InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Ballingschap in Sinop
De Helden van Islamİskilipli Mehmed Atıf Hoca

Ballingschap in Sinop

Ballingschap in Sinop

In het voorgaande artikel volgden wij İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀ in de jaren waarin hij, na zijn İstanbulse leerjaren en zijn aanstelling tot müderris aan het Fatih-complex, een gezaghebbende stem was geworden in de moslimpers van de hoofdstad en in 1910 tot inspecteur van de medreses werd benoemd, een ambt dat hem tot in de bestuurlijke kern van het godsdienstig onderwijs voerde en dat hem tegelijkertijd in een groeiende spanning verwikkelde met de mannen die in deze jaren de werkelijke macht in het rijk uitoefenden. Want het rijk waarin hij zijn loopbaan had opgebouwd was niet langer het rijk van zijn jeugd, en de sultan-kalief in İstanbul regeerde sinds de revolutie van 1908 niet meer als de onbetwiste heerser maar als degene wiens gezag van achter de schermen werd geleid door het Comité van Eenheid en Vooruitgang, de partij van de Jong-Turken die het bestuur van het rijk in haar greep had genomen. Atıf ﵀ was een geleerde van onafhankelijke geest, een man die in zijn artikelen en zijn lessen niet bereid was zijn oordeel te plooien naar de wisselende eisen van de heersende kring, en juist die onafhankelijkheid, die in rustiger tijden een sieraad zou zijn geweest, werd hem in de jaren die nu aanbraken tot een gevaar.

Het rijk onder het Comité

Om te begrijpen hoe een geleerde die geen misdaad had begaan en die zich met geen samenzwering had ingelaten, niettemin de weg naar de ballingschap kon worden opgestuurd, moet men zich rekenschap geven van de toestand waarin het Ottomaanse Rijk in de jaren rond 1913 verkeerde. De grondwettelijke revolutie van 1908, die met grote hoop op vrijheid en op herstel was begroet, had niet de bestendige parlementaire orde gebracht die haar voorstanders zich hadden voorgesteld, maar een onrustige periode van factiestrijd, van militaire interventie en van politieke moorden, waarin het Comité van Eenheid en Vooruitgang zijn aanvankelijke positie van invloed achter de schermen geleidelijk verruilde voor een steeds openlijker en steeds harder uitgeoefend gezag. De nederlagen die het rijk in deze jaren onderging, het verlies van Libië aan Italië in 1911 en de ineenstorting van de Ottomaanse positie op de Balkan in de oorlogen van 1912 en 1913, voedden in de hoofdstad een sfeer van crisis en wantrouwen waarin elke tegenstem als een bedreiging kon worden ervaren en waarin de mannen aan de macht steeds minder geneigd waren de fijnzinnigheden van de wet te eerbiedigen wanneer hun eigen positie op het spel stond.

Het keerpunt kwam in de winter van 1913. In januari van dat jaar pleegde een groep officieren onder leiding van de mannen van het Comité een gewelddadige staatsgreep, de zogenoemde bestorming van de Sublieme Porte, waarbij de minister van oorlog werd gedood en de regering met geweld terzijde werd geschoven, zodat het Comité voortaan niet meer slechts de macht achter de troon was maar de openlijke heerser over het rijk. De man die in de maanden daarna als grootvizier het bewind voerde, Mahmud Şevket Paşa, was een militair van aanzien die door het Comité in het zadel was geholpen, maar hij stond niet bij allen in gunst, en zijn positie tussen de verschillende facties was minder zeker dan zijn hoge ambt deed vermoeden.

De moord op Mahmud Şevket Paşa

Op 11 juni 1913 werd Mahmud Şevket Paşa in zijn auto op een plein in İstanbul doodgeschoten, in een aanslag die door tegenstanders van het Comité was beraamd en die het regime de gelegenheid bood waarop het had gewacht, want de moord op de grootvizier was niet enkel een misdaad die gerechtelijk moest worden vervolgd, maar bovenal een politieke kans, en het Comité greep haar met beide handen aan om af te rekenen met de oppositie die het sinds zijn machtsovername had bedreigd. In de weken die volgden ontketende het regime een meedogenloze zuivering, waarbij de werkelijke samenzweerders werden opgespoord, berecht en in een aantal gevallen terechtgesteld, maar waarbij tegelijkertijd, onder de dekmantel van diezelfde samenzwering, een veel ruimere kring van werkelijke en vermeende tegenstanders werd getroffen. Wie het Comité onwelgevallig was, wie een onafhankelijke stem had laten horen, wie in de jaren daarvoor zijn afkeuring had laten blijken van de koers die de heersende partij voer, kon nu, terecht of ten onrechte, met de samenzwering in verband worden gebracht en uit de hoofdstad worden verwijderd.

In zulk een klimaat van angst en vergelding gold het bewijs minder dan het vermoeden, en de scheidslijn tussen schuld en onschuld verschoof naar de willekeur van de machthebbers, want het volstond dat een man verdacht werd geacht om hem de straf van de verbanning op te leggen, ook al ontbrak elk bewijs dat hem met de feitelijke aanslag verbond. Het was de logica van de heersende factie die in deze maanden de plaats van het recht innam, en zij trof, naast de eigenlijke samenzweerders, een reeks mannen wier enige misstap erin had bestaan dat zij hun zelfstandigheid van oordeel hadden bewaard in een tijd waarin het Comité gehoorzaamheid eiste.

Het is van belang in te zien dat dergelijke maatregelen in deze jaren niet de uitzondering maar de regel waren geworden, en dat het regime in zijn omgang met de oppositie een toon had aangeslagen die met de grondwettelijke beloften van 1908 nog maar weinig van doen had. De ulama van de hoofdstad, de geleerden van de medreses en de moskeeën, vormden binnen die oppositie een eigensoortige groep, want zij beschikten niet over wapens of over een leger, maar wel over iets wat het Comité in zekere zin nog meer vreesde, namelijk over het morele gezag dat de moslimbevolking aan de dragers van de godsdienstige kennis toekende, en een geleerde die in zijn artikelen en lessen een onafhankelijk oordeel verkondigde, kon in de ogen van een achterdochtig bewind gevaarlijker zijn dan menig samenzweerder, juist omdat zijn invloed niet met geweld maar met overtuiging werkte. Wie de gebeurtenissen van 1913 wil begrijpen, moet daarom niet enkel naar de aanslag op de grootvizier kijken, maar naar de bredere strijd die in deze jaren werd uitgevochten over de vraag wie in het rijk het laatste woord zou hebben, de heersende politieke factie of de hoeders van de overgeleverde orde, en het was in die strijd dat Atıf ﵀ zich, zonder ooit naar een politiek ambt te hebben gestreefd, aan de verkeerde kant van de macht bevond.

De verbanning van een onschuldige

Tot die ruimere kring van getroffenen behoorde İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀. Hij werd in 1913, in de nasleep van de moord op Mahmud Şevket Paşa, opgepakt en in ballingschap gezonden onder het voorwendsel van een vermeende betrokkenheid bij de samenzwering, een beschuldiging waaraan, naar alles wat de betrouwbaarste bronnen ons melden, geen werkelijke grond ten gronde lag en waarvan hij volkomen onschuldig was. Dat een geleerde van zijn aanzien, die zich nimmer met enige aanslag had ingelaten en wiens leven zich tussen de medrese, de moskee en de redactietafel had afgespeeld, niettemin in het net van de zuivering werd gevangen, laat zich slechts verklaren uit de onafhankelijkheid waarmee hij zich in de voorgaande jaren had opgesteld, want hij was een man wiens stem niet in dienst stond van het Comité en die in zijn geschriften en in zijn ambtelijke positie een gezag vertegenwoordigde dat de heersende kring liever buiten de hoofdstad zag dan binnen haar muren.

De vorm waarin hem dit lot werd opgelegd was die van de bestuurlijke verbanning, een instrument dat het regime in deze jaren met grote regelmaat hanteerde en dat geen veroordeling door een onpartijdige rechter veronderstelde, maar dat als een maatregel van bestuur kon worden uitgevaardigd, een verwijdering van de onwelgevallige uit het centrum van de macht naar een afgelegen oord waar hij geen schade meer kon berokkenen. Het was een straf die haar slachtoffer niet in een kerker wierp maar hem evenmin vrijliet, een verbanning naar de rand van het bestuurlijke leven waar hij onder toezicht stond en waar het hem ontbrak aan de vertrouwde kring van zijn leerlingen, zijn collega’s en zijn lezers, en zij trof, juist omdat zij zonder vorm van proces werd opgelegd, de geleerde die in de wet en in het bewijs zijn houvast zocht, in het hart van zijn rechtsgevoel.

Waar de ballingschap zich voltrok

Over de plaats waar Atıf ﵀ deze ballingschap heeft doorgebracht, lopen de overleveringen uiteen, en de eerlijkheid gebiedt deze onzekerheid niet te verhullen maar haar openlijk te benoemen. De volkse herinnering, en in het bijzonder de vrome traditie van İskilip die zijn nagedachtenis koestert, verbindt zijn ballingschap met Sinop, de oude havenstad aan de Zwarte Zee op het noordelijkste punt van het Anatolische schiereiland, en het is onder die naam dat de episode in een deel van de overlevering is doorgegeven. De gezaghebbendste academische levensbeschrijving echter, het lemma van de TDV İslâm Ansiklopedisi, plaatst de verbanning van 1913 niet in Sinop maar in het binnenland van zijn eigen geboorteprovincie en omgeving, namelijk in Çorum, Boğazlıyan en Sungurlu, plaatsen die in het hart van Centraal-Anatolië liggen en niet aan de kust. De overlevering verbindt zijn ballingschap dus met Sinop, al plaatst de gezaghebbendste levensbeschrijving haar in Çorum, Boğazlıyan en Sungurlu, en met zekerheid laat dit zich vandaag niet meer vaststellen.

De geschiedschrijver die zijn vak ernstig neemt, kan hier niet anders dan beide overleveringen naast elkaar laten staan en de lezer niet bedriegen met een schijnzekerheid waar de bronnen haar niet toelaten. Het is niet ondenkbaar dat de twee tradities op verschillende fasen of op verschillende verblijfplaatsen van eenzelfde verbanningsperiode teruggaan, of dat de ene de naam van een nabijgelegen of beter bekend oord aan de herinnering heeft toegevoegd, maar wie eerlijk wil blijven moet erkennen dat het bronnenmateriaal ons hier geen sluitend antwoord verschaft. Wat wij met meer zekerheid kunnen zeggen, betreft niet de plaats maar de aard van de beproeving, want of zij zich nu in een havenstad aan de Zwarte Zee voltrok dan wel in de binnenlandse stadjes van zijn geboortestreek, het wezen van de verbanning bleef hetzelfde: de gedwongen verwijdering van een geleerde uit het midden van zijn werk, opgelegd zonder eerlijk proces en gedragen, naar alles wat de overlevering meldt, met een standvastigheid die hem niet verliet.

De standvastigheid in de beproeving

Wat een man in de afzondering van een verbanning werkelijk heeft gedacht en doorleefd, behoort tot de verborgen zaken die de geschiedschrijver slechts met grote behoedzaamheid mag benaderen, en het zou een vorm van geschiedvervalsing zijn de eenzame maanden van Atıf ﵀ op te vullen met taferelen die de bronnen ons niet hebben nagelaten. Wat de overlevering ons wel met enige stelligheid meldt, is dat hij de beproeving heeft gedragen zonder zijn waardigheid te verliezen en zonder af te wijken van de toewijding die heel zijn leven had bepaald, want de man die in de medrese had geleerd dat de kennis van de godsdienst een toevertrouwd pand is dat men ongeschonden behoort door te geven, was niet de man om door een onrechtvaardige verbanning in zijn overtuiging te worden geschokt. Zijn vroomheid had nooit de uiterlijke beschutting van zijn omstandigheden nodig gehad om zich staande te houden, en juist daarom kon de verbanning, hoe zwaar zij ook woog, hem niet ontnemen wat hij in zichzelf droeg.

Voor een geleerde wiens hele bestaan zich tot dan toe in het gezelschap van zijn boeken, zijn leerlingen en zijn medegeleerden had afgespeeld, moet de afzondering een zware last zijn geweest, want zij ontnam hem niet alleen zijn vrijheid van beweging maar ook het dagelijkse weefsel van zijn werk, de kring van studenten rond zijn lessenaar, de wisseling van gedachten met zijn collega’s en het contact met de lezers die zijn artikelen in de moslimpers volgden. En toch leert de wijze waarop hij later, onder een nog hardere beproeving, zijn standvastigheid zou bewaren, dat de afzondering hem niet had verbitterd noch gebroken, maar dat zij veeleer de innerlijke gerichtheid had bevestigd die hij van zijn İskilipse leerjaren af met zich had meegedragen, het besef dat de mens zijn houvast niet moet zoeken in de toevallige beschutting van zijn omstandigheden maar in datgene wat geen macht hem ontnemen kan. Het is in dat licht dat zijn verbanning niet enkel als een onderbreking van zijn loopbaan moet worden gezien, maar als een vroege beproeving waarin de geleerde de smaak leerde kennen van het onrecht dat hij later, tot in de uiterste consequentie, zou weigeren te erkennen.

Het is hier op zijn plaats een misverstand uit de weg te ruimen dat in een deel van de latere overlevering is binnengeslopen, namelijk de bewering dat Atıf ﵀ zijn beroemde werk over de navolging van de Europeanen en de hoed gedurende deze ballingschap zou hebben geschreven. Die voorstelling is onjuist, want het bedoelde boek, Frenk Mukallidliği ve Şapka, is pas in 1924 verschenen, ruim een decennium na de verbanning van 1913 en in een geheel andere fase van zijn leven, toen het oude rijk niet meer bestond en de jonge Republiek haar eigen koers had ingeslagen; de verbanning van 1913 en het boek van 1924 behoren tot twee verschillende tijdvakken die men niet in elkaar mag schuiven. Wat hij in de jaren van zijn verbanning heeft overdacht of voorbereid, onttrekt zich aan onze kennis, en het past de geschiedschrijver beter dit eerlijk te erkennen dan een verband te smeden dat de feiten niet dragen.

De rechtvaardiging en de terugkeer

De verbanning van Atıf ﵀ duurde niet de lange jaren die een deel van de volkse overlevering haar later heeft toegedicht, maar ongeveer anderhalf jaar, en zij eindigde zoals zij naar recht had behoren te eindigen, met zijn rechtvaardiging, want na verloop van tijd werd vastgesteld wat van de aanvang af de waarheid was geweest, namelijk dat hij ten onrechte van betrokkenheid bij de samenzwering was beschuldigd, en hij werd officieel van de aantijging gezuiverd en uit zijn ballingschap teruggeroepen. De beschuldiging die hem was aangewreven viel uiteen zodra zij aan een werkelijk onderzoek werd onderworpen, en de man die op een vermoeden uit de hoofdstad was verwijderd, keerde als een gerechtvaardigde naar haar terug.

Toch was de rechtvaardiging niet de eenvoudige herstelling van het onrecht die men zich zou wensen, want de tijd die verloren was gegaan keerde niet terug, en de ervaring van een verbanning zonder proces, opgelegd door een regime dat het bewijs ondergeschikt maakte aan zijn eigen belang, liet zich niet uitwissen door een latere erkenning van de onschuld. Atıf ﵀ had aan den lijve ondervonden waartoe een staat in staat is die de macht boven het recht stelt, en die ervaring, opgedaan in de jaren van het Comité, zou een onuitwisbaar deel van zijn levensbesef vormen wanneer hij later, onder een nieuw en nog radicaler bewind, opnieuw voor de keuze tussen zijn overtuiging en zijn veiligheid zou komen te staan. De geleerde die in 1926 liever de strop koos dan de verloochening van zijn geweten, had reeds in 1913 ervaren hoe weinig een onschuldig man te verwachten heeft van een regime dat in hem een tegenstander ziet.

De grote oorlog en de ondergang van het rijk

Nauwelijks was Atıf ﵀ uit zijn ballingschap teruggekeerd, of het rijk werd door een ramp van een geheel andere orde overvallen, een ramp die niet enkele mannen trof maar het bestaan van de Ottomaanse staat zelf op het spel zou zetten. In de zomer van 1914 brak in Europa de oorlog uit die later de Eerste Wereldoorlog zou worden genoemd, en het Ottomaanse Rijk, door het Comité aan de zijde van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije in het conflict getrokken, werd in het najaar van dat jaar meegesleurd in een strijd op leven en dood, zodat de moslims van Anatolië en van de Arabische gewesten zich opnieuw, en op een schaal die alle voorgaande nederlagen overtrof, in een oorlog gewikkeld zagen die hun krachten tot het uiterste zou vergen. De strijd die volgde was voor het rijk een aaneenschakeling van fronten en van offers die de bevolking uitputte, van de bergpassen van de Kaukasus waar een Ottomaans leger in de winterkou ten onder ging, tot de woestijnen van Mesopotamië en de zandvlakten van Sinaï en Palestina, en tot het schiereiland Gallipoli, waar het rijk in 1915 en 1916 weliswaar een verdedigende overwinning behaalde maar tegen een prijs aan mensenlevens die het zich niet kon veroorloven.

Voor de gewone moslim van het rijk betekenden deze jaren honger, verlies en een eindeloze opeenvolging van mobilisaties die de mannen uit de dorpen en de steden naar de verre fronten zogen, vanwaar velen niet terugkeerden, terwijl de achterblijvers met de schaarste, de geldontwaarding en de onzekerheid van een rijk in oorlog moesten zien te leven. De staat die zich in de Tanzimat naar Europees model had willen vernieuwen, en die in het Comité een leiding had gekregen die het rijk met harde hand de moderne tijd wilde binnenvoeren, bracht zijn onderdanen niet de kracht en de welvaart die de hervormers hadden voorgespiegeld, maar voerde hen in een wereldoorlog die de uitputting van een eeuw in enkele jaren samenbalde.

De ineenstorting en de wapenstilstand van Mudros

Tegen het najaar van 1918 was de uitkomst niet meer te keren, want de bondgenoten van het rijk bezweken een voor een, de fronten in het Midden-Oosten waren ingestort, en de legers die het rijk in de voorgaande jaren met zoveel offers op de been had gehouden, waren uitgeput, gedecimeerd en niet langer in staat de verdediging vol te houden. Op 30 oktober 1918 ondertekenden de Ottomaanse vertegenwoordigers aan boord van een Brits oorlogsschip in de haven van Mudros op het eiland Lemnos de wapenstilstand die een einde maakte aan de Ottomaanse deelname aan de oorlog, en de voorwaarden van die overeenkomst lieten aan duidelijkheid niets te wensen over, want zij verleenden de overwinnende mogendheden het recht de strategische punten van het rijk te bezetten en lieten de verslagen staat goeddeels overgeleverd aan de genade van haar tegenstanders.

Wat de wapenstilstand van Mudros in de praktijk betekende, werd in de weken en de maanden daarna in de hoofdstad zelf zichtbaar, want İstanbul, de oude zetel van het kalifaat en het hart van de soennitische moslimwereld, kwam onder de schaduw van de geallieerde bezetting te liggen, met vreemde oorlogsschepen voor anker in de Bosporus en vreemde troepen in haar straten. Het rijk dat in 1875, het jaar van Atıfs ﵀ geboorte, zich nog over drie werelddelen had uitgestrekt en wiens sultan de titel van kalief van alle moslims had gedragen, was in 1918 teruggebracht tot een verslagen en bezette staat wier voortbestaan zelf in twijfel stond, en de moslims van het rijk zagen zich geconfronteerd met de mogelijkheid dat de eeuwenoude orde waaronder zij hadden geleefd, geheel zou worden weggevaagd. Het was in deze duistere ure, met de vijand in de hoofdstad en de toekomst van het kalifaat ongewis, dat de geleerden van İstanbul zich gedrongen voelden zich aaneen te sluiten.

Wat de bezetting van İstanbul opriep

Toen Atıf ﵀ na de wapenstilstand van Mudros de balans opmaakte van de jaren die achter hem lagen, kon hij terugzien op een leven dat de hele neergang van het rijk had meebeleefd, van de verre nederlagen op de Balkan in zijn jonge jaren tot de bezetting van de hoofdstad in zijn rijpere leeftijd, en hij had die neergang niet als een verre toeschouwer aanschouwd maar haar in zijn eigen lot ondervonden, in de onrechtvaardige verbanning van 1913 die hem had geleerd hoe een staat het recht aan zijn belang ondergeschikt maakt, en in de wereldoorlog die de gemeenschap waartoe hij behoorde tot op het bot had uitgemergeld. De stad waarin hij was teruggekeerd en waarin hij zijn werk had hervat, was niet meer de zelfverzekerde hoofdstad van weleer maar een bezette stad onder vreemde wapens, en de orde die hij zijn leven lang had gediend, het kalifaat en het godsdienstig onderwijs dat ermee verbonden was, verkeerde in een gevaar dat geen van de eerdere crises had geëvenaard.

Het is de eer van de geleerden van İstanbul geweest dat zij in deze ure van vernedering niet bij de pakken zijn gaan neerzitten, maar dat zij, juist omdat de staat die hen had gedragen verlamd en bezet was, zelf de verantwoordelijkheid op zich namen om de zaak van de islam en van de moslimgemeenschap te behartigen, want wanneer de wereldlijke macht wegvalt of in vreemde handen geraakt, valt de last van de leiding terug op de schouders van de ulama, de erfgenamen van de profeten in de overdracht van de kennis, en het was uit dat besef, en uit de noodzaak van het uur, dat de geleerden van de hoofdstad zich begonnen te verenigen in een gezelschap dat hun stem zou bundelen en hun werk zou ordenen.

In het begin van 1919, met de vijand voor anker in de Bosporus en het lot van het rijk in de weegschaal, ontstond in İstanbul de vereniging van de geleerden waarin Atıf ﵀ een leidende rol zou gaan vervullen, een gezelschap dat zich ten doel stelde de islam te verheffen en te verdedigen in een tijd waarin alles wat de moslims dierbaar was bedreigd leek. Hoe deze vereniging ontstond, welke koers zij in de woelige jaren van de bezetting en van de nationale strijd voer, en hoe Atıf ﵀ aan het hoofd ervan kwam te staan in een tijd waarin elke keuze zware gevolgen droeg, is het onderwerp van het volgende artikel. Daar zullen wij de geleerde die uit zijn ballingschap was teruggekeerd, volgen op de weg die hem van de redactietafel en de medrese naar de voorste linie van de geestelijke strijd van zijn tijd zou voeren, en waarop de standvastigheid die hij in de beproeving van 1913 had getoond, opnieuw, en zwaarder dan tevoren, op de proef zou worden gesteld.

Bronnen

  • TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi”, Türkiye Diyanet Vakfı (İstanbul, 2000), pp. 132–135 [de gezaghebbendste academische levensbeschrijving; plaatst de ballingschap van 1913 in Çorum, Boğazlıyan en Sungurlu].
  • Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca, Çorum Belediyesi (Çorum, 2016) [monografie met de İskilipse familie- en biografische gegevens, waarin ook de volkse Sinop-overlevering doorklinkt].
  • Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History, I.B. Tauris (4e druk, 2017), pp. 95–137 [voor de moord op Mahmud Şevket Paşa, het bewind van het Comité, de Eerste Wereldoorlog en de wapenstilstand van Mudros].
  • Stanford J. Shaw & Ezel Kural Shaw, History of the Ottoman Empire and Modern Turkey, deel II, Cambridge University Press (1977), pp. 289–322 [voor de Ottomaanse deelname aan de Eerste Wereldoorlog en de ineenstorting van 1918].
  • Feroz Ahmad, The Young Turks: The Committee of Union and Progress in Turkish Politics 1908–1914, Oxford University Press (1969), pp. 121–158 [voor de staatsgreep van 1913 en de zuiveringen na de moord op Mahmud Şevket Paşa].
واللّٰه أعلم

Sources

Hoofdbronnen: TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi” (Türkiye Diyanet Vakfı, 2000); Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca (Çorum Belediyesi, 2016); İskilipli Mehmed Âtıf, Frenk Mukallidliği ve Şapka (1924); Mustafa Armağan, Şapka Davası ve İskilipli Atıf Hoca (Bilim ve Kültür, 2008); Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History (I.B. Tauris, 4e druk 2017); Niyazi Berkes, The Development of Secularism in Turkey (McGill UP, 1964); Bernard Lewis, The Emergence of Modern Turkey (Oxford UP, 3e druk 2002); Stanford J. Shaw & Ezel Kural Shaw, History of the Ottoman Empire and Modern Turkey (Cambridge UP, 1977); Andrew Mango, Atatürk (John Murray, 1999); Ergün Aybars, İstiklâl Mahkemeleri (Bilgi Yayınevi, 1975).