolang zij verdeeld en ongeorganiseerd was, in de woelige tijd geen gewicht in de schaal kon leggen, maar die verenigd een gezag kon doen gelden dat in de moslimbevolking weerklank vond. En het derde oogmerk, dat in de naamsverandering van november 1919 zijn uitdrukking vond, was het leiden en het staande houden van de moslimgemeenschap zelf te midden van de ineenstorting, het hooghouden van de godsdienst en de verheffing van de islam in een ure waarin de gelovigen, beroofd van hun staat en hun zekerheid, naar houvast zochten.
Atıf ﵀ bracht in deze vereniging de gaven mee die hij in een lang leven van studie en arbeid had ontwikkeld, want hij was niet enkel een geleerde van de medrese maar ook een man die de moderne tijd kende en die zich met de pen wist te verweren, een veelgelezen schrijver in de moslimpers van de hoofdstad die in bladen als Sebîlürreşâd en Beyânülhak zijn opvattingen had verkondigd, en die bovendien als voormalig inspecteur van de medreses het godsdienstig onderwijs van binnenuit kende. Die combinatie van diepe geleerdheid, bestuurlijke ervaring en publicistische vaardigheid maakte hem tot een waardevolle kracht in een vereniging die zich tegelijk op het onderwijs, op de gemeenschap en op het publieke woord richtte, en juist in een tijd die om beide werelden vroeg, de overgeleverde kennis van de medrese en de moderne middelen van het gedrukte woord, kwam die dubbele bekwaamheid hem en de vereniging die hij diende ten goede.
Het werk in een onmogelijke tijd
Men moet zich het werk van een dergelijke vereniging niet voorstellen als het rustige beraad van een geleerd gezelschap in vredige omstandigheden, want de Teâlî-i İslâm Cemiyeti deed haar werk in een stad onder vreemde bezetting, in een rijk waarvan het voortbestaan onzeker was, en in een tijd waarin elke keuze die de geleerden maakten zware en onvoorzienbare gevolgen kon dragen. De vraag waarvoor zij zich gesteld zagen was niet eenvoudig, want zij betrof niets minder dan de toekomst van de islam en van de moslimgemeenschap in een wereld die uit haar voegen was geraakt, en op die vraag bestond geen vanzelfsprekend antwoord dat alle rechtschapen geleerden zonder aarzelen zouden hebben onderschreven. Waar lag de plicht van de gelovige in deze ure, bij het behoud van het kalifaat en de oude orde, hoe verzwakt ook, dan wel bij een nieuwe beweging waarvan de aard en de bedoelingen nog ongewis waren, en wie kon men in deze verwarring vertrouwen en wie vrezen? Het waren vragen die de besten onder de geleerden verdeelden, en die in de jaren die volgden tot de meest beladen tegenstellingen van de moderne Turkse geschiedenis zouden uitgroeien.
In deze sfeer van wanhoop en onzekerheid begon zich in het binnenland van Anatolië een beweging te vormen die de loop van de geschiedenis zou bepalen, want terwijl de hoofdstad onder de bezetting verlamd lag, organiseerde zich in steden als Erzurum en Sivas, en weldra rond de stad Ankara, een nationale weerstand tegen de verdeling van het Anatolische thuisland, een beweging die zich onder de leiding van Mustafa Kemal en de officieren die zich bij hem voegden, ten doel stelde de bezetting te weerstaan en het thuisland te verdedigen. Het is op het snijvlak van die nationale beweging in Anatolië en de wereld van de İstanbulse ulama dat de meest betwiste en de meest pijnlijke episode in de geschiedenis van de Teâlî-i İslâm Cemiyeti zich heeft afgespeeld, en het is die episode die de geschiedschrijver thans, met alle behoedzaamheid die zij vereist, onder ogen moet zien.
De vereniging en de nationale strijd
Hier raakt de geschiedschrijver aan de moeilijkste en de meest beladen vraag van dit hele tijdvak, en het is een vraag die hij niet kan ontwijken zonder zijn vak en zijn lezer te verraden, maar die hij evenmin kan beantwoorden met de gemakkelijke zekerheid die de partijen aan beide kanten van de latere strijd zo graag hebben opgeëist. De Teâlî-i İslâm Cemiyeti is in de geschiedschrijving van de moderne Turkse staat verbonden geraakt met standpunten die vijandig stonden tegenover de nationale weerstandsbeweging die zich in Anatolië onder de leiding van Mustafa Kemal organiseerde, en het is overgeleverd dat in het jaar 1920 vanuit de kringen van de vereniging een proclamatie zou zijn verspreid waarin de aanhangers van de nationale beweging werden veroordeeld, een proclamatie die naar verluidt zelfs door Griekse vliegtuigen boven het Anatolische binnenland werd uitgestrooid om de bevolking van de nationale zaak af te keren. Het zijn beschuldigingen van het ernstigste gewicht, en zij hebben de naam van de vereniging in de geschiedschrijving van de overwinnende nationale beweging zwaar belast, want in de ogen van die beweging plaatsten zij de geleerden van de vereniging aan de zijde van de bezetter en tegenover het thuisland in de ure van zijn hoogste nood.
De eerlijkheid gebiedt evenwel deze beschuldigingen niet zonder meer als vaststaande feiten over te nemen, maar de onzekerheid te benoemen die eraan kleeft, want de juiste toedracht van deze episode laat zich op grond van het beschikbare bronnenmateriaal niet met zekerheid vaststellen, en zij is bovendien sinds haar eigen tijd het voorwerp geweest van een felle strijd om de herinnering, waarin de overwinnaars hun lezing aan de geschiedenis hebben opgelegd. Wie precies de bedoelde proclamatie heeft opgesteld, in welke mate de vereniging als geheel erachter stond, en welk aandeel de afzonderlijke leden van haar leiding erin hadden, zijn vragen waarop de bronnen ons geen sluitend en onbetwistbaar antwoord verschaffen, en het persoonlijke aandeel van Atıf ﵀ in deze gebeurtenissen is in het bijzonder omstreden, want het is één zaak dat een man president van een vereniging is, en een andere zaak dat hij persoonlijk verantwoordelijk zou zijn voor elke daad die in de naam of vanuit de kringen van die vereniging werd verricht. De geschiedschrijver die zijn vak ernstig neemt, kan hier niet anders dan de beide mogelijkheden naast elkaar laten staan, de beschuldiging openlijk benoemen en tegelijk de onzekerheid die haar omgeeft niet verhullen, en hij moet de verleiding weerstaan om de geleerde hetzij vrij te pleiten met een zekerheid die de bronnen niet toelaten, hetzij te veroordelen met een stelligheid die diezelfde bronnen evenmin dragen.
Het dilemma van de geleerden
Wil men deze episode billijk beoordelen, dan moet men afdalen van het verheven oordeel achteraf naar de werkelijke verlegenheid waarin de geleerden van de hoofdstad zich in deze jaren bevonden, want het is altijd gemakkelijk om vanuit de wetenschap van de afloop te oordelen over mannen die de afloop niet kenden en die in het duister van hun eigen tijd moesten kiezen. Voor velen van de ulama was de nationale beweging in Anatolië geen heldere zaak waarvan men de rechtvaardigheid zonder aarzelen kon erkennen, maar een onzekere en zelfs verontrustende ontwikkeling, want zij vreesden, en niet zonder grond gezien wat er later zou geschieden, dat een beweging die onder militaire leiding stond, het kalifaat en de godsdienstige orde uiteindelijk zou kunnen wegvagen in plaats van haar te beschermen. De leiding van die beweging was hun bovendien grotendeels onbekend, een kring van officieren wier diepste bedoelingen zij niet konden peilen en wier verhouding tot de godsdienst en het kalifaat zij niet konden inschatten, en in een tijd waarin het vertrouwen overal was geschonden en de verraderlijke list de plaats van de openlijke trouw had ingenomen, was het wantrouwen jegens een leiding die men niet kon lezen geen blinde verstoktheid maar een begrijpelijke voorzichtigheid.
Daar kwam bij dat menige geleerde de gehoorzaamheid aan de sultan-kalief en aan de wettige regering in de hoofdstad als een godsdienstige plicht beschouwde, en dat een gewapende beweging die zich aan het gezag van die regering onttrok, in zijn ogen niet zonder meer de drager van de rechtvaardige zaak was, maar mogelijk de aanstichter van de tweedracht, de fitna, die de gemeenschap van binnenuit zou verscheuren in de ure waarin zij haar eenheid het meest behoefde. Men begrijpe wel dat de geschiedschrijver hier niet de keuzen van deze geleerden goedpraat, noch de keuzen van hun tegenstanders, maar dat hij de werkelijke verlegenheid wil laten zien waarin rechtschapen mannen zich bevonden, mannen die de gemeenschap liefhadden en die haar wilden behoeden, en die in de verwarring van de bezetting keuzen maakten die de geschiedenis, met de wijsheid van de afloop, hard zou beoordelen. Het is de gemakkelijkste zaak van de wereld om, met de uitkomst voor ogen, de mannen die anders kozen dan de overwinnaars als verraders te brandmerken, en het is een veel moeilijker en een veel rechtvaardiger zaak om te erkennen dat zij, in het duister waarin zij verkeerden, naar hun beste inzicht en uit een oprechte zorg om de godsdienst handelden, ook waar dat inzicht hen, naar het oordeel van de geschiedenis, op een dwaalweg voerde.
Waar de bronnen zwijgen
Het is op deze plaats dat de geschiedschrijver zijn lezer het meest verschuldigd is aan eerlijkheid, en het minst gerechtigd is tot de schijnzekerheid die het verhaal vlotter zou doen verlopen, want over het persoonlijke geweten van Atıf ﵀ in deze jaren, over wat hij werkelijk heeft gedacht en gewild en over de mate waarin hij de vijandige standpunten die aan de vereniging worden toegeschreven persoonlijk deelde of juist temperde, laten de bronnen ons grotendeels in het ongewisse. Wij weten dat hij een geleerde van diepe vroomheid en van onafhankelijke geest was, een man die zich in 1913 niet door een onrechtvaardige verbanning had laten breken en die zijn oordeel nimmer aan de macht had geplooid, en het is met die man voor ogen dat men zijn handelen in deze jaren behoort te wegen, niet met de karikatuur die de latere strijd om de herinnering van hem heeft gemaakt. Maar wij weten niet, en wij kunnen op grond van de overgeleverde bronnen niet weten, of hij de hand heeft gehad in de proclamatie van 1920, of hij haar heeft goedgekeurd dan wel betreurd, en in welke mate hij zich met de scherpste antinationale standpunten van de vereniging vereenzelvigde, zodat zijn persoonlijke aandeel hierin omstreden blijft en zich met de thans beschikbare bronnen niet met zekerheid laat vaststellen.
Wat de geschiedschrijver in deze duisternis met enige stelligheid kan zeggen, is niet dat Atıf ﵀ schuldig of onschuldig was aan de daden die zijn vereniging worden aangewreven, maar dat hij een man van geweten was die in een onmogelijke tijd, te midden van een ineenstorting die hij niet had veroorzaakt en die hij niet kon keren, keuzen maakte die voortkwamen uit een oprechte zorg om de godsdienst en de gemeenschap, en dat hij voor die keuzen, terecht of ten onrechte beladen, uiteindelijk met zijn leven zou betalen. De vraag of hij in de strijd tussen İstanbul en Ankara aan de juiste of de verkeerde kant heeft gestaan, is een vraag waarop de geschiedenis verschillende antwoorden heeft gegeven naargelang de zijde van waaruit zij werd geschreven, en het is niet aan de geschiedschrijver om die vraag met een valse stelligheid te beslechten, maar om de lezer de werkelijke onzekerheid voor ogen te stellen en hem te behoeden voor het gemak van de eenvoudige veroordeling zowel als voor het gemak van de eenvoudige verdediging. Wie de man wil verstaan, moet hem laten staan in de schemering waarin hij werkelijk heeft gestaan, en hem niet verlichten met het felle licht van een oordeel dat de bronnen niet dragen.
De man achter het ambt
Wanneer men, met behoud van al deze terughoudendheid, toch tracht de positie van Atıf ﵀ in deze jaren in haar grote lijnen te vatten, dan tekent zich het beeld af van een geleerde die de oude orde van het kalifaat en het godsdienstig bestel was toegedaan, en die in de nationale beweging, althans in haar vroege en ongewisse gedaante, eerder een bedreiging dan een belofte voor die orde meende te zien, een houding die hem niet uitzonderlijk maakte onder de ulama van zijn tijd maar die hem juist verbond met een brede stroming van geleerden die om dezelfde redenen voorzichtig of afwijzend tegenover de beweging in Anatolië stonden. Deze houding was in haar eigen tijd geen verraad in de ogen van wie haar koesterden, maar een verdediging van wat zij als de wettige orde en de godsdienstige plicht beschouwden, en de stempel van verraad werd er pas achteraf op gedrukt, toen de nationale beweging had gezegevierd en de macht had verworven om haar eigen lezing van de gebeurtenissen tot de officiële waarheid te verheffen. En toch zou het een vervalsing van de andere soort zijn de geleerden van de vereniging zonder meer vrij te pleiten, want het is mogelijk, en de eerlijkheid gebiedt deze mogelijkheid te erkennen, dat zij zich, hoe oprecht hun zorg om de godsdienst ook was, in hun oordeel over de nationale beweging hebben vergist, en dat zij een beweging hebben weerstaan die, wat ook haar latere koers zou worden, in deze jaren de verdediging van het Anatolische thuisland op zich nam.
Het gevaar van een episode als deze is dat de mens achter het ambt verdwijnt achter de etiketten die de latere strijd op hem heeft geplakt, en dat men de geleerde niet meer ziet maar enkel nog de partij waartoe men hem rekent, terwijl Atıf ﵀ voor alles een man van de godsdienstige kennis was, geen politicus die naar de macht streefde en geen man die persoonlijk gewin in de verwarring van de tijd zocht, maar een geleerde die zich, tegen zijn aard en zijn levenswandel in, in het brandpunt van een politieke strijd geworpen zag omdat de tijd hem die rol oplegde, en die in die strijd handelde zoals zijn geweten en zijn opvatting van de godsdienst het hem ingaven. Dat dit geweten hem, naar het oordeel van de zegevierende beweging, op een dwaalweg kan hebben gevoerd, doet aan de oprechtheid ervan niet af, en het is juist die oprechtheid, gepaard aan de standvastigheid waarmee hij later voor zijn overtuiging zou sterven, die de eenvoudige veroordeling zo onbevredigend laat; men kan met goede grond menen dat hij zich heeft vergist, en men kan tegelijkertijd met evenveel grond de man eerbiedigen die uit zorg om zijn godsdienst koos zoals hij koos en die de prijs voor zijn keuzen niet ontliep maar droeg. De geschiedschrijver die hem recht wil doen, laat die spanning staan, en hij weerstaat de neiging haar op te lossen in een vroom heiligenbeeld zomin als in een verkettering, want de mens die werkelijk heeft geleefd was groter en raadselachtiger dan beide.
Wat de overwinning van de nationale beweging zou brengen
Terwijl de geleerden van İstanbul in hun bezette stad worstelden met de keuzen die de bezetting hun oplegde, won de nationale beweging in Anatolië gestaag aan kracht, en de jaren die volgden zouden uitwijzen dat de toekomst niet bij de hoofdstad en haar oude orde lag, maar bij de beweging in het binnenland die de bezetter zou verslaan en het thuisland zou behouden. De militaire overwinning van de nationale beweging, bekroond door de verdrijving van de Griekse legers uit West-Anatolië in 1922, veranderde het aanzien van het land in enkele jaren onherkenbaar, en zij bracht aan de macht een leiding die niet de oude orde van het kalifaat en de medreses wilde herstellen, maar die een geheel nieuwe staat voor ogen had, een staat naar het model van het verwesterde en geseculariseerde Europa waarvan de hervormers sinds de Tanzimat hadden gedroomd, maar nu doorgevoerd met een radicaliteit en een vastberadenheid die alle eerdere hervormingen verre overtrof.
Op 29 oktober 1923 werd de Republiek uitgeroepen, en daarmee werd niet enkel een nieuwe staatsvorm afgekondigd maar een nieuw beginsel gevestigd, want de Republiek die uit de overwinning van de nationale beweging voortkwam, zou zich in de jaren die volgden niet tevredenstellen met de verdediging van het thuisland, maar zou zich tot doel stellen de samenleving zelf naar een nieuw, seculier en verwesterd model om te vormen, en in dat program was voor de oude orde van het kalifaat en het godsdienstig onderwijs, de orde die Atıf ﵀ zijn leven lang had gediend en verdedigd, geen plaats meer voorzien. De hervormingen die de Republiek in haar eerste jaren zou doorvoeren, zouden niet langs de geleerden van de oude orde heen gaan maar dwars door hun wereld, en zij zouden de geleerde die zijn leven aan de verheffing van de islam had gewijd niet onberoerd laten maar tot een doelwit maken van een staat die in de openbare aanwezigheid van de oude godsdienstige geleerdheid een hinderpaal voor zijn vernieuwing zag.
Onder de vele maatregelen waarmee de jonge Republiek haar nieuwe orde zou vestigen, zou er één in het bijzonder de man uit İskilip rechtstreeks in zijn lot treffen, en dat was de wet die het dragen van de hoed naar Europees model voorschreef en de oude hoofddeksels van het oude rijk in de ban deed, de Şapka Kanunu of Hoedenwet, die in haar uiterlijke onbeduidendheid een diepe symbolische lading droeg, want zij maakte van een stuk hoofddeksel het zinnebeeld van de overgang van de oude naar de nieuwe wereld. Atıf ﵀ had reeds vóór die wet, in een werk dat hij wettig en met een vergunning van het ministerie had laten verschijnen, zijn bezwaren tegen de navolging van de Europese kleding en in het bijzonder van de hoed uiteengezet, en het zou juist dat werk zijn dat de nieuwe staat tegen hem zou keren toen de Hoedenwet was aangenomen en in het land verzet tegen haar uitbrak. Hoe de geleerde, die de ondergang van het rijk had overleefd en de verwarring van de bezetting had doorstaan, door de secularisatiehervormingen van de Republiek en door zijn eigen geschrift over de hoed tot een doelwit van de nieuwe staat werd, en hoe de weg zich opende die hem uiteindelijk naar de galg in Ankara zou voeren, is het onderwerp van het volgende artikel.
Bronnen
- TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi”, Türkiye Diyanet Vakfı (İstanbul, 2000), pp. 132–135 [de gezaghebbendste academische levensbeschrijving; voor de stichtingsdata van de Cemiyet-i Müderrisîn en de Teâlî-i İslâm Cemiyeti en voor Atıfs ﵀ voorzitterschap].
- Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca, Çorum Belediyesi (Çorum, 2016) [monografie met de İskilipse familie- en biografische gegevens en met het verloop van zijn loopbaan in de jaren van de bezetting].
- Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History, I.B. Tauris (4e druk, 2017), pp. 133–175 [voor de geallieerde bezetting van İstanbul, de opkomst van de nationale beweging in Anatolië, de nationale strijd en de uitroeping van de Republiek in 1923].
- Gotthard Jäschke, “Auf dem Wege zur türkischen Republik”, in Die Welt des Islams, deel 5 (1958), pp. 206–228 [voor de İstanbulse ulama, de Teâlî-i İslâm Cemiyeti en hun omstreden verhouding tot de nationale beweging tijdens de bezetting].
- Stanford J. Shaw & Ezel Kural Shaw, History of the Ottoman Empire and Modern Turkey, deel II, Cambridge University Press (1977), pp. 340–372 [voor de wapenstilstand, de bezetting en de nationale weerstand].
