Hoger onderwijs in Istanbul
In het vorige artikel volgden wij de jonge Atıf ﵀ door de leerjaren die hij aan het Caca Bey-leerhuis in İskilip doorbracht, waar hij onder de hoede van Hoca Abdullah Efendi ﵀ de eerste schreden op het pad van de religieuze wetenschappen zette en zich de grondbeginselen van het Arabisch, van de Koranwetenschap en van het islamitische recht eigen maakte. Maar de provinciale medrese, hoe eerbiedwaardig haar traditie ook was, kon op den duur niet bieden wat de begaafdheid van de jongeman vereiste, en tegen het begin van de jaren negentig had hij het onderricht van zijn İskilipse leraren uitgeput en stond hij voor de keuze die het verdere verloop van zijn leven zou bepalen. Tegen de wens van zijn familie in, die hem liever in de vertrouwde omgeving van zijn geboortestreek had gehouden, besloot Atıf ﵀ in april van het jaar 1893 zijn geboortestad achter zich te laten en de lange en moeizame weg naar de hoofdstad te ondernemen, waar de grootste leerhuizen van het rijk hun poorten openden voor wie de hoogste graden van de religieuze wetenschap wilde bereiken. Het was een stap die voor een vaderloze jongeman uit een Anatolisch provinciestadje alles behalve vanzelfsprekend was, en zij vergde een vastberadenheid die reeds vooruitwees naar de standvastigheid die hem een leven lang zou kenmerken.
De reis naar de hoofdstad
De afstand tussen İskilip en İstanbul bedroeg in vogelvlucht enkele honderden kilometers, maar voor een reiziger in het laat-Ottomaanse Anatolië was die afstand een onderneming van dagen, en wie haar in 1893 aflegde deed dat over de oude wegen die zich door het heuvelland van Çorum naar het westen slingerden, te voet of op de rug van een lastdier, langs de etappes van de herbergen waar men de nacht doorbracht in het gezelschap van handelaars, ambtenaren en andere naar de hoofdstad trekkende provincialen. De spoorlijn die later het binnenland van Anatolië met İstanbul zou verbinden was in deze jaren nog volop in aanleg en bereikte de noordelijke streken waar İskilip lag nog niet, zodat de jonge Atıf ﵀ het grootste deel van zijn weg moest afleggen zoals de generaties voor hem dat hadden gedaan, met de bergen en de vlakten van zijn vaderland langzaam aan zich voorbijtrekkend en met de stad van zijn bestemming als een nog onzichtbaar punt aan de verre westelijke horizon.
Zulk een reis was voor een jongeman van achttien jaar niet enkel een verplaatsing in de ruimte maar een overgang van de ene wereld naar de andere, van de overzichtelijke beslotenheid van de provinciestad naar de overweldigende uitgestrektheid van de hoofdstad van een wereldrijk, en de jongeman die in İskilip iedere steeg en iedere bewoner kende liet die geborgenheid achter zich om een stad binnen te treden waarin hij, althans aanvankelijk, niemand was: een naamloze provinciale student tussen de duizenden die jaar na jaar vanuit alle hoeken van het rijk naar de hoofdstad trokken in de hoop er een toekomst te vinden. Dat hij die stap zette tegen de wens van zijn naasten in, en zonder de zekerheid van fortuin of bescherming die de zoon van een aanzienlijke familie wel zou hebben bezeten, getuigt van een innerlijke roeping die sterker was dan de bedenkingen van zijn omgeving en dan de natuurlijke vrees voor het onbekende.
De stad aan de twee zeeën
De stad die de jonge Atıf ﵀ in 1893 betrad, was naar alle maatstaven een van de merkwaardigste plaatsen ter wereld, gelegen op de naad waar Europa en Azië elkaar raken en waar de wateren van de Zwarte Zee door de Bosporus naar de Zee van Marmara stromen, een stad die sinds bijna anderhalf duizend jaar de zetel van keizerrijken was geweest en die in haar straten en op haar heuvels de gelaagde herinnering aan al die eeuwen met zich meedroeg. Het was de stad van de grote keizerlijke moskeeën en van de paleizen langs de Bosporus, van de havens waar de schepen van alle naties aanlegden en van de overdekte bazaars waar de handel van drie werelddelen samenkwam, en wie er voor het eerst aankwam moest zich klein voelen tegenover de koepels en de minaretten en tegenover het rumoer van de menigten die zich over de bruggen van de Gouden Hoorn bewogen.
Voor de jonge provinciaal uit Çorum was deze aanblik zonder twijfel overweldigend, en de bronnen laten ons de bijzonderheden van zijn eerste indrukken niet na, zodat wij over zijn gemoed in die eerste dagen slechts kunnen gissen. Wat wij wél met zekerheid kunnen zeggen, is dat de stad waarin hij aankwam bovenal de zenuwknoop van het islamitische geleerde leven van het rijk was, het punt waarheen de begaafde studenten uit alle provincies samenstroomden en vanwaaruit de hoogste benoemingen in het onderwijs, de rechtspraak en het religieuze bestuur werden vergeven. Naar die wereld was Atıf ﵀ gekomen, en het is in haar eerbiedwaardige milieu dat hij de volgende ongeveer zeven jaren zou doorbrengen.
Het rijk onder Abdülhamid II
Toen Atıf ﵀ in 1893 in İstanbul aankwam, was het Ottomaanse Rijk al ruim vijftien jaar in handen van sultan Abdülhamid II, die in 1876 de troon had bestegen in een tijd van diepe crisis. De sultan had bij zijn troonsbestijging een grondwet en een parlement aanvaard, maar reeds in 1878, onder de druk van de rampzalige oorlog met Rusland en de vernederingen van het Congres van Berlijn, had hij het parlement geschorst en de grondwet buiten werking gesteld, om voortaan als alleenheerser te regeren vanuit zijn paleis Yıldız in de heuvels boven de Bosporus. Het was deze toestand van persoonlijk bewind die de hele wereld waarin de jonge student zijn studie aanving doortrok.
Het bewind van Abdülhamid II was er een van tegenstrijdigheden die de geschiedschrijver behoedzaam moet wegen. Aan de ene kant was het een tijd van argwaan en toezicht, waarin een uitgebreid netwerk van verklikkers en een strenge censuur over de pers en het openbare woord waakten, zodat een verkeerd geplaatste opmerking een man zijn betrekking of zijn vrijheid kon kosten en de hoofdstad onder een sluier van voorzichtigheid leefde. Aan de andere kant was het ook een tijd van bouwen en moderniseren, waarin de sultan scholen, spoorwegen, telegraaflijnen en militaire academies liet aanleggen en het bestuurlijke apparaat een graad van uitgebreidheid bereikte die het nooit eerder had gekend. De jongeman die in dit rijk zijn opleiding begon, deed dat dus in een wereld die tegelijk verstard en in beweging was, en de spanning tussen die twee zou de hele generatie waartoe hij behoorde een leven lang bezighouden.
De pan-islamitische roeping van het bewind
Een element van het bewind raakte het milieu waarin Atıf ﵀ zich bewoog op een diepere wijze dan de censuur of de bouwwoede, en dat was de nadruk die de sultan legde op zijn waardigheid als kalief, als beschermheer van de moslims overal ter wereld. In een tijd waarin het rijk zijn christelijke provincies op de Balkan de een na de ander verloor en de Europese mogendheden hun greep op de randgebieden van de islamitische wereld verstevigden, zocht de sultan zijn legitimiteit steeds nadrukkelijker in zijn rol als het hoofd van de wereldwijde moslimgemeenschap, en hij liet de band tussen de moslims van het rijk en de moslims daarbuiten, tot in India en Centraal-Azië toe, met zorg cultiveren. Deze pan-islamitische strekking van het bewind verschafte aan de religieuze geleerdheid van de hoofdstad een verhoogd aanzien, want de ulama waren bij uitstek de dragers en de vertolkers van de islamitische verbondenheid waarop de sultan zijn aanspraken bouwde.
Voor een jonge student van de religieuze wetenschappen was dit een atmosfeer die zijn keuze voor de weg van de medrese eerder bevestigde dan ondermijnde, want zij plaatste de geleerdheid die hij nastreefde in het hart van de vragen waarmee het rijk worstelde. De gedachte dat de islam de band was die de uiteengeslagen moslimwereld bijeenhield, en dat de geleerden de hoeders van die band waren, was niet enkel een staatsleer die uit het paleis afdaalde maar een overtuiging die in de leerhuizen en de moskeeën van de hoofdstad weerklank vond, en hier ligt, vooruitlopend op wat komen gaat, een van de wortels van de overtuiging die zijn latere leven zou bepalen: dat de islam en de eenheid van de moslims niet een privézaak van de vrome ziel waren maar een goed dat in het openbare leven verdedigd en bewaard diende te worden, had hij in deze jaren in zich opgenomen lang voordat de geschiedenis hem op de proef zou stellen.
Het Fatih-complex en zijn leerhuizen
Het hart van het religieuze geleerde leven van İstanbul lag sinds eeuwen in de wijk rond de grote moskee van de Veroveraar, de Fatih Camii, die sultan Mehmed II na de verovering van de stad in 1453 had laten oprichten op een van de heuvels boven de Gouden Hoorn, en aan wier voet hij een uitgestrekt complex van leerhuizen had laten bouwen dat sindsdien tot de voornaamste centra van het islamitische onderwijs in het rijk behoorde. Het was naar dit Fatih-complex dat de jonge Atıf ﵀ zich begaf, en het is binnen zijn muren dat hij de ongeveer zeven jaren van zijn hogere studie zou doorbrengen.
De medreses die de grote moskee omringden vormden tezamen een onderwijswereld op zichzelf, met haar eigen ritme, haar eigen rangorde en haar eigen eeuwenoude gebruiken. In de cellen rondom de binnenhoven woonden de studenten die uit alle hoeken van het rijk waren toegestroomd, van de Balkan tot de Arabische gewesten en van de Egeïsche kusten tot de bergen van Oost-Anatolië, en zij vormden een gemeenschap van jonge mannen die hun dagen aan de studie wijdden en hun nachten in eenvoud doorbrachten. De medrese was geen school in de moderne zin maar een levensvorm die de student geheel omsloot, en wie er binnentrad gaf zich over aan een orde waarin het onderricht, het gebed, de soberheid en de gemeenschap onlosmakelijk met elkaar verweven waren.
De armoede en de tucht van het studentenleven
Het leven dat de jonge Atıf ﵀ in de Fatih-medreses leidde, was er een van een grote eenvoud die de hedendaagse lezer slechts met moeite kan navoelen. De provinciale student die zonder fortuin naar de hoofdstad was gekomen, beschikte niet over de middelen om er in weelde te leven, en de meeste studenten waren aangewezen op de bescheiden toelagen van de vrome stichtingen, op de soep en het brood die de keukens van de stichtingen verstrekten, en op de gaven van de vromen die het ondersteunen van de studenten van de religieuze wetenschappen als een verdienstelijk werk beschouwden. Het was een bestaan dat dicht bij de armoede stond, waarin een student soms moest kiezen tussen de aanschaf van een boek en de inkoop van zijn brood, en waarin de winterkou in de ongestookte cellen werd gedragen als de natuurlijke prijs van de weg die men had verkozen.
Het zou onjuist zijn deze armoede te beklagen alsof zij enkel een ontbering was, want in het zelfverstaan van de student van de religieuze wetenschappen behoorde de soberheid tot de weg zelf, en de onthechting van de wereldse genietingen werd niet als een tegenslag ervaren maar als een voorwaarde voor de zuivere toewijding aan de kennis. De jongeman die jaar na jaar in een ongestookte cel van het Fatih-complex zijn teksten bestudeerde, oefende zich in een tucht die niet enkel zijn verstand maar ook zijn karakter vormde, want zij leerde hem zijn voldoening niet in het bezit maar in het verwerven van de kennis te zoeken; en zo waren de magere jaren van de hoofdstad een voortzetting van de school van de onthechting die het vroege verlies van zijn vader en de soberheid van het provincieleven reeds in zijn jeugd hadden begonnen, en zij legden de grondslag voor de gemoedsrust waarmee hij vele jaren later de zwaarste beproevingen tegemoet zou treden.
De weg van het onderricht
Het onderwijs dat de jonge Atıf ﵀ in de Fatih-medreses ontving, verliep volgens een vaste en eeuwenoude orde die de student langs een trapsgewijze opklimming door de religieuze wetenschappen voerde, van de hulpwetenschappen die de toegang tot de teksten openden tot de hoogste vakken waarin de kern van de islamitische geleerdheid besloten lag. De leerling vorderde niet door het doorlopen van een rooster van uren en klassen, maar door het beheersen van de ene tekst na de andere, telkens in de kring rond een geleerde die met de tekst voor zich en zijn studenten in een halve cirkel om zich heen gezeten was, en hij steeg in aanzien naarmate hij zich de moeilijker werken eigen maakte en de bevoegdheid verwierf om ze op zijn beurt aan anderen door te geven.
De grondslag van die opklimming werd gelegd in de Arabische taalwetenschappen, want zonder een grondige beheersing van het Arabisch bleven de bronnen van de godsdienst voor de student gesloten. In zijn İskilipse jaren had Atıf ﵀ reeds de beginselen van het Arabisch geleerd, maar in de hoofdstad verdiepte hij zich in de gevorderde grammatica en in de welsprekendheidsleer, in de fijne onderscheidingen van de syntaxis en in de kunst van de treffende uitdrukking die de gevorderde student in staat moest stellen de bedoeling van een tekst tot in haar kleinste wendingen te volgen. Het was een arbeid van geduld en van nauwgezetheid die de geest van de student oefende in de discipline van het precieze lezen, de voorwaarde voor alle verdere studie.
De rationele wetenschappen en de rechtsleer
Op de grondslag van de taalwetenschappen bouwde het onderricht voort met de rationele wetenschappen, in de eerste plaats de logica, die de student de regels van het sluitende redeneren bijbracht en hem leerde een drogreden van een deugdelijk argument te onderscheiden. De logica gold in de islamitische geleerdheid als de poort tot de wetenschappen, want zij verschafte het werktuig waarmee de student in alle andere vakken zijn weg moest banen, en zij vormde tezamen met de overige rationele vakken de scholing van het verstand die de student in staat stelde de overgeleverde kennis niet enkel te onthouden maar haar samenhang te doorgronden.
Het hart van de studie lag echter in de eigenlijke religieuze wetenschappen, en daaronder nam het islamitische recht een centrale plaats in. Atıf ﵀ verdiepte zich in de Hanafi rechtsschool, de school waarnaar de rechtspraak van het Ottomaanse Rijk werd gevoerd, en hij bestudeerde naast de bepalingen van het recht zelf ook de grondslagenleer ervan, de wetenschap die de beginselen onderzocht waaruit de rechtsgeleerden hun oordelen afleidden en die de student leerde hoe uit de Koran, de overlevering van de Profeet ﷺ en de overige bronnen de regels van het handelen werden ontvouwd. Het was deze rechtswetenschap die de geleerde toerustte om in de geschillen van de gemeenschap het oordeel van de godsdienst te kennen en uit te spreken, en zij vormde daarmee het meest praktische en tegelijk het meest verantwoordelijke deel van zijn opleiding.
De Koranexegese, de overleveringswetenschap en de geloofsleer
Boven het recht uit reikte de studie naar de twee bronnen waaruit het recht zelf werd geput, de Koran en de overlevering van de Profeet ﷺ. In de Koranexegese leerde de student de heilige tekst niet enkel reciteren, hetgeen hij sinds zijn kinderjaren had gedaan, maar haar betekenissen ontvouwen aan de hand van de grote commentaren, met aandacht voor de gelegenheden waarbij de verzen waren neergedaald en voor de wijze waarop de geleerden door de eeuwen heen haar bedoeling hadden verstaan; en in de overleveringswetenschap bestudeerde hij de berichten over de woorden en de daden van de Profeet ﷺ en leerde hij de kunst waarmee de geleerden de betrouwbare overlevering van de zwakke onderscheidden door de ketens van de overdragers met grote nauwgezetheid te beproeven.
Naast deze beide stond de geloofsleer, de wetenschap die de inhoud van het geloof zelf ordende en die de student de leerstellingen aanreikte waarmee de soennitische islam zijn opvatting van Allah ﷻ, van Zijn eigenschappen, van de profeetschap en van het hiernamaals tegenover de afwijkende strekkingen had afgebakend. In het Ottomaanse Rijk werd deze geloofsleer overgeleverd in de Maturidi traditie, die naast de verwante Ashari school de gevestigde uitdrukking van de soennitische geloofsleer vormde, en haar studie gaf aan de jonge Atıf ﵀ het rustige en doordachte begrip van de fundamenten van het geloof dat hem later, toen die fundamenten in het openbare leven werden aangevochten, zijn standvastigheid zou verlenen.
De geleerden van het Fatih-complex
Het milieu waarin de jonge Atıf ﵀ zijn vorming ontving, werd gedragen door de gemeenschap van de geleerden die in de Fatih-medreses en in de overige leerhuizen van de hoofdstad onderwezen. Tot de vermaarde leraren van het Fatih-complex in deze jaren behoorden enkele van de meest gerespecteerde ulama van het rijk, mannen wier onderricht de studenten uit alle provincies naar de hoofdstad trok en wier oordeel in de vragen van de godsdienst gezag droeg tot in de verste uithoeken van de Ottomaanse wereld, en het is waarschijnlijk dat de jonge student uit İskilip in zijn jaren aan het complex aan de voeten van meer dan een van deze geleerden heeft gezeten.
Hier echter is de behoedzaamheid van de geschiedschrijver geboden, want de bronnen laten ons niet toe met zekerheid te zeggen welke geleerden zijn eigenlijke leermeesters zijn geweest, en het zou een vorm van geschiedvervalsing zijn het schaarse dat wij weten aan te vullen met namen die de overlevering ons niet heeft bevestigd. Wat wij met recht kunnen zeggen, is dat hij zich bewoog in een wereld van geleerdheid van de hoogste rang, dat hij er de stof beheerste die de gevorderde student behoorde te beheersen, en dat hij er werd opgenomen in de keten van leraren en leerlingen die de overgeleverde kennis van de ene generatie aan de volgende doorgaf; veel preciezer dan dat laat zijn studiemilieu zich niet reconstrueren.
De band tussen leraar en leerling
De band tussen de leraar en de leerling stond in het hart van het hele bestel, want de kennis werd niet uit een handboek opgedaan maar uit de mond van een meester ontvangen, en de student die een tekst onder leiding van een geleerde had doorgewerkt ontving van hem de bevoegdheid om haar op zijn beurt te onderwijzen, een bevoegdheid die slechts werd verleend wanneer de meester overtuigd was van de beheersing en de betrouwbaarheid van zijn leerling. Door die persoonlijke overdracht, die de leerstof onlosmakelijk verbond met een houding van eerbied voor het overgeleverde en van geduld in het langdurige werk, werd de student opgenomen in een keten die, schakel na schakel, terugreikte tot de Metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ en daarmee tot de openbaring zelf. De jonge Atıf ﵀ nam die houding zo grondig in zich op dat zij hem nooit meer zou verlaten, en wie het latere verloop van zijn leven wil verstaan, doet er goed aan in deze jaren van geduldige vorming de wortel te zoeken van de man die op een dag liever de dood zou kiezen dan de verloochening van zijn overtuiging.
De vroomheid van de student
Over de innerlijke vroomheid van de jonge Atıf ﵀ in deze jaren laten de bronnen ons evenzeer in het ongewisse als over de bijzonderheden van zijn onderricht, en de geschiedschrijver moet zich ook hier hoeden voor de neiging om het beeld met verzonnen taferelen op te sieren. Wat wij met recht kunnen zeggen, is dat de weg van de gevorderde studie in de soberheid van een medresecel naar haar aard de weg van een vroom man was, en dat de tucht van het studentenleven, met haar onthechting van de wereldse genietingen en haar dagelijkse ritme van gebed en studie, een vorm van godsvrucht was die geen verdere opsmuk behoeft om in haar ernst herkenbaar te zijn.
Het is van belang hier behoedzaam te zijn tegenover de verleiding om de vroomheid van de jonge geleerde in te kleuren met de toebehoren van een geestelijke broederschap of een soefi-orde die de overlevering hem niet heeft toegeschreven. De wereld van de İstanbulse geleerdheid kende een rijke verscheidenheid aan vrome strekkingen, en menige geleerde stond in betrekking tot de geestelijke broederschappen die in de hoofdstad bloeiden, maar wat het leven van Atıf ﵀ aangaat ontbreekt het ons aan het houvast om hem aan een bepaalde orde of aan een bepaalde geestelijke leidsman te verbinden, en het zou onverantwoord zijn een dergelijke band te veronderstellen waar de gegevens haar niet dragen. Zijn godsvrucht was de godsvrucht van de toegewijde geleerde, geleefd in de praktijk van de studie en het gebed, en zij behoeft geen verdere etikettering om in haar oprechtheid te worden geëerbiedigd.
De ontwakende moslimpers
In de jaren waarin de jonge Atıf ﵀ zijn studie aan het Fatih-complex doorliep, ontwikkelde zich in de hoofdstad, ondanks de strenge censuur van het bewind, een wereld van het gedrukte woord die voor de toekomst van de islamitische geleerdheid van grote betekenis zou worden. De pers had sinds de hervormingen van de negentiende eeuw een steeds grotere plaats ingenomen, en naast de bladen die het wereldse nieuws behandelden ontstonden in deze jaren ook de tijdschriften die zich aan de vragen van de godsdienst en aan de verdediging van de islam in een veranderende wereld wijdden. Het was een nieuw werktuig in de handen van de geleerden, want het stelde hen in staat hun stem te laten reiken tot een veel ruimer gehoor dan de kring van de moskee en de medrese, en het verbond de geleerdheid van de hoofdstad met de vragen die in de bredere samenleving leefden.
De jonge student die in deze jaren zijn vorming ontving, groeide op in de schaduw van deze ontwakende moslimpers, en hoewel hij zelf eerst in latere jaren tot de schrijvers van de religieuze tijdschriften zou behoren, in bladen als Sebîlürreşâd en Beyânülhak die tot de voornaamste spreekbuizen van de geleerdheid zouden uitgroeien, ligt in de wereld van zijn studietijd reeds de kiem van die latere bedrijvigheid besloten. Want de geleerde die zijn tijd verstond, kon zich niet langer tevredenstellen met het onderricht binnen de muren van de medrese alleen, maar voelde zich geroepen de kennis van de islam te verdedigen op het nieuwe strijdperk van het openbare woord, waar de denkbeelden van de verwesterende strekkingen om de geesten van de jonge moslims streden, en het is dit besef dat de jonge Atıf ﵀ in het İstanbul van zijn studiejaren in zich opnam en dat zijn latere leven, tot in de strijd die hem het leven zou kosten, in beslissende mate zou bepalen.
Het strijdperk van de denkbeelden
Achter deze ontwakende pers ging de grote vraag van de tijd schuil, de vraag namelijk hoe de moslimwereld het hoofd diende te bieden aan de overmacht van het Europa dat haar van alle kanten in het nauw dreef, en of het antwoord op die overmacht moest worden gezocht in de overname van de Europese wegen dan wel in de verdieping van de eigen overgeleverde wijsheid. Deze vraag verdeelde de geesten van de Ottomaanse jeugd, en zij scheidde de wegen van wie zich tot de verwesterende strekkingen aangetrokken voelden van wie, zoals de jonge Atıf ﵀, hun heil zochten in de overtuiging dat de redding van de moslims niet in de navolging van het vreemde maar in de trouw aan het eigene gelegen was. Die keuze was in de jaren van zijn studie nog niet de scherpe en dodelijke breuk die zij later zou worden, want het rijk stond nog, de kalief regeerde nog vanuit zijn paleis, en de medrese nam nog haar eerbiedwaardige plaats in het leven van het rijk in, maar de tegenstelling die het leven van de geleerde uiteindelijk zou verscheuren sluimerde reeds onder de oppervlakte van het schijnbaar onveranderlijke İstanbul, en de jonge man die zich met heel zijn vermogen aan de overgeleverde kennis wijdde koos daarmee, zonder de volle reikwijdte van die keuze te kunnen overzien, de zijde die hij een leven lang trouw zou blijven en waarvoor hij ten slotte de hoogste prijs zou betalen.
Wat de İstanbulse jaren in hem legden
Toen de jonge Atıf ﵀ in 1893 de poort van het Fatih-complex binnentrad, was hij een vaderloze provinciaal van achttien jaar zonder fortuin en zonder bescherming; toen hij na ongeveer zeven jaren van geduldige studie aan het einde van die weg stond, was hij een gevormde geleerde die de hoogste vakken van de religieuze wetenschap had beheerst en die rijp was om zelf tot de kring van de leraren toe te treden. De jaren van armoede en tucht, van de taalwetenschappen en de logica, van het recht en de grondslagenleer, van de Koranexegese, de overleveringswetenschap en de geloofsleer, hadden hem niet enkel een uitgebreide kennis bijgebracht maar bovenal de innerlijke houding gevormd die de drager van die kennis behoort te kenmerken.
Aan het einde van die weg wachtte de bekroning van de studie, want de student die zich de stof had eigen gemaakt en de bevoegdheid van zijn leraren had verworven, kon zich aanmelden voor het examen dat hem de toegang tot het ambt van de leraar zou openen. In het jaar 1902 voltooide Atıf ﵀, naar wat de bronnen melden, zijn medrese-studie en legde hij het ruûs-examen af, het examen dat de bevoegdheid tot het müderrislik in İstanbul verleende. Het was het einde van de lange leerweg die in de eenvoudige Koranschool van İskilip was begonnen, en tegelijk het begin van een nieuwe loopbaan, die van de geleerde die zijn kennis niet langer ontving maar haar voortaan aan een nieuwe generatie zou doorgeven.
Hoe de jonge geleerde de drempel van het leraarschap overschreed, en hoe hij van de toegewijde student tot de müderris van het Fatih-complex werd die in de jaren daarna de zalen van het leerhuis met zijn studenten zou vullen, is het onderwerp van het volgende artikel. Daar zullen wij hem volgen op de weg waarop de kennis die hij in de soberheid van de İstanbulse medresecellen had verworven haar vrucht begon te dragen, en waarop de stille student zijn eerste stappen zette op de openbare weg die hem ten slotte naar de botsing met de nieuwe staat zou voeren.
Bronnen
- TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi”, Türkiye Diyanet Vakfı (İstanbul, 2000), pp. 132–135 [de gezaghebbendste academische levensbeschrijving, voor de İstanbulse studiejaren en het ruûs-examen van 1902].
- Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca, Çorum Belediyesi (Çorum, 2016) [monografie met de biografische gegevens over zijn vertrek naar İstanbul in 1893 en zijn studie aan het Fatih-complex].
- Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History, I.B. Tauris (4e druk, 2017), pp. 56–95 [voor de regeerperiode van Abdülhamid II en de laat-Ottomaanse context].
- Niyazi Berkes, The Development of Secularism in Turkey, McGill University Press (1964), pp. 253–280 [voor het bewind van Abdülhamid II, de pan-islamitische strekking en de spanning tussen traditie en hervorming].
- Stanford J. Shaw & Ezel Kural Shaw, History of the Ottoman Empire and Modern Turkey, deel II, Cambridge University Press (1977), pp. 172–259 [voor het persoonlijk bewind van Abdülhamid II, de censuur, de modernisering en het onderwijs].
- Bernard Lewis, The Emergence of Modern Turkey, Oxford University Press (3e druk, 2002), pp. 175–209 [voor de intellectuele stromingen en de ontwakende pers van de late Ottomaanse hoofdstad].
