InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Inspectoraat van Medreses
De Helden van Islamİskilipli Mehmed Atıf Hoca

Inspectoraat van Medreses

Inspectoraat van Medreses

In het voorgaande artikel volgden wij Atıf ﵀ in de jaren waarin hij als müderris aan het Fatih-complex de leerstoel had aanvaard en de overgeleverde wetenschappen aan een nieuwe kring van leerlingen doorgaf, en wij zagen hoe hij de omwenteling van 1908, toen de Jonge Turken het herstel van de grondwet afdwongen en sultan Abdülhamid II tot het terugroepen van het parlement noopten, met een geleerde behoedzaamheid had gadegeslagen, niet als een man die zich in de straatvreugde van het ogenblik liet meeslepen, maar als een geleerde die in de juichende leuzen van vrijheid en vooruitgang reeds de vraag bespeurde wat er van de overgeleverde islam in het herziene rijk zou overblijven. Met die behoedzaamheid in zijn hart trad hij de jaren binnen die thans aan de orde zijn, want kort na de omwenteling werd de müderris uit zijn vertrouwde collegezaal weggeroepen naar een taak van een geheel andere aard, een taak die hem niet langer enkel met zijn leerlingen maar met het hele bouwwerk van het religieuze onderwijs van het rijk in aanraking bracht. Omstreeks het jaar 1910 werd Atıf ﵀ tot inspecteur van de medresen aangesteld, en met die aanstelling verschoof het zwaartepunt van zijn leven van de lessenaar naar het bestuur, van het doorgeven van de kennis naar het waken over de instelling waarin die kennis werd doorgegeven, in een tijd waarin juist die instelling onder een druk stond zoals zij in eeuwen niet had gekend.

Van de lessenaar naar het bestuur

Het ambt van medrese-inspecteur was er een dat in de aard der zaak een geleerde van naam vereiste, want wie de leerhuizen van het rijk moest overzien en op hun gehalte beoordelen, behoorde zelf de wetenschappen te beheersen die er werden onderwezen en de keten van de overlevering van binnenuit te kennen, zodat hij niet als een vreemde ambtenaar maar als een geleerde onder geleerden over het peil van het onderricht kon oordelen. Dat de keuze omstreeks 1910 op Atıf ﵀ viel, is in dat licht geen toeval, want hij verenigde in zijn persoon de oude bevoegdheid van de medrese, die hij omstreeks 1902 met zijn icazet en zijn ruûs had verworven, met de moderne vorming van de Darülfünun, waaraan hij in 1905 was afgestudeerd, zodat hij bij uitstek de man was die de overgeleverde leerwijze kon toetsen met het oog van iemand die haar had doorleefd, terwijl hij tegelijk de eisen van de moderniserende staat kende en wist hoe het hervormingsdenken over het onderwijs sprak.

Wat dit inspectoraat in de dagelijkse praktijk inhield, moet men zich niet voorstellen naar het beeld van een moderne onderwijsinspectie met haar formulieren, haar meetlatten en haar verslagen, maar veeleer als het toezicht van een gezaghebbend geleerde op het reilen en zeilen van de leerhuizen die onder zijn rechtsgebied vielen. De inspecteur had zich rekenschap te geven van het onderwijs dat in de medresen werd gegeven, van de bekwaamheid van hen die er onderwezen, van de teksten die er werden gelezen en de wijze waarop de leerlingen werden gevormd, en hij behoorde toe te zien dat het peil van de overgeleverde wetenschappen niet verviel en dat het leerhuis bleef beantwoorden aan de roeping die het van oudsher had vervuld. Over de precieze omvang van het gebied dat hem werd toevertrouwd en over de reizen die het ambt van hem vergde laten de bronnen ons geen nauwkeurig bestek na, en het zou onzorgvuldig zijn daar grootse rondreizen door de provinciën van het rijk van te maken; men kan in alle voorzichtigheid niet meer zeggen dan dat zijn taak hem buiten de muren van de enkele leerzaal voerde en hem het hele bestel van het religieuze onderwijs onder ogen bracht, met al de gebreken en al de noden die dat bestel in deze jaren vertoonde.

De medrese onder druk

Om te beseffen welk een veelbetekenende taak dit inspectoraat in deze bepaalde jaren was, moet men zich rekenschap geven van de toestand waarin het medresewezen in het laat-Ottomaanse rijk verkeerde, want de leerhuizen die Atıf ﵀ moest overzien waren niet de bloeiende, zelfverzekerde instellingen die zij in de grote eeuwen van het rijk waren geweest, maar instellingen die in het defensief waren gedrongen en wier plaats in de samenleving van jaar tot jaar smaller werd. Sinds de Tanzimat had het rijk een tweede, parallel stelsel van moderne staatsscholen opgebouwd dat de jeugd opleidde voor de loopbanen van het moderniserende ambtelijke apparaat, het leger en de nieuwe rechtbanken, en die nieuwe scholen trokken een toenemend deel van de begaafde jongeren naar zich toe, terwijl de medrese, die voorheen de vanzelfsprekende weg naar aanzien en ambt was geweest, steeds meer tot de instelling van een afzonderlijke en in invloed afnemende stand werd teruggedrongen.

Daarbij kwam dat de medresen zelf in deze jaren met innerlijke gebreken te kampen hadden die ook de meest toegewijde verdedigers van het overgeleverde onderwijs niet konden ontkennen, want de leerwijze was op vele plaatsen verstard, het onderricht beperkte zich niet zelden tot het herkauwen van de overgeleverde handboeken zonder de oorspronkelijke kracht waarmee zij eens waren gelezen, en de toestroom van leerlingen die in de medrese eerder een onderkomen en een vrijstelling van de militaire dienstplicht dan een roeping tot de kennis zochten, drukte op het peil van het geheel. Het was juist deze tweeledige nood, de uiterlijke druk van de moderne staatsschool en het innerlijke verval van de leerwijze zelf, die de roep om een hervorming van het medrese-onderwijs in deze jaren luider deed klinken, en het was te midden van die roep dat Atıf ﵀ zijn inspectoraat aanvaardde.

De geleerde als pleitbezorger van de hervorming

Men zou Atıf ﵀ grondig verkeerd verstaan wanneer men zich hem in deze jaren voorstelde als een behoeder van het overgeleverde die de medrese onveranderd wenste te bewaren en die in iedere hervorming een aanslag op de heilige overlevering bespeurde, want de man die zich aan de moderne universiteit had ingeschreven en die de nuttige kennis van de nieuwe tijd zonder vrees had aanvaard, was bij uitstek toegerust om in te zien dat de medrese, wilde zij haar roeping in de moderne wereld blijven vervullen, niet bij het oude kon blijven staan. Zijn houding tegenover het leerhuis was dezelfde als zijn houding tegenover de wetenschap en de techniek van Europa, namelijk dat men het nuttige nieuwe gerust kon aanvaarden zolang men de grondslag van het overgeleverde niet prijsgaf, en in die geest behoorde hij tot de stem die een vernieuwing van het medrese-onderwijs bepleitte, niet om de medrese in een staatsschool te veranderen, maar om haar de kracht en de waardigheid terug te geven die zij in haar verval had verloren.

De hervorming die hem en de geleerden die met hem dachten voor ogen stond, was er een die de medrese van binnenuit wilde verbeteren, door het peil van het onderwijs te verhogen, de leerwijze te ontdoen van haar verstarring en de leerstof te ordenen op een wijze die de leerling werkelijk tot een bekwaam geleerde vormde in plaats van hem in een eindeloze herhaling van handboeken te laten verzanden, en die tevens, waar dit zonder schade aan de grondslag mogelijk was, de nuttige kennis van de moderne tijd in het leerplan een plaats wilde geven. Het was een hervorming die de medrese niet wilde afschaffen maar redden, en juist daarin onderscheidde de houding van Atıf ﵀ zich scherp van die van de moderniserende vleugel die in het hele medresewezen niet meer dan een overblijfsel van een voorbije tijd zag dat men het best zo spoedig mogelijk kon opheffen. Tussen die twee uitersten, het behoud van het verstarde oude en de afschaffing van het overgeleverde geheel, trachtte hij de smalle weg te banen die de overgeleverde kennis door een verstandige vernieuwing voor de toekomst wilde bewaren, en die ondankbare middenpositie zou, zoals zo vaak in zijn leven, hem door beide zijden met argwaan doen bekijken.

Het waken over de keten van de overlevering

Achter het bestuurlijke toezicht dat het inspectoraat hem oplegde, ging voor Atıf ﵀ een diepere zorg schuil die met de eigenlijke aard van de religieuze kennis te maken had, want de medrese was in zijn ogen niet enkel een school onder de scholen maar de instelling waarin de keten van de overlevering werd voortgezet, de keten die de geleerden van zijn dagen, schakel na schakel, met de Metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ en daarmee met de openbaring zelf verbond. Het verval van de medrese was daarom in zijn ogen niet enkel het verval van een onderwijsinstelling, dat men met bestuurlijke maatregelen kon verhelpen, maar de bedreiging van de wijze waarop de gemeenschap haar diepste kennis van het ene geslacht aan het volgende doorgaf, en wie de medrese liet verkommeren of haar zonder onderscheid aan de geest van de nieuwe tijd uitleverde, bracht daarmee de overdracht zelf in gevaar.

In die zin was het toezicht dat hij uitoefende voor hem geen ambtelijke routine maar een geestelijke verantwoordelijkheid, en het is in dat besef dat men de ernst moet zoeken waarmee hij zijn taak vervulde. De medrese die hij overzag was de instelling die hem zelf had gevormd, eerst in het bescheiden Caca Bey-leerhuis van zijn geboortestad İskilip en daarna in de eerbiedwaardige leerzalen van het Fatih-complex, en wanneer hij thans over de medresen waakte, waakte hij over de instelling waaraan hij alles te danken had en die hem het toevertrouwde pand van de kennis in handen had gegeven. Het is geen overdrijving te zeggen dat hij in dit ambt zijn levenshouding metterdaad in praktijk bracht, want hij stelde zich in dienst van de instelling die hij wilde behoeden en vernieuwen tegelijk, in de stellige overtuiging dat de overgeleverde kennis een vorm en een vat behoeft om door de tijden te worden gedragen, en dat het verval van dat vat het verlies van de kennis zelf zou betekenen.

De pen in dienst van de moslimpers

Naast en deels door zijn inspectoraat ontvouwde zich in deze jaren een tweede bedrijvigheid waarin de geleerde uit İskilip zich tot een veel breder gehoor richtte dan de kring van zijn leerlingen of de leerhuizen onder zijn toezicht, want in de jaren na de omwenteling van 1908, toen de herstelde persvrijheid een stortvloed van bladen en tijdschriften over het rijk had doen losbreken, nam hij de pen op en mengde zich in de grote debatten die in de moslimpers van zijn dagen met hartstocht werden gevoerd. De omwenteling had de censuur die onder Abdülhamid II op de pers had gedrukt voor een tijd verlicht, en in de ruimte die daardoor ontstond verschenen tal van periodieken waarin de vraag naar de toekomst van het rijk, naar de verhouding tussen de islam en de moderne wereld en naar de wegen die de moslimgemeenschap te midden van haar crisis had te gaan, met grote felheid werd besproken, en het was in die ruimte dat Atıf ﵀ zijn stem liet horen.

Hij droeg in deze jaren bij aan bladen die tot de belangrijkste van de islamitisch gezinde pers behoorden, en zijn naam is in het bijzonder verbonden met de tijdschriften Sebîlürreşâd en Beyânülhak, twee periodieken waarin de geleerden en de denkers die de overgeleverde islam in de moderne tijd wilden verdedigen en doordenken hun opvattingen aan een lezerspubliek voorlegden. In de kolommen van die bladen werd niet de lichte stof van het dagelijkse nieuws behandeld, maar werden de grote vragen van het tijdvak gewogen, de vraag hoe de moslimgemeenschap zich tegen de overmacht van het oprukkende Europa had te verweren, de vraag in hoeverre men de wegen van de westerse beschaving kon overnemen zonder de eigen ziel prijs te geven, en de vraag welke plaats de overgeleverde religieuze kennis in het herziene rijk behoorde te behouden. Het waren juist deze vragen die het hart van Atıfs ﵀ denken raakten, en de moslimpers bood hem het podium waarop hij het tweeledige standpunt dat hij in zijn vorming had verworven, de aanvaarding van het nuttige nieuwe en de weigering van de geestelijke navolging, voor een breed gehoor kon uiteenzetten.

Het slagveld van de woorden

Men moet zich de moslimpers van deze jaren voorstellen als een slagveld waarop de uiteenlopende stromingen van de laat-Ottomaanse moslimwereld met de woorden om de ziel van het rijk streden, want naast de bladen die de overgeleverde islam verdedigden bestonden er bladen die het heil van het rijk in een zo volledig mogelijke verwestersing zochten, en bladen die een Turks nationaal bewustzijn boven de godsdienstige eenheid van het rijk stelden, zodat de lezer die deze periodieken volgde getuige was van een debat waarin de grondslagen van de samenleving zelf ter discussie stonden. In dat debat koos Atıf ﵀ welbewust de zijde van hen die de overgeleverde islam als de levende grondslag van de gemeenschap wilden bewaren, niet uit een blinde gehechtheid aan het verleden, maar uit de overtuiging dat een gemeenschap die haar geestelijke grondslag prijsgaf in ruil voor de uiterlijke vormen van een vreemde beschaving haar eigen ondergang voorbereidde.

Het is veelzeggend dat hij de pen opnam in juist dezelfde jaren waarin hij over de medresen waakte, want het schrijven voor de moslimpers en het toezicht op het religieuze onderwijs waren in zijn ogen twee gedaanten van eenzelfde zorg, te weten de zorg om de overgeleverde kennis en de levende grondslag van de gemeenschap door een tijd van crisis heen te dragen. Met zijn inspectoraat waakte hij over de instelling waarin die kennis werd doorgegeven, en met zijn pen verdedigde hij de denkbeelden waarvan die kennis de drager was, en in beide gevallen stelde hij zich in dienst van een gemeenschap waarvan hij meende dat zij van binnenuit werd uitgehold door een navolging van het vreemde die zich als vooruitgang voordeed. Het was hetzelfde onderscheid tussen het werktuig dat men leent en de ziel die men behoudt dat hij in zijn universiteitsjaren had gescherpt, en het zou in de jaren die volgden, in zijn geschriften en uiteindelijk in het boek waarom hij zou worden veroordeeld, steeds nadrukkelijker worden uitgesproken.

Het Comité van Eenheid en Vooruitgang

De jaren waarin Atıf ﵀ zijn inspectoraat bekleedde en voor de moslimpers schreef, waren de jaren waarin de werkelijke macht in het rijk niet langer bij de sultan maar bij het Comité van Eenheid en Vooruitgang berustte, de İttihat ve Terakki, de beweging van de Jonge Turken die met de omwenteling van 1908 het herstel van de grondwet had afgedwongen en die zich in de jaren daarna geleidelijk tot de heersende macht in de staat ontwikkelde. Het Comité was uit de geheime kringen van ontevreden officieren en ambtenaren voortgekomen die het bewind van Abdülhamid II als de oorzaak van het verval van het rijk hadden beschouwd, en het had zich het herstel van de grondwet en de redding van het rijk door de modernisering ten doel gesteld, maar achter de leuzen van vrijheid, gelijkheid en broederschap waarmee het zijn omwenteling had begeleid, ging een beweging schuil die zich van jaar tot jaar steviger van de macht meester maakte en die voor de tegenspraak van wie haar koers niet deelde steeds minder ruimte liet.

Het waren juist deze twee trekken van het Comité, zijn moderniserende drift en zijn toenemende onverdraagzaamheid, die de verhouding tussen de heersende macht en een geleerde als Atıf ﵀ van meet af aan met spanning beladen maakten. De moderniserende drift van het Comité richtte zich met voorliefde op de instellingen van het overgeleverde religieuze leven, die het als overblijfselen van een achterhaalde orde beschouwde welke het rijk in zijn vooruitgang belemmerden, en in die houding lag een bedreiging besloten voor juist de wereld waarvan Atıf ﵀ de behoeder was. Tegelijk maakte de toenemende onverdraagzaamheid van het Comité, dat na de roerige jaren die op 1908 volgden in 1913 door een staatsgreep de onbeperkte macht in handen nam, het uiten van een afwijkende stem tot een hachelijke onderneming, want de heersers van het rijk waren steeds minder bereid de zelfstandige stem van een geleerde te dulden die niet bereid was zich aan hun koers te onderwerpen.

De argwaan jegens de zelfstandige geleerde

Tussen het Comité en de geleerden die de overgeleverde islam verdedigden bestond een diepe en in de aard van beide partijen gewortelde argwaan, want het Comité wantrouwde iedere macht die het niet beheerste, en de zelfstandige geleerde, die zijn gezag niet aan de staat maar aan de keten van de overlevering en aan het vertrouwen van de gemeenschap ontleende, was zulk een macht die zich niet zonder meer liet inlijven. Voor de heersers van het rijk was een geleerde die in de moslimpers zijn eigen oordeel over de toekomst van de gemeenschap uitsprak en die over het religieuze onderwijs een eigen, niet door de staat voorgeschreven opvatting koesterde, geen geruststellende maar een verontrustende verschijning, en naarmate het Comité zijn greep op de staat verstevigde, werd de ruimte waarin zulk een geleerde zich vrij kon bewegen smaller.

Atıf ﵀ behoorde tot dat geslacht van geleerden dat zich noch door de behoudende geslotenheid noch door de moderniserende drift liet meeslepen, en juist die zelfstandige middenpositie maakte hem in de ogen van de heersende macht verdacht, want hij was niet de man die men met een ambt of een gunst tot zwijgen kon brengen, en evenmin de man die men als een verstokte achterblijver kon afdoen, daar hij de moderne wetenschap immers met open vizier had aanvaard. Hij was, met andere woorden, de moeilijkste soort tegenstander die een heersende macht zich kan denken, een geleerde van naam die de moderne tijd kende en niet vreesde, maar die de geestelijke grondslag van de gemeenschap niet wenste prijs te geven, en het is in die hoedanigheid dat hij de groeiende argwaan van het Comité over zich afriep, een argwaan die hem in 1913 voor het eerst met volle kracht zou treffen.

De ramp van de Balkanoorlogen

Terwijl Atıf ﵀ in deze jaren over de medresen waakte en voor de moslimpers de zaak van de overgeleverde islam bepleitte, werd het rijk getroffen door een ramp die de hele toon van het tijdvak verduisterde en die de debatten in de pers en de zorgen van de geleerden met een diep besef van gevaar doortrok, want in het najaar van 1912 brak de Eerste Balkanoorlog uit, waarin een verbond van de Balkanstaten zich tegen het Ottomaanse Rijk keerde en het in een reeks veldslagen een verpletterende nederlaag toebracht. In het bestek van enkele maanden verloor het rijk vrijwel zijn gehele Europese grondgebied, de oude kerngewesten op de Balkan die het sinds eeuwen had bezeten, en de Ottomaanse legers werden teruggeworpen tot vlak voor de poorten van İstanbul zelf, zodat de hoofdstad van het rijk plotseling de vluchtelingen en de gewonden van een ineengestort front binnen haar muren zag stromen.

De omvang van de ramp laat zich nauwelijks overdrijven, want de Balkangewesten waren niet enkel een uithoek van het rijk maar de oude wieg van de Ottomaanse macht, en met hun verlies zag het rijk een deel van zijn geschiedenis en van zijn zelfbesef wegglijden, terwijl de moslimbevolking van de verloren gebieden in groten getale en onder vreselijke ontberingen naar het krimpende kerngebied vluchtte, zoals de moslims van de Balkan dat reeds in de oorlog van 1877 hadden gedaan. Toen in 1913 de Tweede Balkanoorlog uitbrak, waarin de overwinnaars onderling om de buit slaags raakten en het rijk een deel van het verlorene kon heroveren, was de slag reeds toegebracht en de breuk reeds onomkeerbaar, en de twee Balkanoorlogen lieten het rijk achter als een gehavende romp die zijn Europese ledematen had verloren en die met de naderende wereldoorlog zijn zwaarste beproeving nog voor zich had.

Wat de catastrofe in de geesten teweegbracht

Voor de generatie waartoe Atıf ﵀ behoorde, was de ramp van de Balkanoorlogen meer dan een territoriaal verlies, want zij bevestigde op de huiveringwekkendste wijze het besef dat de moslimwereld in het defensief was gedrongen en dat het machtige rijk van de voorvaderen tegenover een oprukkend en zelfverzekerd Europa schakel na schakel terrein verloor, een besef dat reeds in de kindertijd van Atıf ﵀, in de jaren van de oorlog van 1877 en het Congres van Berlijn, tot in de verste provinciestadjes was doorgedrongen en dat nu met een verpletterende kracht werd herhaald. De vraag die de moslimpers van deze jaren beheerste, de vraag hoe de gemeenschap haar ondergang kon afwenden, kreeg door de Balkancatastrofe een dringendheid die geen debatteerlust meer was maar een zaak van leven en dood, en de uiteenlopende antwoorden die de stromingen van het tijdvak op die vraag gaven, scherpten zich in het aangezicht van de ramp tot stellingen waarover men niet langer beleefd van mening verschilde.

Voor een geleerde als Atıf ﵀ bevestigde de catastrofe de overtuiging die hij reeds koesterde, te weten dat een gemeenschap die haar geestelijke grondslag prijsgaf zich niet sterker maar zwakker maakte, en dat het heil niet lag in een steeds vollediger overname van de wegen van Europa maar in een terugkeer tot de eigen kracht waarvan de overgeleverde islam de drager was. Voor de moderniserende vleugel van het rijk daarentegen bewees diezelfde ramp het tegendeel, namelijk dat het rijk te traag, te aarzelend en te zeer aan het overgeleverde gehecht was geweest in zijn modernisering, en dat enkel een radicale verwestersing het nog kon redden. In die tegengestelde uitleg van eenzelfde ramp lag de tweespalt besloten die het rijk en zijn opvolger zou verscheuren, en het lot van Atıf ﵀, de geleerde die de eerste uitleg met heel zijn ziel was toegedaan in een staat die zich steeds onverbiddelijker naar de tweede zou voegen, was in die tegenstelling reeds aangelegd.

Wat de wassende storm voor hem in petto had

Wanneer men de jaren van het inspectoraat overziet, van de aanstelling omstreeks 1910 tot aan de drempel van 1913, dan tekent zich het beeld af van een geleerde die op het hoogtepunt van zijn werkzaamheid stond, want hij verenigde in deze jaren in zijn persoon de leraar, de behoeder van het religieuze onderwijs en de publicist die zich in de grote debatten van zijn tijd mengde, en in elk van die hoedanigheden stelde hij zich in dienst van eenzelfde zaak, het behoud van de overgeleverde islam als de levende grondslag van de gemeenschap te midden van een tijd die aan al het overgeleverde leek te willen tornen. Het was een werkzaam en in zekere zin een geëerd leven, dat van de İskilipse wees die het tot de hogere kringen van de İstanbulse geleerdheid en tot het toezicht over de leerhuizen had gebracht, en niets in de uiterlijke gang van zijn loopbaan voorspelde dat deze jaren spoedig met geweld zouden worden afgebroken.

En toch ging onder de schijn van die werkzaamheid een wassende spanning schuil die niet kon uitblijven, want de zelfstandige stem van een geleerde die de overgeleverde islam verdedigde, klonk in een rijk waarin de heersende macht zulke stemmen met toenemend wantrouwen beluisterde, en de argwaan van het Comité jegens wie zich niet aan zijn koers onderwierp, zou Atıf ﵀ niet voorbijgaan. In het jaar 1913, het jaar waarin het Comité door een staatsgreep de onbeperkte macht in handen nam en waarin de politieke verhoudingen in het rijk zich verhardden, zouden die spanningen hem voor het eerst rechtstreeks treffen, en de geleerde die over de medresen had gewaakt en voor de moslimpers had geschreven, zou zich plotseling buiten de hoofdstad teruggeworpen vinden, in een ballingschap waarheen de heersende macht hem onder een betwiste beschuldiging zou verbannen. Hoe die ballingschap van 1913 over hem kwam, op welke wankele grond zij berustte en hoe de geleerde uit İskilip de eerste rechtstreekse slag van de politiek verduurde, is het onderwerp van het volgende artikel.

Bronnen

  • TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi”, Türkiye Diyanet Vakfı (İstanbul, 2000), pp. 132–135 [de gezaghebbendste academische levensbeschrijving, met de gegevens over het medrese-inspectoraat vanaf 1910 en de bijdragen aan Sebîlürreşâd en Beyânülhak].
  • Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca, Çorum Belediyesi (Çorum, 2016) [monografie met de İstanbulse loopbaan, het inspectoraat en de publicistische werkzaamheid].
  • Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History, I.B. Tauris (4e druk, 2017), pp. 93–137 [voor het Comité van Eenheid en Vooruitgang, de staatsgreep van 1913 en de Tweede Constitutionele Periode].
  • Stanford J. Shaw & Ezel Kural Shaw, History of the Ottoman Empire and Modern Turkey, deel II, Cambridge University Press (1977), pp. 273–299 [voor de Balkanoorlogen van 1912–1913, het verlies van de Europese gewesten en de Jonge Turken aan de macht].
  • Bernard Lewis, The Emergence of Modern Turkey, Oxford University Press (3e druk, 2002), pp. 207–238 [voor de Jonge Turken, de herstelde pers en de modernisering van de instellingen na 1908].
  • Niyazi Berkes, The Development of Secularism in Turkey, McGill University Press (1964), pp. 337–410 [voor de hervorming van het medresewezen en de debatten in de laat-Ottomaanse moslimpers].
واللّٰه أعلم

Sources

Hoofdbronnen: TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi” (Türkiye Diyanet Vakfı, 2000); Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca (Çorum Belediyesi, 2016); İskilipli Mehmed Âtıf, Frenk Mukallidliği ve Şapka (1924); Mustafa Armağan, Şapka Davası ve İskilipli Atıf Hoca (Bilim ve Kültür, 2008); Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History (I.B. Tauris, 4e druk 2017); Niyazi Berkes, The Development of Secularism in Turkey (McGill UP, 1964); Bernard Lewis, The Emergence of Modern Turkey (Oxford UP, 3e druk 2002); Stanford J. Shaw & Ezel Kural Shaw, History of the Ottoman Empire and Modern Turkey (Cambridge UP, 1977); Andrew Mango, Atatürk (John Murray, 1999); Ergün Aybars, İstiklâl Mahkemeleri (Bilgi Yayınevi, 1975).