Ontvangst icazet
In het voorgaande artikel volgden wij de jonge Atıf ﵀ vanaf het ogenblik dat hij in april 1893 zijn vertrouwde İskilip de rug toekeerde en de lange reis naar de hoofdstad ondernam, tot in de leerzalen van het Fatih-complex, waar hij zich zeven jaar lang met een vasthoudendheid die zijn leraren opviel aan de hogere religieuze wetenschappen wijdde. Die zeven İstanbulse jaren waren geen tijd van glans en aanzien geweest, maar van geduldig, onopvallend en vaak ontberend werk, waarin de provincieleerling de ene tekst na de andere onder de knie kreeg, de fijnere onderscheidingen van de grammatica, de logica, het recht en de Koranwetenschappen leerde hanteren, en zich ongemerkt voegde in de eerbiedwaardige kring van geleerden die de schaduw van de Veroveraarsmoskee bevolkte. Tegen het einde van die jaren, omstreeks 1902, naderde voor hem het ogenblik waarop al dat werk zijn beslag zou krijgen, niet in de vorm van een feestelijke bekroning met uiterlijk vertoon, maar in de stille en gewichtige overgang van leerling tot bevoegd geleerde, een overgang die in de wereld van de islamitische geleerdheid de naam icazet droeg en die het hart van dit artikel zal vormen.
De drempel tussen leerling en geleerde
Wie de betekenis van die overgang wil verstaan, moet zich allereerst losmaken van de moderne voorstelling van een diploma. Een diploma in de hedendaagse zin is een onpersoonlijk document, uitgereikt door een instelling op grond van behaalde cijfers en doorlopen jaren, en het ontleent zijn gezag aan de instelling die het verstrekt veeleer dan aan de mens die het ondertekent. De icazet, in het Arabisch de ijāza, behoorde tot een geheel andere orde, want zij was in haar wezen geen institutionele bekrachtiging maar een persoonlijke machtiging, verleend door een meester aan zijn leerling, waarin de meester met zijn eigen naam en zijn eigen gezag verklaarde dat de leerling een bepaalde tekst, of een reeks teksten, grondig bij hem had bestudeerd en dat hij hem voortaan de bevoegdheid toekende die teksten op zijn beurt aan anderen door te geven en te onderwijzen. Het Arabische woord ijāza is afgeleid van een werkwoord dat toestaan of vergunnen betekent, en daarin ligt de kern van de zaak besloten: niet de leerling die zich een graad verwerft, maar de meester die een vergunning verleent.
Dat onderscheid is geen spitsvondigheid, want het raakt aan de wijze waarop in de moslimwereld kennis sinds de vroegste eeuwen werd opgevat en overgeleverd. Kennis was in die opvatting geen los goed dat men uit een boek kon opdoen en vervolgens als eigen bezit kon hanteren, maar een toevertrouwd pand dat van mens tot mens werd doorgegeven, in een levende keten waarin elke schakel zijn gezag ontleende aan de schakel die hem voorafging. Het boek alleen volstond niet, want een tekst kon men verkeerd lezen, verkeerd begrijpen en verkeerd toepassen, en juist tegen die gevaren bood de persoonlijke overlevering haar waarborg: men las de tekst niet enkel, men las hem onder het waakzame oog van een meester die hem zelf onder het oog van zijn meester had gelezen, zodat de juiste lezing, de juiste klemtoon en de juiste betekenis ongeschonden van geslacht op geslacht werden doorgegeven. De icazet was het zegel op die overdracht, het schriftelijke teken dat de leerling de tekst niet enkel had gelezen maar hem op gezaghebbende wijze had ontvangen.
De keten die tot de Profeet ﷺ reikt
Het meest indrukwekkende aan de icazet, en tegelijk het minst grijpbare voor de moderne lezer, was de keten waarin zij de bevoegde leerling opnam. Wanneer een meester zijn leerling de bevoegdheid verleende een bepaald werk over te leveren, placht hij in het document niet enkel zijn eigen naam te vermelden, maar de hele reeks van namen die hem met de oorspronkelijke bron verbond, schakel na schakel terug in de tijd. Bij de overlevering van de Koran liep die keten, de isnād, langs de grote reciteurs terug tot de Metgezellen ﵃ die de openbaring uit de mond van de Profeet ﷺ zelf hadden vernomen, en bij de overlevering van de hadith liep zij langs de verzamelaars en de overleveraars eveneens terug tot de Metgezellen ﵃ en tot de Profeet ﷺ. Ook in de andere wetenschappen, in het recht, in de grammatica en in de Koranexegese, kende men zulke ketens, die de leerling verbonden met de stichters van de rechtsscholen en met de grote geleerden van de vroege eeuwen, en die hem het besef gaven dat hij niet aan het begin van iets nieuws stond maar in het verlengde van iets dat ouder was dan hijzelf en dan zijn meester en de meester van zijn meester.
Voor de leerling die zulk een document in ontvangst nam, betekende dit dat hij door een handeling van enkele ogenblikken werd ingelijfd in een gemeenschap die zich over twaalf eeuwen en over drie werelddelen uitstrekte. De namen die in zijn icazet werden opgesomd, waren geen dorre opsomming van vergeten geleerden, maar de levende leden van een keten waaraan hij voortaan zelf de jongste schakel vormde, en in die keten voelde hij de aanwezigheid van de gehele traditie die hem had voortgebracht. Het is dit besef, en niet de loutere beheersing van de stof, dat de eigenlijke vrucht van de medreseopleiding vormde, en het is dit besef dat in het leven van Atıf ﵀ de diepste sporen zou achterlaten, want de man die later liever de strop koos dan de verloochening van zijn overtuiging, was de man die in zijn jeugd had geleerd dat de kennis van de godsdienst een keten is waarvan men de schakels niet straffeloos kan breken.
Wat een icazet bevatte
De gedaante waarin zulk een machtiging werd vastgelegd, was in de loop der eeuwen tot een herkenbare vorm uitgekristalliseerd, en hoewel de bewoordingen van geleerde tot geleerde en van tekst tot tekst verschilden, keerden enkele bestanddelen telkens terug. Een icazet opende doorgaans met een lofprijzing van Allah ﷻ en een zegenbede over de Profeet ﷺ en zijn Metgezellen ﵃, want de overdracht van kennis werd begrepen als een godsdienstige handeling die met de gepaste eerbied behoorde te worden omkleed, en niet als een zakelijke transactie tussen twee partijen. Na deze opening volgde de eigenlijke getuigenis van de meester, waarin hij verklaarde dat de met name genoemde leerling het met name genoemde werk, of de reeks werken, bij hem had gelezen, bestudeerd en doorgrond, en waarin hij vervolgens met uitdrukkelijke bewoordingen verklaarde hem te vergunnen die kennis verder over te leveren.
Op die getuigenis volgde, in een uitgewerkte icazet, de opsomming van de teksten die de leerling had beheerst, en die opsomming gold als een nauwkeurig getuigschrift van het bereikte peil, want zij maakte voor ieder die het document onder ogen kreeg zichtbaar welke werken de geleerde mocht onderwijzen en met welk gezag. Daaraan werd de overleveringsketen toegevoegd, de reeks van leraren langs wie de meester zijn eigen bevoegdheid had ontvangen, en in een rijke en zorgvuldig opgestelde icazet kon die keten zich uitstrekken over tientallen namen, elk met de aanduiding van de plaats en soms van het jaar waarin de overlevering had plaatsgevonden. Het document werd besloten met de naam en de eigenhandige ondertekening van de meester, vaak vergezeld van de datum en de plaats van uitgifte, en niet zelden van een vermaning aan de leerling om de hem toevertrouwde kennis met godvrucht, met nederigheid en met trouw aan de overlevering te hanteren.
De verantwoordelijkheid die zij oplegde
Het zou een misverstand zijn de icazet enkel als een eer te beschouwen, want zij was minstens evenzeer een last. Met de bevoegdheid om kennis over te leveren ontving de leerling tegelijkertijd de verantwoordelijkheid voor de wijze waarop hij die kennis zou hanteren, en die verantwoordelijkheid reikte verder dan de loutere correctheid van zijn onderwijs. Wie was opgenomen in de keten van overleveraars, droeg de plicht de keten ongeschonden door te geven, hetgeen betekende dat hij de hem toevertrouwde leer noch uit gemakzucht mocht verwateren, noch uit eigenzinnigheid mocht verdraaien, noch uit vrees voor de machthebbers mocht verloochenen. De vermaning waarmee menige icazet besloot, dat de leerling Allah ﷻ in het oog moest houden bij het overleveren van de kennis, was geen vrome formaliteit maar de samenvatting van een geheel ethos, waarin de geleerde zich begreep als een rentmeester van een goed dat hem niet toebehoorde maar dat hij in vertrouwen had ontvangen en dat hij in vertrouwen behoorde door te geven.
In dat ethos lag een gestrengheid besloten die de buitenstaander gemakkelijk over het hoofd ziet. De geleerde die zijn icazet ernstig nam, kon zijn leer niet plooien naar de wisselende eisen van de tijd of naar de voorkeuren van de heersers, want hij was niet de eigenaar van wat hij overleverde, en wat niet het zijne is kan men niet weggeven of versjacheren. Men begrijpt de standvastigheid van zulke mannen dan ook verkeerd wanneer men haar als koppigheid of als wereldvreemdheid leest, want zij vloeide niet voort uit een gebrek aan inzicht in de tijd waarin zij leefden, maar uit een diep doorleefd besef dat zij over de hun toevertrouwde kennis niet vrijelijk konden beschikken; zij waren de bewaarders ervan, niet haar bezitters, en een bewaarder die het hem toevertrouwde goed prijsgeeft zodra de druk toeneemt, heeft zijn ambt verraden nog voordat hij zijn vrijheid heeft verloren. Juist daarom kweekte de medrese met de stof tegelijk een houding aan die de geleerde in tijden van druk tot een onbuigzaam man kon maken, en het is geen toeval dat zovele van de geleerden die zich in de twintigste eeuw tegen de ontmanteling van de islamitische instellingen verzetten, hun standvastigheid ontleenden aan precies dit besef van een toevertrouwd pand. Atıf ﵀ behoorde tot dat geslacht, en de keten waarin zijn icazet hem opnam, was voor hem niet een eervolle herinnering aan zijn studietijd maar een levende verplichting die hij tot zijn laatste dag zou eerbiedigen.
De ruûs-examinatie en het İstanbulse müderrislik
De persoonlijke icazet van de meester was de oudste en de wezenlijkste vorm van licentie, maar in het laat-Ottomaanse İstanbul stond zij niet meer alleen, want het rijk had in de loop der eeuwen rondom het oude overleveringsstelsel een geheel apparaat van officiële examens en aanstellingen opgebouwd, dat de toegang tot de hogere onderwijsambten in de hoofdstad regelde. Wie in İstanbul de waardigheid van müderris wilde verwerven, de bevoegdheid om aan een van de medresen van de hoofdstad als hoogleraar de hoogste teksten te onderwijzen, moest naast de persoonlijke bekrachtiging door zijn leraren ook de officiële proef doorstaan die in de Ottomaanse traditie de ruûs werd genoemd. Het woord ruûs, in het Arabisch het meervoud van een woord dat hoofd of begin betekent, duidde in dit verband op de officiële brevetten waarmee de staat de geslaagde kandidaat in de rang van müderris opnam en hem daarmee de toegang tot de İstanbulse onderwijsambten ontsloot.
Voor Atıf ﵀ kwam het ogenblik van die proef in het jaar 1902, toen hij na zijn zeven jaren aan het Fatih-complex zijn medresestudie had voltooid en zich aan de ruûs-examinatie onderwierp die hem voor een İstanbulse müderrislik zou kwalificeren. Dat hij die proef met goed gevolg aflegde, betekende dat hij niet enkel in de besloten kring van zijn leraren als bevoegd geleerde was erkend, maar dat hij ook door de officiële instanties van het rijk in de gelederen van zijn geleerdenstand was opgenomen, een dubbele bekrachtiging die in deze jaren de volwaardige İstanbulse geleerde kenmerkte. De ruûs was de officiële sleutel, en de icazet van zijn meesters was de geestelijke grondslag waarop die sleutel rustte, en het is in de samenloop van die twee, het persoonlijke gezag van de overlevering en de officiële erkenning van het rijk, dat zich voor de provincieleerling uit İskilip de poort opende naar de loopbaan van de İstanbulse müderris.
De plaats van de geleerde in de Ottomaanse orde
Om te beseffen welk een verworvenheid dit voor hem betekende, moet men zich rekenschap geven van de plaats die de geleerdenstand, de ulema, in de Ottomaanse orde innam. De ulema vormden in het rijk geen losse verzameling van vrome studieuze mannen, maar een hecht georganiseerde en hooggeplaatste stand, de zogenoemde ilmiye, die het onderwijs, de rechtspraak en de godsdienstige adviesverlening van het rijk in handen had en die aan haar top, in de waardigheid van de Şeyhülislâm, een van de hoogste ambten van de staat bezette. Wie tot die stand werd toegelaten, betrad een wereld van rangen en aanstellingen die het hele rijk overspande, van de bescheiden imam van een dorpsmoskee tot de geleerde die in de schaduw van de sultan over de toelaatbaarheid van diens daden oordeelde, en de İstanbulse müderrislik vormde binnen die wereld een van de aanzienlijke sporten, want zij plaatste de geleerde in het hart van het onderwijs van de hoofdstad zelf.
Het was deze stand die in de laat-Ottomaanse jaren onder een toenemende druk kwam te staan, naarmate het rijk zijn instellingen naar Europees model hervormde en naast de vertrouwde medrese een geheel nieuw stelsel van staatsscholen, rechtbanken en ambtenarenopleidingen liet verrijzen dat de ulema geleidelijk van hun oude taken verdrong. De jonge geleerde die in 1902 tot de ilmiye toetrad, betrad dus een wereld die haar hoogtepunt achter zich had en die zich in de jaren die volgden voor haar voortbestaan zou moeten verweren, en het is een van de wrange beschikkingen van zijn levensloop dat hij de waardigheid van geleerde verwierf op het ogenblik dat die waardigheid haar eeuwenoude vanzelfsprekendheid begon te verliezen. Maar zover was het in 1902 nog niet, en voor de jongeman uit İskilip betekende de toetreding tot de geleerdenstand bovenal de bekroning van alles waarvoor hij sinds zijn kindertijd had gewerkt.
Wat de licentie betekende voor de wees uit İskilip
Het is op dit punt goed het oog niet enkel op het stelsel maar op de mens te richten, want achter de instelling van de icazet en achter de officiële proef van de ruûs ging een persoonlijke geschiedenis schuil die aan de bekrachtiging haar volle gewicht gaf. De jongen die nu, omstreeks 1902, in de gelederen van de İstanbulse geleerden werd opgenomen, was als kind zijn vader verloren toen hij nauwelijks een half jaar oud was, en hij was opgegroeid in het huis van zijn grootvader in een afgelegen provinciestad, ver van de glans van de hoofdstad en zonder de rugdekking van fortuin of naam die menige loopbaan in het rijk vergemakkelijkte. Dat zulk een kind het tot de binnenste kring van de geleerdheid van de hoofdstad had gebracht, was niet onmogelijk, want de wereld van de religieuze kennis stond in de moslimsamenleving juist het sterkst open voor wie talent en toewijding bezat ongeacht zijn afkomst, maar het was evenmin vanzelfsprekend, en het getuigde van een vasthoudendheid die zich over vele jaren van ontbering had moeten bewijzen.
De brief en de proef van 1902 bekrachtigden niet enkel de kennis die hij had vergaard, maar in zekere zin het hele traject dat hij sinds zijn kinderjaren in de schaduw van de İskilipse moskee had afgelegd. De fundamenten die hij onder leiding van Hoca Abdullah Efendi ﵀ in het Caca Bey-leerhuis had gelegd, de Arabische grammatica, de eerste beginselen van het recht en de Koranwetenschap, droegen nu de volle bovenbouw van een İstanbulse geleerdheid, en de eenzame reis die hij in april 1893 tegen de wens van zijn familie had ondernomen, had haar rechtvaardiging gevonden. Men mag aannemen dat de jongeman die deze bekrachtiging ontving, in stilte zijn dankbaarheid richtte tot Allah ﷻ, die de wees uit het bergstadje langs een weg vol ontbering tot dit ogenblik had geleid, en dat hij in dat ogenblik niet de trots van de verworven rang ervoer maar de ernst van de verantwoordelijkheid die ermee samenhing.
De gestrengheid van een verworven waardigheid
Het is verleidelijk om over zulk een moment een tafereel van uiterlijke vreugde te schilderen, maar de eerlijkheid gebiedt te erkennen dat de bronnen ons over de persoonlijke beleving van Atıf ﵀ in deze dagen weinig hebben nagelaten, en dat wij hier behoedzaam te werk moeten gaan en het schaarse dat vaststaat niet mogen aanvullen met wat wij zouden willen weten. Wat de bronnen wél met zekerheid vermelden, is dat hij omstreeks 1902 zijn medresestudie voltooide en de ruûs-proef doorstond, en dat hij daarmee de bevoegdheid verwierf die hem het jaar daarop, in 1903, in staat zou stellen aan het Fatih-complex zelf als Ders-i Âmm en müderris het onderwijs ter hand te nemen. Een feestelijke plechtigheid met genodigden en redevoeringen wordt door de betrouwbare levensbeschrijvingen niet als gedocumenteerd feit overgeleverd, en het zou een vorm van geschiedvervalsing zijn een dergelijk tafereel met verzonnen bijzonderheden op te sieren; wat de overlevering ons wél toestaat te zeggen, is dat de bekrachtiging zich voltrok in de stille en gewichtige toon die bij de overdracht van een toevertrouwd pand past.
Belangrijker dan de uiterlijke gedaante van het ogenblik is de innerlijke betekenis die het in zijn leven aannam, want de waardigheid van geleerde was voor Atıf ﵀ van het begin af aan geen ereteken dat men draagt maar een verplichting die men nakomt. De keten waarin zijn icazet hem had opgenomen, en de stand waarin de ruûs hem had bevestigd, legden hem de plicht op de overgeleverde kennis ongeschonden door te geven, en juist die plicht zou in de jaren die volgden de kern van zijn houding vormen, eerst als müderris en publicist, later als bestuurder van de geleerdenvereniging, en ten slotte als de man die voor de Onafhankelijkheidsrechtbank stond en weigerde zijn overtuiging prijs te geven. De gestrengheid waarmee hij zijn kennis hanteerde, was niet de hardheid van een onbuigzaam karakter maar de gehoorzaamheid van een man die zich aan een keten gebonden wist die ouder was dan hijzelf, en die hij niet meende te mogen breken.
Waar de oude geleerdheid de moderne universiteit zou ontmoeten
Wanneer een jongeman de drempel van de bevoegde geleerdheid overschrijdt, ligt voor hem doorgaans de eenvoudige weg open van het onderwijs en de overlevering, de weg waarop hij de hem toevertrouwde kennis aan een nieuwe generatie zou doorgeven zoals zij aan hem was doorgegeven, en niets in de waardigheid die Atıf ﵀ omstreeks 1902 verwierf, verplichtte hem ertoe nog een andere weg in te slaan. Toch koos hij, en hierin onthult zich iets van de aard van zijn geest, niet voor de geslotenheid van de vertrouwde medresewereld alleen, maar wendde hij zich in de jaren die onmiddellijk op zijn licentie volgden tot een instelling die in zijn dagen nog jong en omstreden was, de Darülfünun, het Huis van de Wetenschappen, dat het rijk naar het voorbeeld van de Europese universiteiten had opgericht om de moderne wetenschappen onder zijn jeugd te verbreiden.
Aan de İlâhiyat-faculteit van die Darülfünun, de faculteit van de godgeleerdheid, zou de geleerde die zijn klassieke vorming aan het Fatih-complex had voltooid, zich inschrijven om de overgeleverde kennis van de medrese te verbinden met de nieuwe vormen van het universitaire onderwijs, en in die verbinding ligt iets wezenlijks van zijn levenshouding besloten. Want de man die later om zijn verzet tegen de verwestersing van de uiterlijke gebruiken zou worden veroordeeld, was geen man die de moderne kennis verwierp of die zich uit vrees voor de nieuwe tijd in de vertrouwde wereld terugtrok; hij was een man die de overgeleverde kennis grondig genoeg in zich had opgenomen om haar zonder vrees naast de nieuwe wetenschappen te kunnen plaatsen, en die meende dat de moslimgeleerde de instrumenten van zijn tijd behoorde te beheersen zonder daarbij de keten te verloochenen waaraan hij zich gebonden wist.
Het is in die ontmoeting tussen de oude geleerdheid van de medrese en de moderne universiteit van de Darülfünun dat het volgende hoofdstuk van zijn leven zich zou afspelen, en het is daar, aan de İlâhiyat-faculteit waar hij zich kort na zijn licentie zou inschrijven, dat de provincieleerling uit İskilip zijn vorming zou voltooien in een gedaante die noch zuiver klassiek noch zuiver modern was, maar de beide werelden in één man verenigde. Hoe die inschrijving zich voltrok, wat de Darülfünun in deze jaren betekende, en hoe de jonge geleerde de overgeleverde kennis en de moderne wetenschap in zijn eigen vorming met elkaar verzoende, is het onderwerp van het volgende artikel.
Bronnen
- TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi”, Türkiye Diyanet Vakfı (İstanbul, 2000), pp. 132–135 [de gezaghebbendste academische levensbeschrijving, met de gegevens over de medresevoltooiing en de ruûs-examinatie van 1902].
- Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca, Çorum Belediyesi (Çorum, 2016) [monografie met de İskilipse en İstanbulse studiejaren].
- George Makdisi, The Rise of Colleges: Institutions of Learning in Islam and the West, Edinburgh University Press (1981), pp. 140–152, 270–280 [over de ijāza, de overleveringsketen en de persoonlijke aard van de islamitische licentie].
- Jonathan Berkey, The Transmission of Knowledge in Medieval Cairo: A Social History of Islamic Education, Princeton University Press (1992), pp. 21–43 [over de ijāza-traditie en de band tussen meester en leerling].
- Mehmet İpşirli, “Osmanlı İlmiye Teşkilatında İcazetname Geleneği”, in Osmanlı Araştırmaları 14 (1994), pp. 7–24 [over de Ottomaanse icazet-traditie en de ruûs-examinatie].
- Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History, I.B. Tauris (4e druk, 2017), pp. 56–112 [voor de laat-Ottomaanse onderwijscontext en de positie van de ilmiye].
