InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Afstuderen Darülfünun
De Helden van Islamİskilipli Mehmed Atıf Hoca

Afstuderen Darülfünun

Afstuderen Darülfünun

In het voorgaande artikel volgden wij de jonge Atıf ﵀ tot aan de drempel die in de wereld van de islamitische geleerdheid de overgang van leerling tot bevoegd geleerde markeert, en wij zagen hoe hij omstreeks 1902, na zijn zeven jaren aan het Fatih-complex, zowel de persoonlijke icazet van zijn meesters ontving als de officiële ruûs-proef doorstond die hem voor een İstanbulse müderrislik kwalificeerde, zodat hij voortaan tegelijk door de besloten kring van de overlevering en door de instanties van het rijk als volwaardig lid van de geleerdenstand was erkend. Met die dubbele bekrachtiging stond hem de eenvoudige en eervolle weg open van het onderwijs en de overlevering, de weg waarop hij de hem toevertrouwde kennis aan een nieuwe generatie zou doorgeven zoals zij aan hem was doorgegeven, en niets in zijn waardigheid verplichtte hem ertoe nog een andere richting in te slaan. Toch wendde hij zich, en hierin verraadt zich iets van de aard van zijn geest, in de jaren die onmiddellijk op zijn licentie volgden tot een instelling die in zijn dagen nog jong en omstreden was, de Darülfünun, het Huis van de Wetenschappen, dat het rijk naar het voorbeeld van de Europese universiteiten had opgericht, en hij zou aan de İlâhiyat-faculteit van die instelling in het jaar 1905 afstuderen. Het is die ontmoeting tussen de oude geleerdheid van de medrese en de moderne universiteit, en de innerlijke houding die zij in hem rijp maakte, die het hart van dit artikel vormen.

Het Huis van de Wetenschappen en zijn moeizame geboorte

Om te beseffen welk een ongewone keuze het voor een gevormd medresegeleerde was om zich aan de Darülfünun in te schrijven, moet men zich allereerst rekenschap geven van de plaats die deze instelling in het laat-Ottomaanse İstanbul innam, want zij was niet de eerbiedwaardige, eeuwenoude leerschool waarin Atıf ﵀ zijn vorming had genoten, maar een jong en moeizaam tot stand gekomen experiment dat het rijk in zijn zoektocht naar de moderne wetenschappen had ondernomen. Het woord Darülfünun is samengesteld uit het Arabische dār, dat huis betekent, en het meervoud funūn, dat de kunsten en de wetenschappen aanduidt, en in die benaming klinkt de bedoeling door waarmee de instelling was opgericht, te weten een huis waarin niet de overgeleverde religieuze wetenschappen van de medrese maar de nieuwe, deels uit Europa afkomstige takken van kennis hun plaats zouden vinden, van de natuurwetenschappen en de wiskunde tot de moderne talen, de geschiedenis en het recht zoals dat in de hervormde staat werd onderwezen.

De weg naar het bestaan van zulk een instelling was lang en hobbelig geweest, want het denkbeeld van een universiteit naar Europees model paste niet zonder wrijving in de orde van een rijk waarin het hogere onderwijs van oudsher in handen van de ulema en hun medresen had gelegen. Reeds in het midden van de negentiende eeuw, in de jaren van de Tanzimat-hervormingen, hadden de hervormingsgezinde staatslieden de oprichting van een Darülfünun bepleit als een onmisbaar onderdeel van de modernisering van het rijk, en er waren in de decennia die volgden meermalen pogingen ondernomen om de instelling daadwerkelijk te doen functioneren, maar telkens waren die pogingen op moeilijkheden van allerlei aard gestrand, zodat de Darülfünun gedurende een groot deel van de negentiende eeuw veeleer een voornemen op papier dan een werkende leerschool bleef. Het was pas in het jaar 1900, in de latere regeerperiode van sultan Abdülhamid II, dat de instelling op een stabielere grondslag werd heropend, en het is in die heropende Darülfünun, in de eerste jaren van de twintigste eeuw, dat de jonge geleerde uit İskilip haar collegezalen zou betreden.

De faculteit van de godgeleerdheid

Binnen het bredere geheel van de heropende Darülfünun bezat de İlâhiyat-faculteit, de faculteit van de godgeleerdheid, een bijzondere en in zekere zin dubbelzinnige positie, want zij was de plaats waar de moderne, naar Europees model georganiseerde universiteit en de overgeleverde wereld van de religieuze wetenschappen elkaar het meest onmiddellijk raakten. In de medrese werden de religieuze wetenschappen onderwezen langs de beproefde weg van de overlevering, de ene tekst na de andere, onder het waakzame oog van een meester die zijn eigen bevoegdheid aan een keten van leraren ontleende; in de İlâhiyat-faculteit van de Darülfünun daarentegen zou een deel van diezelfde stof, de Koranwetenschappen, de overleveringsleer, het recht en de geschiedenis van de islam, voortaan worden ondergebracht in het kader van een moderne faculteit met haar leerstoelen, haar collegejaren en haar examens naar het patroon dat de hervormers aan de Europese universiteiten hadden ontleend.

Voor een buitenstaander zou het wellicht zonderling lijken dat een geleerde die zijn volle vorming reeds aan het Fatih-complex had ontvangen en die de hoogste bekrachtiging van de medresewereld bezat, zich nog tot zulk een jonge faculteit zou wenden om opnieuw de wetenschappen te bestuderen die hij al beheerste, maar bij nader inzien onthult juist die stap iets wezenlijks van zijn houding. Hij kwam niet als een onwetende leerling die zich de beginselen van de godgeleerdheid eigen moest maken, want die beginselen had hij langs de oude weg reeds tot in hun fijnste onderscheidingen doorgrond; hij kwam veeleer als een gevormd geleerde die de nieuwe instelling van binnenuit wilde leren kennen, die wenste te verstaan hoe de moderne universiteit met de overgeleverde kennis omsprong, en die zich de vormen en de methoden van het nieuwe onderwijs eigen wilde maken zonder de grondslag te verloochenen waarop zijn eigen geleerdheid rustte. In dat licht is zijn inschrijving aan de İlâhiyat-faculteit geen breuk met zijn medreseverleden, maar de logische voortzetting ervan op een nieuw terrein.

De jaren aan de Darülfünun

De jaren die Atıf ﵀ aan de heropende Darülfünun doorbracht, voerden hem in een wereld die in vele opzichten verschilde van de vertrouwde leerzalen van het Fatih-complex, en het is goed zich rekenschap te geven van het soort vorming dat de moderne faculteit hem bood, ook al hebben de bronnen ons over de bijzonderheden van zijn studentenjaren aan deze instelling slechts weinig nagelaten. Waar de medrese de leerling rond een geleerde op een mat in de moskee verzamelde en hem van mond tot mond en van boek tot boek liet vorderen, kende de Darülfünun de gedaante van een moderne universiteit, met haar collegezalen, haar reeks van vakken die volgens een vastgesteld plan werden onderwezen, en haar examens waaraan de student zich op gezette tijden moest onderwerpen om uiteindelijk zijn graad te behalen. De kennis werd hier niet langer enkel als een toevertrouwd pand van meester op leerling doorgegeven, maar tevens als een vak dat men volgens een rooster bestudeerde en waarvan men het bereikte peil door een examen liet vaststellen, en die verschuiving in de wijze van overdracht was, hoe onopvallend zij ook leek, een teken van de veel diepere verschuiving die zich in het hele rijk aan het voltrekken was.

Het zou een vergissing zijn de leraren van de İlâhiyat-faculteit in deze jaren als zijn eigenlijke meesters voor te stellen, want zijn eigenlijke vorming had hij langs de oude weg van de medrese reeds achter de rug, en de bronnen veroorloven ons niet om bepaalde hoogleraren als de persoonlijke leermeesters van Atıf ﵀ aan te wijzen. Wel mag men in algemene zin zeggen dat tot de vermaarde leraren die in deze jaren de heropende universiteit bevolkten een kring van laat-Ottomaanse geleerden en hervormers behoorde in wier midden de vraag naar de verhouding tussen de overgeleverde islam en de moderne, deels Europese kennis met grote ernst werd besproken, en waarin de uiteenlopende antwoorden op die vraag de gemoederen verdeelden. De Darülfünun van deze jaren was niet een rustig oord van afgewogen geleerdheid, maar een plaats waar de spanningen van het tijdvak zich onmiddellijk lieten voelen, en de jonge geleerde die haar collegezalen betrad, kon niet anders dan zich tot die spanningen verhouden.

Het afstuderen in 1905

Het sluitstuk van deze jaren was zijn afstuderen aan de İlâhiyat-faculteit in het jaar 1905, een gebeurtenis die in zijn levensloop een eigen en bijzondere plaats inneemt, want zij verenigde in één man twee vormen van bevoegdheid die in deze jaren steeds verder uiteen begonnen te groeien. Aan de ene zijde stond de oude, persoonlijke licentie van de medrese, de icazet en de ruûs die hem omstreeks 1902 tot de gelederen van de İstanbulse ulema hadden toegelaten, en die hun gezag ontleenden aan de keten van de overlevering en aan de instanties van het traditionele onderwijsbestel; aan de andere zijde stond nu het diploma van de moderne universiteit, dat zijn gezag ontleende aan de instelling die het verstrekte en aan het stelsel van vakken en examens dat de hervormers naar Europees model hadden ingericht. Dat één en dezelfde geleerde beide bezat, was in deze jaren geen alledaagse zaak, en het maakte van Atıf ﵀ een man die in beide werelden thuis was, die de oude geleerdheid van binnenuit kende omdat hij haar had doorleefd, en die de nieuwe universiteit van binnenuit kende omdat hij haar had doorlopen.

Men dient hierbij in het oog te houden dat het afstuderen aan de İlâhiyat-faculteit in 1905 niet in de plaats kwam van zijn medresevorming, maar daaraan werd toegevoegd, en dat de volgorde der dingen veelzeggend is: hij was reeds een gevormd en bevoegd geleerde toen hij de moderne universiteit betrad, zodat hij de nieuwe kennis niet ontving als iemand die nog niets bezat en zich aan de eerste de beste leer overgaf, maar als iemand die over een stevige grondslag beschikte van waaruit hij het nieuwe kon beoordelen, schiften en op zijn waarde schatten. Wie reeds een huis bewoont en daarna een tweede taal leert, bekijkt die taal met andere ogen dan wie nog dakloos is en zich de eerste de beste woning laat aanleunen, en zo betrad de gevormde medresegeleerde de moderne universiteit niet als een leeg vat dat zich liet vullen, maar als een man die wist wat hij bezat en die daarom in staat was het nieuwe te ontvangen zonder zichzelf te verliezen.

De grote tweespalt van zijn generatie

De keuze die Atıf ﵀ maakte door zich naast zijn medresevorming aan de moderne universiteit te wijden, krijgt haar volle betekenis pas wanneer men haar plaatst tegen de achtergrond van de grote tweespalt die zijn hele generatie van laat-Ottomaanse moslims verdeelde, want het vraagstuk waarvoor hij door zijn dubbele vorming kwam te staan, was niet enkel het zijne maar dat van een heel tijdvak. Het Ottomaanse Rijk had sinds de Tanzimat zijn instellingen naar Europees model hervormd in de hoop op die wijze de achterstand in te lopen die het ten opzichte van de westerse mogendheden had opgelopen, en de moderne school, de moderne rechtbank en de moderne universiteit waren de zichtbare tekenen van die hervormingsdrang, maar achter die instellingen ging een veel diepere vraag schuil die de moslimsamenleving tot in haar grondvesten beroerde, namelijk in hoeverre men de wegen van Europa kon overnemen zonder daarbij op te houden zichzelf te zijn.

Over die vraag liepen de antwoorden van de laat-Ottomaanse moslims ver uiteen, en het is goed de uitersten te schetsen om de plaats die Atıf ﵀ innam scherp te kunnen omlijnen. Aan het ene uiterste bevonden zich zij die meenden dat de redding van het rijk en van de moslimwereld lag in een zo volledig mogelijke overname van de Europese beschaving, niet enkel van haar wetenschap en haar techniek maar ook van haar zeden, haar instellingen en haar geest, en die in de overgeleverde islam veeleer een blok aan het been dan een bron van kracht zagen; aan het andere uiterste bevonden zich zij die in iedere aanraking met Europa een bedreiging zagen en die de overgeleverde wereld onveranderd wilden bewaren, met afwijzing van ook de meest onschuldige verworvenheden van de nieuwe tijd. Tussen die uitersten lag een breed middenveld van moslims die op uiteenlopende wijzen naar een verzoening zochten, en het is in dat middenveld, doch met een eigen en welomschreven standpunt, dat de geleerde uit İskilip zijn plaats zou innemen.

Wetenschap en techniek als nuttige kennis

De houding die Atıf ﵀ in deze grote tweespalt aannam, en die in zijn latere geschriften goed gedocumenteerd is, laat zich het zuiverst omschrijven door haar in twee delen uiteen te leggen, want zij berustte op een onderscheid dat voor het verstaan van zijn hele levenshouding van beslissend belang is. Het eerste deel van zijn houding was zijn bereidheid om de moderne wetenschap, de techniek en de nuttige kennis van Europa zonder vrees en zonder achterdocht te aanvaarden, en het is geen toeval dat juist deze bereidheid hem ertoe bracht zich aan de moderne universiteit in te schrijven in plaats van zich in de geslotenheid van de medresewereld terug te trekken. In de overgeleverde islamitische opvatting was nuttige kennis geen vijand van het geloof maar veeleer een goed waarnaar de gelovige behoorde te streven waar hij het ook aantrof, en de geleerden van de vroege eeuwen hadden de wetenschap, de geneeskunde en de wijsbegeerte van de volken die hun voorafgingen niet uit vrees verworpen maar met onderscheidingsvermogen in zich opgenomen en verder ontwikkeld.

In die geest meende Atıf ﵀ dat de moslimsamenleving van zijn dagen de wetenschap en de techniek van Europa behoorde te leren beheersen, niet als een uiterlijke navolging maar als een terugverovering van het instrumentarium waarmee de moderne wereld werd bestuurd, en hij zag in het overnemen van die nuttige kennis geen verraad aan de islam maar veeleer een plicht jegens de gemeenschap die zich tegen de overmacht van de westerse mogendheden had te verweren. Een rijk dat zijn legers, zijn scholen en zijn werkplaatsen niet met de middelen van de eigen tijd kon uitrusten, was gedoemd ten onder te gaan, en het zou een vroomheid zijn die zichzelf niet begreep wanneer men uit eerbied voor het overgeleverde de middelen versmaadde waarmee dat overgeleverde verdedigd moest worden. Hierin onderscheidde de geleerde uit İskilip zich scherp van de behoudende stem die in iedere aanraking met de nieuwe kennis een gevaar bespeurde, en juist die openheid voor het nuttige verklaart waarom hij de drempel van de Darülfünun zonder aarzeling overschreed.

De weigering van de geestelijke navolging

Het tweede deel van zijn houding, dat onlosmakelijk met het eerste verbonden was en er de noodzakelijke begrenzing van vormde, was zijn stellige weigering om de aanvaarding van de nuttige kennis te laten uitlopen op een navolging van Europa in de zeden, de gebruiken en de geest, want hij maakte een scherp onderscheid tussen het overnemen van de instrumenten van een beschaving en het opgaan in haar ziel. Een moslimsamenleving kon, naar zijn overtuiging, de wetenschap en de techniek van de moderne wereld in zich opnemen zonder daarbij haar eigen aard prijs te geven, op voorwaarde dat zij dat onderscheid scherp in het oog hield en de uiterlijke en innerlijke navolging van de vreemde beschaving weerstond, want die navolging, het verschijnsel dat in de islamitische rechtsleer met het woord teşebbüh werd aangeduid, droeg het gevaar in zich dat met de uiterlijke vormen ongemerkt ook de geest werd binnengesmokkeld die met die vormen samenhing.

Het is in dit onderscheid dat de eigenlijke kern van zijn levenshouding besloten ligt, en het is hetzelfde onderscheid dat hem later zou voeren tot het boek waarom hij ten slotte zou worden veroordeeld. Wie de uiterlijke kentekenen van een vreemde beschaving overneemt, zo redeneerde hij, neemt daarmee niet enkel een onschuldig gebruik over maar plaatst zich onder het teken van die beschaving en bekent zich, of hij het wil of niet, tot de wereld waaraan dat kenteken toebehoort; en wat aanvankelijk een uiterlijkheid lijkt, een wijze van kleden, een hoofddeksel of een omgangsvorm, draagt op den duur de gezindheid mee die ermee verbonden is, totdat de samenleving die met de uiterlijke vormen begon te schikken zich ten slotte ook in haar binnenste naar het vreemde model heeft gevoegd. Daarom kon men, in zijn opvatting, de werktuigen van Europa wel overnemen maar zijn gewaad en zijn geest niet, en daarom was de moderne wetenschap voor hem geoorloofd en de geestelijke navolging verboden, en het is dat tweeledige standpunt, en niet een botte afwijzing van de nieuwe tijd, dat zijn hele optreden zou bepalen.

Wat de universiteitsjaren in hem rijp maakten

Wanneer men de jaren aan de Darülfünun overziet en zich afvraagt wat zij in de geest van Atıf ﵀ teweegbrachten, dan ligt het antwoord niet zozeer in een nieuwe kennis die hij zou hebben opgedaan, want zijn eigenlijke geleerdheid had hij langs de oude weg reeds verworven, als wel in de scherpte waarmee hij de grote vraag van zijn tijd leerde stellen en beantwoorden. De moderne universiteit was bij uitstek de plaats waar de ontmoeting tussen de overgeleverde islam en de Europese beschaving zich het meest onmiddellijk en het meest dagelijks voltrok, en wie haar collegezalen betrad kon de vraag naar de verhouding tussen het eigene en het vreemde niet langer op een afstand houden, maar werd ertoe gedwongen haar onder ogen te zien en voor zichzelf te beantwoorden, zodat de geleerde uit İskilip, door zich aan die ontmoeting bloot te stellen in plaats van haar te ontvluchten, zichzelf ertoe dwong het standpunt te scherpen dat hij later zo onverzettelijk zou verdedigen.

Het is veelzeggend dat hij uit die ontmoeting niet tevoorschijn kwam als een man die door de Europese beschaving was overweldigd en zijn eigen wereld was gaan minachten, en evenmin als een man die door de aanraking met het vreemde in een angstige behoudzucht was vervallen, maar als een man die de twee werelden tegen elkaar had leren afwegen en die wist wat hij van de ene wilde aannemen en wat hij van de andere wilde behouden. De Darülfünun gaf hem niet zijn overtuiging, want de grondslag daarvan was reeds in de medrese gelegd, maar zij verschafte hem het slagveld waarop die overtuiging zich kon toetsen en uitkristalliseren, en zij maakte van een algemene gehechtheid aan de overgeleverde islam het scherp omlijnde en goed doordachte standpunt dat hij in zijn latere geschriften zou verwoorden. In die zin waren de universiteitsjaren voor hem geen omweg en geen breuk, maar de noodzakelijke voorbereiding op de strijd die nog komen moest.

De geleerde tussen twee werelden

Het is goed op dit punt het beeld dat van Atıf ﵀ in de latere herinnering is blijven hangen, te toetsen aan wat zijn vorming ons werkelijk toont, want in het volkse geheugen is hij vaak versmald tot de geleerde die zich tegen de hoed verzette, alsof zijn hele leven in een enkele afwijzing samenviel en hij niets anders zou zijn geweest dan een man die de nieuwe tijd niet kon verdragen. Wie zijn weg langs de medrese en de Darülfünun heeft gevolgd, weet dat dit beeld de waarheid geweld aandoet, want de man die zich aan de moderne universiteit inschreef en haar İlâhiyat-faculteit in 1905 met goed gevolg doorliep, was geen vijand van de kennis en geen verachter van zijn eigen eeuw, maar een geleerde die de moderne wetenschap met open vizier tegemoet trad en die haar verworvenheden zonder vrees aanvaardde, terwijl zijn latere verzet zich niet tegen de wetenschap of tegen de techniek richtte, maar tegen de geestelijke onderwerping die zich onder het mom van de uiterlijke navolging in de moslimsamenleving trachtte binnen te dringen.

Men kan zeggen dat hij behoorde tot dat geslacht van laat-Ottomaanse geleerden dat zich noch aan het ene noch aan het andere uiterste liet meeslepen, maar dat in de smalle ruimte tussen de algehele verwerping en de algehele overgave een eigen, moeizame en doordachte weg trachtte te banen, en dat juist daarom zowel door de behoudende als door de moderniserende vleugel met argwaan werd bekeken. Het was een ondankbare plaats om in te nemen, want zij stelde de geleerde bloot aan de verwijten van beide zijden, van hen die hem te veel openheid en van hen die hem te weinig vooruitstrevendheid verweten, maar het was de plaats die overeenstemde met zijn diepste overtuiging, en hij zou haar tot het einde van zijn leven niet verlaten. De man die in latere jaren liever de strop koos dan de verloochening van zijn overtuiging, was reeds in deze universiteitsjaren de man geworden die wist welk verschil hij wenste te bewaren tussen het werktuig dat men leent en de ziel die men behoudt.

Wat de leerstoel van Fatih hem opnieuw zou opdragen

Terwijl de jonge geleerde zich aan de Darülfünun verdiepte in de ontmoeting tussen de oude en de nieuwe kennis, was zijn leven reeds een andere richting ingeslagen die hem terugvoerde naar de wereld waarin hij was gevormd, want het Fatih-complex, waar hij zijn İstanbulse leerjaren had doorgebracht en waar hij omstreeks 1902 zijn medresestudie had voltooid, riep hem niet enkel als gewezen leerling maar voortaan als leraar. Reeds vanaf 1903, terwijl zijn jaren aan de Darülfünun nog liepen, had hij aan het Fatih-complex het onderwijs ter hand genomen in de waardigheid van Ders-i Âmm en müderris, zodat de geleerde die zich aan de moderne universiteit liet vormen tegelijkertijd in de oude medresewereld de keten van de overlevering voortzette door zelf de jongere generatie te onderwijzen. In die gelijktijdigheid, waarin hij aan de ene instelling leerling van het nieuwe was en aan de andere leraar van het oude, ligt het beeld van zijn hele levenshouding besloten, want hij stond werkelijk met één voet in elk van beide werelden en weigerde de ene voor de andere op te geven.

Het is veelzeggend dat de man die zojuist de moderne universiteit van binnenuit had leren kennen, terugkeerde naar de schaduw van de Veroveraarsmoskee om daar als müderris de overgeleverde wetenschappen door te geven aan een nieuwe kring van leerlingen, want daarmee toonde hij metterdaad wat hij in zijn houding voor waar hield, te weten dat de aanvaarding van het nuttige nieuwe en de trouw aan het overgeleverde oude geen tegenstellingen waren die elkaar uitsloten, maar twee plichten die hij in één leven verenigde. De leerstoel van Fatih legde hem opnieuw de verantwoordelijkheid op die hij bij het ontvangen van zijn icazet had aanvaard, de verantwoordelijkheid de hem toevertrouwde kennis ongeschonden door te geven, en het is in die hernieuwde opdracht, in de leerzalen van het complex waar zijn eigen vorming was begonnen, dat het volgende hoofdstuk van zijn leven zich zou ontvouwen. Hoe hij die leerstoel aanvaardde, welke kring van leerlingen zich rond hem verzamelde, en hoe de müderris van Fatih zich tot de woelige jaren verhield die het rijk in deze tijd tegemoet ging, is het onderwerp van het volgende artikel.

Bronnen

  • TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi”, Türkiye Diyanet Vakfı (İstanbul, 2000), pp. 132–135 [de gezaghebbendste academische levensbeschrijving, met de gegevens over de Darülfünun-İlâhiyat, het afstuderen van 1905 en het begin van het Fatih-onderwijs in 1903].
  • Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca, Çorum Belediyesi (Çorum, 2016) [monografie met de İstanbulse studie- en onderwijsjaren].
  • Niyazi Berkes, The Development of Secularism in Turkey, McGill University Press (1964), pp. 173–222, 366–411 [voor de Darülfünun, de hervorming van het hoger onderwijs en de spanning tussen de overgeleverde islam en de Europese beschaving].
  • Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History, I.B. Tauris (4e druk, 2017), pp. 56–112 [voor de laat-Ottomaanse onderwijscontext, de heropening van de Darülfünun en de positie van de ulema in de moderniserende staat].
واللّٰه أعلم

Sources

Hoofdbronnen: TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi” (Türkiye Diyanet Vakfı, 2000); Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca (Çorum Belediyesi, 2016); İskilipli Mehmed Âtıf, Frenk Mukallidliği ve Şapka (1924); Mustafa Armağan, Şapka Davası ve İskilipli Atıf Hoca (Bilim ve Kültür, 2008); Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History (I.B. Tauris, 4e druk 2017); Niyazi Berkes, The Development of Secularism in Turkey (McGill UP, 1964); Bernard Lewis, The Emergence of Modern Turkey (Oxford UP, 3e druk 2002); Stanford J. Shaw & Ezel Kural Shaw, History of the Ottoman Empire and Modern Turkey (Cambridge UP, 1977); Andrew Mango, Atatürk (John Murray, 1999); Ergün Aybars, İstiklâl Mahkemeleri (Bilgi Yayınevi, 1975).