Benoeming Fatih Müderrisliği
In het voorgaande artikel volgden wij de jonge Atıf ﵀ tot aan zijn afstuderen aan de İlâhiyat-faculteit van de Darülfünun in het jaar 1905, en wij zagen hoe hij in zijn ene persoon twee vormen van bevoegdheid verenigde die in zijn dagen steeds verder uiteengroeiden, de oude persoonlijke licentie van de medrese die hem omstreeks 1902 tot de İstanbulse ulema had toegelaten, en het moderne diploma van de naar Europees voorbeeld ingerichte universiteit, zodat hij voortaan een geleerde was die de overgeleverde kennis van binnenuit kende omdat hij haar had doorleefd, en die de nieuwe wetenschap van binnenuit kende omdat hij haar had doorlopen. Wij merkten daarbij reeds op dat zijn leven, nog terwijl hij aan de Darülfünun studeerde, een richting was ingeslagen die hem terugvoerde naar de wereld waarin hij was gevormd, want vanaf 1903 had hij aan het Fatih-complex het onderwijs ter hand genomen in de waardigheid van Ders-i Âmm en müderris, zodat hij aan de ene instelling leerling van het nieuwe en aan de andere leraar van het oude was. Het zijn die leraarsjaren aan het grote Fatih-complex, de jaren waarin de geleerde uit İskilip zijn ambt als müderris uitoefende en waarin zijn naam in de hoofdstad tot rijpheid kwam, die het hart van dit artikel vormen, en het is tegen de achtergrond van een rijk dat in deze jaren een van de hevigste schokken van zijn late geschiedenis zou ondergaan dat wij die jaren moeten plaatsen.
De Veroveraarsmoskee en haar leerhuizen
Om te begrijpen welk een eervolle en gewichtige post het was die Atıf ﵀ vanaf 1903 bekleedde, moet men zich allereerst rekenschap geven van de plaats die het Fatih-complex in de geestelijke ordening van de hoofdstad innam, want het ging hier niet om een willekeurige moskee met een aangehecht leerhuis, maar om een van de eerbiedwaardigste en aanzienlijkste instellingen van het hele rijk. De moskee was gesticht door de veroveraar van Constantinopel, en zij droeg in haar naam, de Veroveraarsmoskee, de herinnering aan de gebeurtenis waarop de Ottomaanse moslims zich tot in de verste eeuwen zouden blijven beroemen, terwijl de leerhuizen die rond het heiligdom waren opgetrokken, de befaamde Sahn-ı Semân, sinds hun stichting tot de hoogste leerscholen van de soennitische wereld behoorden. Wie aan dit complex onderwees, stond niet in de schaduw van een gewone provinciemoskee maar in de glans van een instelling waarvan de meesters in een keten teruggingen tot de vroege eeuwen van het rijk, en de waardigheid van zulk een leerstoel was navenant groot.
Het complex was meer dan een verzameling gebouwen, want het vormde een geheel waarin de moskee, de leerhuizen, de bibliotheek, de gaarkeukens voor de armen en de woonvertrekken van de studenten tot één levend lichaam waren samengevoegd, en het ademde van de vroege ochtend tot de late avond de bedrijvigheid van een grote gemeenschap die zich aan het gebed en aan de kennis wijdde. In de uren tussen de gebeden weerklonk in de zuilengangen en de binnenhoven het gemurmel van de leerlingen die hun teksten reciteerden, en in de kring rond elke geleerde voltrok zich, dag na dag en jaar na jaar, de overdracht van de overgeleverde wetenschappen van de ene generatie op de andere. In dat geheel, dat zoveel meer was dan een school in de moderne zin, nam de müderris een plaats in die het midden hield tussen die van een leraar, een geestelijke gids en een hoeder van de overlevering, en het was die plaats die de geleerde uit İskilip vanaf 1903 ging bekleden.
De waardigheid van de Ders-i Âmm
De titel die Atıf ﵀ in deze jaren droeg, die van Ders-i Âmm, verdient een verklaring, want zij duidt een bijzondere vorm van het leraarschap aan die voor het verstaan van zijn ambt van belang is. De aanduiding betekent in haar grondbetekenis de algemene les, de openbare onderrichting, en zij sloeg op de geleerde die niet binnen de besloten muren van een afzonderlijk leerhuis maar in de open ruimte van de grote moskee zelf onderwees, in een kring die voor eenieder toegankelijk was die zich erbij wilde voegen. Waar de medrese in engere zin haar vaste leerlingen telde die een welomschreven leergang doorliepen, richtte de Ders-i Âmm zich tot een ruimer gehoor, en de geleerde die deze waardigheid bekleedde, zat met de rug tegen een van de zware zuilen van de moskee, de tekst voor zich op een lessenaar, en hij gaf zijn onderricht aan de halve kring van leerlingen en toehoorders die zich op de matten voor hem hadden neergezet.
Deze openbare aard van zijn onderwijs maakte van de müderris van het Fatih-complex meer dan een geleerde in de afzondering, want zijn lessen behoorden tot het religieuze leven van de hoofdstad zelf, en de naam van een geleerde die in de Veroveraarsmoskee de algemene les gaf, drong door tot in de wijdere kringen van de İstanbulse moslimgemeenschap. Het was in die hoedanigheid dat de jonge geleerde uit de provincie, die nog geen tien jaar tevoren als onbekende student de hoofdstad was binnengekomen, zich geleidelijk een naam begon te verwerven, niet door enige luidruchtige optreden maar door de stille en gestage arbeid van het onderwijs, jaar in jaar uit, in de schaduw van een van de aanzienlijkste heiligdommen van het rijk.
Het dagelijkse werk van de müderris
Wanneer men zich afvraagt waaruit het werk van een müderris als Atıf ﵀ in deze jaren bestond, dan ligt het antwoord niet in een reeks van opzienbarende gebeurtenissen maar in de geduldige herhaling van een arbeid die zich in haar grondtrekken sinds eeuwen niet had gewijzigd, en het is goed die arbeid in haar onderdelen te ontleden, want juist in haar onopvallende regelmaat ligt het wezen van het leraarsambt besloten. De kern van dat werk was de dagelijkse les, het ders, waarin de geleerde een van de klassieke teksten van de overgeleverde wetenschappen voor zijn leerlingen openlegde en regel voor regel, woord voor woord doornam, niet om de tekst eenvoudig voor te lezen maar om hem te verklaren, om de duistere plaatsen op te helderen, om de fijnere onderscheidingen van de juristen en de uitleggers aan de orde te stellen, en om de student te leren hoe hij zelf de tekst behoorde te lezen en te wegen.
De vakken die in een dergelijke onderrichting aan bod kwamen, omspanden het hele bouwwerk van de overgeleverde islamitische wetenschappen, want de gevorderde leerling diende vertrouwd te raken met de Arabische taalwetenschap die de poort tot alle overige kennis was, met de leer van de Koranuitleg, met de overleveringswetenschap waarmee men de woorden van de Profeet ﷺ schiftte en woog, en bovenal met het islamitische recht in zijn beide gedaanten, de eigenlijke wetsbepalingen en de beginselen waaruit die bepalingen werden afgeleid. Atıf ﵀ behoorde tot de hanafitische rechtsschool, de school die in het Ottomaanse Rijk van oudsher de gezaghebbende was, en het was binnen het kader van die school dat hij zijn leerlingen door de gevestigde handboeken voerde, waarbij hij niet enkel de bepalingen meedeelde maar tevens de redeneringen blootlegde waarop zij berustten, zodat de student niet leerde napraten maar leerde verstaan.
Het leiden van de gevorderde leerlingen
Bij dit klassikale onderricht voegde zich de meer persoonlijke begeleiding van de gevorderde leerlingen, en het is in die begeleiding dat de eigenlijke band tussen de meester en zijn student tot stand kwam, want het overgeleverde onderwijs kende geen onpersoonlijke overdracht van een vastomlijnde leerstof maar een innige verhouding waarin de geleerde de vordering van elke leerling afzonderlijk gadesloeg en stuurde. De müderris bepaalde wanneer een student rijp was om van de ene tekst naar de volgende, moeilijkere op te klimmen, hij toetste of de leerling de stof werkelijk had doorgrond dan wel slechts uiterlijk had opgenomen, en hij oordeelde uiteindelijk of de student de bevoegdheid had verworven om de overgeleverde kennis op zijn beurt aan anderen door te geven. In die zorgvuldige begeleiding zette de geleerde uit İskilip voort wat hijzelf nog maar kort tevoren als leerling aan ditzelfde complex had ondergaan, en hij werd op zijn beurt een schakel in de keten die, schakel na schakel, terugreikte tot de Metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ en tot de openbaring zelf.
Het is verleidelijk om over de kring van leerlingen die zich in deze jaren rond Atıf ﵀ verzamelde verstrekkende beweringen te doen, en in de latere herinnering is wel gesuggereerd dat onder zijn studenten geleerden zouden zijn geweest die nadien in de geleerdenwereld van de hoofdstad een rol van betekenis speelden, maar de eerlijkheid gebiedt te erkennen dat de bronnen ons niet veroorloven met zekerheid bepaalde namen aan zijn leerstoel te verbinden, en dat het een vorm van geschiedvervalsing zou zijn de stille arbeid van deze jaren met een lijst van befaamde leerlingen op te sieren die de overlevering niet draagt. Wat men met meer recht kan zeggen, is dat een müderris van het Fatih-complex die jaar in jaar uit zijn algemene les gaf, in de loop van een loopbaan een gestage stroom van studenten aan zich voorbij zag trekken, en dat zijn invloed zich langs die stroom verbreidde zonder dat de geschiedenis ons in staat stelt haar in afzonderlijke gezichten te vatten.
De geleerde schrijft voor de gewone gelovige
Naast het mondelinge onderwijs in de leerzalen van het complex begon zich in deze jaren een tweede zijde van zijn arbeid af te tekenen die voor het verstaan van zijn latere optreden van groot belang is, namelijk zijn neiging om de overgeleverde kennis niet enkel aan de besloten kring van zijn gevorderde leerlingen door te geven maar haar tevens binnen het bereik van de gewone gelovige te brengen. Het was een neiging die niet bij iedere geleerde van zijn stand even sterk leefde, want menige müderris bepaalde zich tot de hoge geleerdheid van de leerzaal en liet de onderrichting van het gewone volk aan de gemeentelijke imams en predikers over, maar bij de geleerde uit İskilip openbaarde zich vroeg een besef dat de kennis van de godsdienst niet het bezit van een kleine kring behoorde te blijven, maar dat zij de hele gemeenschap toekwam en dat het de plicht van de geleerde was haar in een toegankelijke vorm aan die gemeenschap aan te bieden.
In die geest begon hij werken te vervaardigen die niet de gevorderde student maar de gewone moslim tot lezer hadden, geschriften over de hanafitische rechtsleer en over de religieuze plichten van de gelovige die in een heldere en bevattelijke taal uiteenzetten wat een moslim diende te weten en te doen, van de voorschriften van de reiniging en het gebed tot de regels van het vasten, de aalmoes en de bedevaart. Het ging hierbij niet om de fijnzinnige twistgesprekken van de juristen onderling, maar om de vaste, beproefde leer van de school in een vorm die ook de onontwikkelde gelovige kon volgen, zodat de eenvoudige man en vrouw uit de stad en het dorp wisten hoe zij hun godsdienst behoorden te beoefenen zonder zich in de zware handboeken te hoeven verdiepen. In deze arbeid toonde zich reeds de overtuiging die heel zijn leraarschap droeg, dat de geleerdheid geen doel in zichzelf was maar een dienst aan de gemeenschap, en dat de kennis die men aan de bronnen had ontleend, behoorde terug te vloeien naar het volk waaruit men was voortgekomen.
De moslimpers als nieuw kanaal
Het waren niet enkel zelfstandige boeken waarin de geleerde zich tot een breder gehoor richtte, want in deze jaren had zich in de hoofdstad een nieuw kanaal geopend waarlangs de religieuze kennis zich kon verbreiden, te weten de islamitische tijdschriften en bladen die in de woelige eerste jaren van de twintigste eeuw in een stroom van de drukpersen kwamen. De geleerde uit İskilip leverde zijn bijdragen aan tijdschriften als de Sebîlürreşâd en de Beyânülhak, bladen die zich ten doel stelden de stem van de overgeleverde islam te laten klinken in een tijd waarin de oude zekerheden van alle zijden in het gedrang kwamen, en waarin de geleerden van het oude bestel zich genoodzaakt zagen de pen ter hand te nemen om hun zaak voor een lezerspubliek te bepleiten dat hun mondelinge lessen nooit zou bereiken. Dat een müderris van het Fatih-complex zich tot dit moderne middel wendde, was op zichzelf veelzeggend, want het toonde dat de geleerde uit İskilip de wapenen van de nieuwe tijd niet versmaadde wanneer zij de zaak van het overgeleverde geloof konden dienen.
In die deelname aan de moslimpers herkent men dezelfde houding die hem reeds naar de collegezalen van de Darülfünun had gevoerd, te weten de bereidheid om de nuttige middelen van zijn eeuw te benutten zonder zich aan de geest ervan over te geven, en het is geen toeval dat juist een geleerde die de moderne universiteit van binnenuit had leren kennen, ook de drukpers wist aan te wenden voor het doel dat hem heilig was. De geleerde die in de Veroveraarsmoskee de algemene les gaf en die in de tijdschriften van de hoofdstad zijn pen liet spreken, was bezig zich een plaats te verwerven die ruimer was dan die van een leraar in de leerzaal alleen, en zonder dat hij het wellicht zelf vermoedde, legde hij in deze jaren de grondslag voor de openbare rol die hij in het volgende decennium zou gaan spelen.
Het rijk onder de laatste jaren van Abdülhamid II
Terwijl de geleerde zich in deze jaren aan het onderwijs en het schrijven wijdde, verkeerde het rijk waarin hij leefde in een toestand van toenemende spanning die zich aan geen van zijn onderdanen liet ontgaan, en het is goed zich rekenschap te geven van de politieke achtergrond waartegen zijn rustige leraarsjaren zich afspeelden, want die achtergrond zou spoedig met een hevigheid losbarsten die het hele leven van het rijk zou opschudden. Sultan Abdülhamid II regeerde sinds 1876 over de Ottomaanse landen, en na een korte periode waarin het rijk een grondwet en een parlement had bezeten, had hij die grondwet in 1878 buiten werking gesteld en het parlement naar huis gezonden, om sindsdien op de oude wijze als alleenheerser te regeren, geschraagd door een uitgebreid apparaat van bestuur en van toezicht. Zijn bewind, dat aanvankelijk de orde en een zekere stabiliteit aan het geschokte rijk had teruggegeven, was met de jaren tot een steeds beklemmender regiem verstard, waarin de drukpers aan banden lag, de vrije meningsuiting werd gefnuikt en een wijdvertakt net van verklikkers de stemming van de bevolking in het oog hield.
Voor een geleerde als Atıf ﵀, wiens wereld de leerzaal en de moskee was en niet de kringen van de politiek, betekende dit bewind een omgeving waarin men zijn werk in betrekkelijke rust kon verrichten zolang men zich verre hield van alles wat naar verzet tegen de gevestigde orde zweemde, en het ligt voor de hand dat de jonge müderris, die heel zijn vermogen aan het onderwijs en de overlevering wijdde, zich niet in de gevaarlijke wateren van het politieke verzet begaf. Toch kon ook de geleerde die zich tot zijn leerstoel bepaalde niet onkundig blijven van de gistende ontevredenheid die zich onder het oppervlak van het hamidiaanse bewind ophoopte, want onder de officieren van het leger, onder de jonge ambtenaren die de moderne scholen hadden doorlopen en onder een deel van de ontwikkelde stedelingen groeide een verzet tegen de alleenheerschappij van de sultan dat zich in het geheim organiseerde en dat naar het herstel van de grondwet en het parlement streefde.
De gisting onder het oppervlak
De beweging die in deze jaren tegen het bewind van Abdülhamid II ontstond, droeg in de geschiedenis de naam van de Jonge Turken, en zij verenigde onder die noemer een bonte verscheidenheid van ontevredenen die in hun afkeer van de alleenheerschappij verbonden waren maar in hun verdere denkbeelden ver uiteenliepen, van vrome moslims die in het herstel van de grondwet een terugkeer naar een rechtvaardiger bestuur zagen tot verwesterde modernisten die het rijk naar Europees model wilden hervormen. Het zwaartepunt van deze beweging verschoof in de eerste jaren van de twintigste eeuw naar de officieren van het leger, en in het bijzonder naar de garnizoenen in de Europese provincies van het rijk, waar de ontevredenheid over de toestand van het leger en over de buitenlandse inmenging in de Balkan zich met de afkeer van de alleenheerschappij verbond tot een ontvlambare mengeling. Het was uit die kringen dat de schok zou komen die in de zomer van 1908 het hele bestel zou doen wankelen.
Het is van belang op te merken dat de geleerde uit İskilip, gelijk de meeste van zijn standgenoten, deze gisting eerder gadesloeg dan dat hij eraan deelnam, want zijn vorming en zijn ambt hadden hem niet tot een man van de politieke samenzwering gemaakt maar tot een hoeder van de overgeleverde kennis, en het is met de behoedzaamheid van iemand wiens wereld de medrese was, en niet de geheime vergaderzaal van de samenzweerders, dat hij de tekenen van de naderende omwenteling waarnam. Hij behoorde niet tot hen die de val van het bewind beraamden, maar evenmin tot hen die het regiem uit overtuiging steunden, en zijn houding was veeleer die van een geleerde die zijn plicht in het onderwijs en de overlevering zag en die de woelingen van de politiek met een zekere afstand bezag, zonder te vermoeden hoezeer die woelingen het verdere verloop van zijn eigen leven zouden bepalen.
De omwenteling van 1908 en het herstel van de grondwet
In de zomer van het jaar 1908 brak de spanning die zich onder het oppervlak van het hamidiaanse bewind had opgehoopt met onverwachte snelheid open, en de gebeurtenissen die in de maand juli over het rijk kwamen, zouden de wereld waarin Atıf ﵀ zijn rustige leraarsjaren had doorgebracht in een oogwenk veranderen. Het begon in de Europese provincies, waar officieren die bij de Jonge Turken waren aangesloten in openlijke opstand kwamen tegen het bewind van de sultan en zich met hun manschappen in de bergen terugtrokken, en toen de troepen die werden uitgezonden om de opstand te bedwingen zich bij de opstandelingen aansloten in plaats van hen te onderwerpen, zag de sultan zich voor een keuze gesteld die geen keuze meer was. Voor een burgeroorlog die hij niet kon winnen teruggedeinsd, gaf Abdülhamid II in juli 1908 toe aan de eis van de opstandelingen en herstelde hij de grondwet van 1876 die hij dertig jaar tevoren buiten werking had gesteld, en met dat herstel kwam aan zijn jarenlange alleenheerschappij in één slag een einde.
Het herstel van de grondwet werd in de straten van de hoofdstad en in de steden van het hele rijk met een uitbarsting van vreugde begroet die de tijdgenoten met verbazing vervulde, want mensen van uiteenlopende godsdienst en herkomst omhelsden elkaar in de overtuiging dat een nieuw tijdperk van vrijheid en broederschap was aangebroken en dat de oude tegenstellingen tussen de volken en de geloven van het rijk in de nieuwe ordening zouden worden verzoend. Voor wie de gebeurtenissen van nabij gadesloeg, en de geleerde uit İskilip behoorde tot hen die in het hart van de hoofdstad de omwenteling beleefden, moet die uitbarsting van hoop een aangrijpend schouwspel zijn geweest, en het is niet moeilijk zich voor te stellen dat ook een behoedzaam man als hij in die eerste dagen iets van de algemene verwachting deelde dat het rijk een gelukkiger toekomst tegemoet ging.
Het ontwaken van een woelige tijd
Maar de geleerde die de overgeleverde wijsheid kende, wist tevens dat de uitbundige vreugde van het ogenblik geen waarborg bood voor de toekomst, en de jaren die op het herstel van de grondwet volgden, zouden bewijzen hoezeer de hoop van de eerste dagen door de werkelijkheid zou worden gelogenstraft. De vrijheid die de omwenteling had gebracht, opende niet enkel de weg naar een rechtvaardiger bestuur maar tevens naar een ongekende beroering, want de drukpers, die zo lang aan banden had gelegen, barstte los in een vloed van bladen en geschriften waarin de meest uiteenlopende denkbeelden om de gunst van het lezerspubliek streden, en de besloten verenigingen die onder het oude bewind in het geheim hadden gewerkt, traden in het volle licht en betwistten elkaar de macht. Voor de overgeleverde wereld van de medrese en de ulema betekende deze nieuwe vrijheid een tweesnijdend zwaard, want zij opende de mogelijkheid om de stem van de islam onbelemmerd te laten klinken, maar zij liet tevens de stemmen toe van hen die de overgeleverde godsdienst als een hindernis op de weg naar de vooruitgang beschouwden en die het rijk in een verwesterde richting wilden voeren.
Het is in deze woelige nieuwe tijd dat de geleerde uit İskilip zijn werk voortzette, en de behoedzaamheid waarmee hij de naderende omwenteling had gadegeslagen, week niet voor de algemene roes maar bleef de grondtoon van zijn houding, want hij begreep dat de nieuwe vrijheid de overgeleverde islam niet enkel kansen maar ook gevaren bracht, en dat de strijd om de ziel van de moslimsamenleving die hij in zijn studiejaren had leren onderkennen, in dit nieuwe klimaat met grotere felheid dan ooit zou worden gestreden. De man die in de schaduw van de Veroveraarsmoskee de overgeleverde wetenschappen onderwees en die in de moslimpers zijn pen liet spreken, zag het strijdperk waarop hij zou worden geroepen geleidelijk vorm aannemen, en hoewel de jaren van het openbare optreden nog voor hem lagen, was hij door zijn onderwijs en zijn geschriften reeds aan dat strijdperk verbonden.
Wat de leerstoel van Fatih in hem rijp maakte
De jaren die Atıf ﵀ aan het Fatih-complex als müderris doorbracht, vormden in zijn levensloop een tijd van rijping waarin de geleerde die hij was geworden zijn plaats in de geestelijke ordening van de hoofdstad innam en waarin zijn naam, zonder enige luidruchtige optreden, geleidelijk gezag verwierf in de kringen van de İstanbulse moslimgemeenschap. Hij had de overgang voltooid van de jonge provinciaal die de hoofdstad als onbekende was binnengekomen tot de gevestigde geleerde die in een van de aanzienlijkste heiligdommen van het rijk de algemene les gaf, en hij had aan dat onderwijs de arbeid van de schrijver toegevoegd die de overgeleverde kennis binnen het bereik van de gewone gelovige bracht. In die dubbele arbeid, het mondelinge onderricht in de leerzaal en het schriftelijke onderricht in de boeken en de bladen, tekende zich de volle gedaante af van de geleerde die hij in zijn rijpe jaren zou zijn, en het is in deze betrekkelijk rustige periode van zijn leven, vóór de stormen die nog komen moesten, dat die gedaante haar volledige vorm verwierf.
In deze jaren stichtte de geleerde, zoals het een man van zijn stand en zijn leeftijd betaamde, ook een eigen huishouden, al heeft de geschiedenis ons over zijn persoonlijke leven in deze periode weinig nagelaten en past hier veeleer de terughoudendheid dan de stelligheid, want de bronnen veroorloven ons niet de bijzonderheden van zijn huiselijke kring met enige zekerheid in te vullen. Wat de overlevering wél vasthoudt, is het beeld van een geleerde die heel zijn vermogen aan het onderwijs en de overlevering wijdde, en wiens leven zich grotendeels afspeelde tussen de leerzaal van het complex, de schrijftafel waaraan zijn geschriften ontstonden, en de moskee waarin hij de algemene les gaf.
Toch zou de geleerde uit İskilip niet zijn hele leven in de beslotenheid van de leerstoel doorbrengen, want de tijd waarin hij leefde liet niemand die de zaak van de overgeleverde islam was toegedaan in de rust van de afzondering, en de woelige jaren die op het herstel van de grondwet volgden, dreven de geleerden van het oude bestel onontkoombaar naar een meer openbare en meer omstreden rol. Voor Atıf ﵀ kwam de eerste stap weg van de zuivere leerstoel omstreeks het jaar 1910, toen hij werd geroepen tot het ambt van inspecteur van de medresen, een waardigheid die hem uit de besloten kring van zijn eigen leerlingen voerde naar het wijdere veld van het bestuur en het toezicht over het stelsel van de religieuze leerhuizen. Met die benoeming trad hij uit de schaduw van de Veroveraarsmoskee in de openbaarheid van de medresepolitiek, en hij betrad daarmee een terrein waarop de geleerdheid en de macht, het onderwijs en het bestuur elkaar raakten, en waarop de behoedzame man die zijn wereld in de leerzaal had gevonden zich voortaan tot de strijdvragen van zijn tijd zou moeten verhouden. Hoe hij dat inspecteursambt aanvaardde, en hoe het hem in de woelige medresepolitiek van de jaren na de omwenteling betrok, is het onderwerp van het volgende artikel.
Bronnen
- TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi”, Türkiye Diyanet Vakfı (İstanbul, 2000), pp. 132–135 [de gezaghebbendste academische levensbeschrijving, met de gegevens over het Fatih-onderwijs vanaf 1903, de bijdragen aan de moslimpers en de benoeming tot medrese-inspecteur omstreeks 1910].
- Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca, Çorum Belediyesi (Çorum, 2016) [monografie met de İstanbulse onderwijs- en schrijfjaren].
- Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History, I.B. Tauris (4e druk, 2017), pp. 90–112 [voor het bewind van Abdülhamid II, de Jonge Turken-beweging en de omwenteling van 1908].
- Stanford J. Shaw & Ezel Kural Shaw, History of the Ottoman Empire and Modern Turkey, deel II, Cambridge University Press (1977), pp. 255–278 [voor de Jonge Turken-revolutie van juli 1908 en het herstel van de grondwet van 1876].
- Bernard Lewis, The Emergence of Modern Turkey, Oxford University Press (3e druk, 2002), pp. 174–210 [voor de Tweede Constitutionele Periode en de positie van de ulema in de na-1908 ordening].
