InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Zijn geboorte
De Helden van Islamİskilipli Mehmed Atıf Hoca

Zijn geboorte

Zijn geboorte

Op de vroege ochtend van 4 februari 1926 werd in het hart van Ankara, op enkele schreden van het gebouw waar de jonge Turkse Republiek haar wetten uitvaardigde, een geleerde in zijn witte gewaad naar een galg geleid en opgehangen, en wie die ochtend toekeek zag niet alleen het einde van een mensenleven maar het eerste openlijke teken dat de nieuwe staat bereid was de stem van de oude islamitische geleerdheid desnoods met de strop tot zwijgen te brengen. De man aan die galg was İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀, en zijn naam zou in de jaren en de generaties die volgden in de Turkse moslimwereld blijven voortleven als die van de eerste geleerde die onder de Republiek de hoogste prijs voor zijn overtuiging betaalde. Toch begint zijn verhaal niet op dat plein in 1926, en wie het wil verstaan moet de blik afwenden van de galg en terugkeren naar een klein Anatolisch stadje in de heuvels ten noorden van Ankara, een halve eeuw eerder, toen het Ottomaanse Rijk nog stond en niemand kon vermoeden dat het kind dat daar in een gewoon moslimhuishouden ter wereld kwam ooit het symbool zou worden van een botsing tussen twee werelden.

In het jaar 1875, in de regeerperiode van sultan Abdülaziz, werd in de omgeving van het stadje İskilip in de Anatolische provincie Çorum een jongen geboren die de naam Atıf kreeg. Het was een naam van Arabische herkomst, in haar grondbetekenis verbonden met genegenheid en mededogen, en zij zou de man die haar droeg een leven lang vergezellen, eerst als de naam van een onopvallend provinciekind, later als die van een geëerde İstanbulse geleerde, en ten slotte als die van een veroordeelde wiens lot in heel de moslimwereld zou worden naverteld. Over de allereerste jaren van dat kind is, zoals voor zovele negentiende-eeuwse Anatolische levens, weinig met zekerheid overgeleverd, en de geschiedschrijver moet hier behoedzaam te werk gaan en het schaarse dat de bronnen melden niet aanvullen met wat hij zou wíllen weten. Wat wel vaststaat, en wat de richting van zijn hele jeugd bepaalde, is dat hij die geborgenheid van een volledig ouderlijk huis nooit heeft gekend.

İskilip in de late Ottomaanse jaren

İskilip is een oud stadje in het noorden van Centraal-Anatolië, gelegen in een vallei in de heuvels van de provincie Çorum, op ongeveer tweehonderd kilometer ten noorden van Ankara en op een hoogte waar de winters lang en streng zijn en de zomers droog en helder. De stad ligt aan de voet van een steile rots waarop sinds de oudheid een vesting heeft gestaan, en in de uitgehouwen graven in die rotswand leest de bezoeker nog vandaag de eeuwen af die over de plaats zijn heengegaan, want İskilip was reeds bewoond lang voordat de islam Anatolië bereikte. Sinds de Seltsjoekse en daarna de Ottomaanse tijd was het een gewone Anatolische provinciestad geworden, met een centrale moskee, een overdekte bazaar waar leerlooiers, kopersmeden en kleermakers hun ambacht uitoefenden, en een gemeenschap van enkele duizenden zielen die voor het overgrote deel moslim was en haar leven leefde naar het ritme van de gebeden en de seizoenen.

Wat İskilip onderscheidde van menig ander stadje van vergelijkbare omvang, was de eerbiedwaardige plaats die het in de Anatolische traditie van religieuze geleerdheid innam. De stad bezat haar eigen medrese, het Caca Bey-leerhuis, en zij had door de eeuwen heen een gestage stroom van imams, rechters en onderwijzers voortgebracht die hun kennis aan de plaatselijke moskeeën en in de omliggende dorpen in dienst stelden. In een samenleving waarin de geleerde, de hoca, niet alleen de man van het gebed maar ook de raadsman in geschillen, de onderwijzer van de kinderen en de hoeder van het gemeenschapsgeheugen was, betekende het opgroeien in zulk een stad dat een begaafde jongen vanzelf in de nabijheid van boeken, van leraren en van het Arabisch van de Koran terechtkwam. İskilip was geen İstanbul en geen Caïro, en zijn geleerden behoorden niet tot de beroemdste van het rijk, maar het was een stad waar de weg van de kennis open lag voor wie hem wilde bewandelen, en die omstandigheid zou voor de jonge Atıf van beslissende waarde blijken.

De provincie Çorum en haar mensen

De provincie Çorum, waarvan İskilip een district vormde, was in de tweede helft van de negentiende eeuw een landbouwgebied van graanvelden, schapenkudden en boomgaarden, bevolkt door een overwegend Turkssprekende moslimbevolking met daarnaast kleinere gemeenschappen van andere herkomst. Het was een streek die ver van de grote handelsroutes en van de kusthavens lag, en de mensen ervan stonden bekend als nuchter, vroom en gehecht aan de overgeleverde gebruiken van hun voorouders. Het leven van een gewoon İskilips gezin werd bepaald door de oogst en de winter, door de markt en de moskee, en door de uitgebreide familiebanden die in een dergelijke gemeenschap de plaats innamen van wat in latere tijden door de staat en zijn instellingen zou worden geregeld.

In die wereld was de godsdienst niet een afzonderlijk vak van het leven dat men op gezette tijden beoefende, maar het weefsel zelf waarin het bestaan was geweven, en een kind groeide er op met de oproep tot het gebed als de natuurlijke maat van zijn dag en met de namen van Allah ﷻ en van Zijn Profeet ﷺ als de eerste woorden die het leerde uitspreken. De familie waarin Atıf werd geboren behoorde tot de gevestigde moslimbevolking van de streek, en de overlevering verbindt haar met de oudere Anatolische geslachten die zich na de Seltsjoekse veroveringen in het gebied hadden gevestigd. Veel preciezer dan dat laat het verleden van zo’n provinciefamilie zich niet reconstrueren, en het zou een vorm van geschiedvervalsing zijn de schaarse gegevens met verzonnen stambomen op te sieren.

Het rijk waarin hij werd geboren

Om te begrijpen welke krachten het leven van dit kind zouden vormen, moet men zich rekenschap geven van de toestand van het Ottomaanse Rijk in het jaar van zijn geboorte. In 1875 strekte het rijk zich nog altijd uit over drie werelddelen, van de Balkan in het noordwesten tot de Arabische gewesten in het zuiden en tot de bergen van Oost-Anatolië, en de sultan in İstanbul droeg nog steeds de titel van kalief, de beschermheer van de soennitische moslims overal ter wereld. Maar achter die indrukwekkende omvang ging een diepe verzwakking schuil, want het rijk was financieel uitgeput, het werd door de grote Europese mogendheden als een stervende patiënt bekeken wiens erfenis men reeds onder elkaar begon te verdelen, en in de christelijke provincies van de Balkan smeulde de opstand die spoedig tot oorlog zou leiden.

Juist in de jaren rond Atıfs geboorte naderde die crisis haar hoogtepunt. Twee jaar na zijn geboorte, in 1877, brak de oorlog met Rusland uit die voor het rijk rampzalig zou aflopen, en in 1878 dwong het Congres van Berlijn de Ottomanen tot de afstand van uitgestrekte gebieden op de Balkan en tot de erkenning van een reeks nieuwe christelijke staten aan zijn noordgrens. Voor de moslims van Anatolië was dit geen verre diplomatieke gebeurtenis, want de verloren gebieden braakten honderdduizenden moslimvluchtelingen uit, die berooid en getraumatiseerd naar het kerngebied van het rijk trokken en in steden en dorpen tot diep in Anatolië een opvang zochten. Het besef dat de moslimwereld in het defensief was gedrongen en dat het machtige rijk van de voorvaderen terrein verloor aan een oprukkend en zelfverzekerd Europa, drong in deze jaren tot in de verste provinciestadjes door, en het zou de generatie waartoe Atıf behoorde een leven lang blijven bezighouden.

De Tanzimat en de tweespalt van de hervorming

Het Ottomaanse antwoord op deze druk van buitenaf had de vorm aangenomen van een lange reeks hervormingen, samengevat onder de naam Tanzimat, die sinds 1839 het bestuur, het leger, het rechtswezen en het onderwijs van het rijk naar Europees model trachtten te moderniseren. Voor de gewone provinciebewoner betekende dit dat naast de vertrouwde instellingen van de moslimgemeenschap geleidelijk nieuwe scholen, nieuwe rechtbanken en nieuwe ambtenaren verschenen, en dat de jeugd voortaan kon kiezen tussen de oude weg van de medrese en de nieuwe weg van de staatsschool die opleidde tot een loopbaan in het moderniserende ambtelijke apparaat. Die tweedeling, tussen de wereld van de overgeleverde religieuze geleerdheid en de wereld van de verwesterde staatsdienst, was in de kindertijd van Atıf nog niet de scherpe breuk die zij later zou worden, maar de kiem ervan was reeds gelegd.

In die spanning ligt, achteraf gezien, de hele tragedie van zijn leven besloten. Want het kind dat in 1875 in İskilip werd geboren zou de weg van de medrese kiezen en zich met heel zijn vermogen wijden aan de overgeleverde kennis van de islam, terwijl de staat waarin hij werd geboren zich juist in de tegenovergestelde richting bewoog en uiteindelijk, onder een nieuwe en radicale leiding, zou besluiten dat voor die overgeleverde kennis in het openbare leven geen plaats meer was. De botsing tussen de hoca en de Republiek, die in 1926 op het Ankaraplein haar dodelijke ontknoping zou krijgen, was in zekere zin reeds aangelegd in de tegenstrijdige krachten die in het rijk werkzaam waren op de dag dat hij werd geboren.

Een kind zonder vader

Over de naaste familie van Atıf melden de betrouwbaarste levensbeschrijvingen enkele gegevens die het beeld van een beschermde jeugd grondig bijstellen. Zijn vader, in de bronnen Mehmed Ali Ağa genoemd, stierf toen het kind ongeveer een half jaar oud was, zodat Atıf zijn vader in feite nooit heeft gekend en de herinnering aan hem hem slechts via anderen kon bereiken. Zijn moeder heette Nazlı Hanım, en de familieoverlevering verbindt haar afkomst met een voorvader die in de streek als Arap Dede werd herinnerd, een aanduiding die op een herkomst uit de Arabische gewesten van het rijk wijst. Moge Allah ﷻ haar genadig zijn; veel meer dan haar naam en de eerbied waarmee zij in de overlevering wordt genoemd, heeft de geschiedenis over haar niet bewaard.

De opvoeding van het vaderloze kind kwam in handen van zijn grootvader, Hasan Kethüdâ, in wiens huis Atıf ﵀ zijn jeugd doorbracht. De aanduiding kethüdâ wijst op een man met een zekere positie in de plaatselijke gemeenschap, een gezagsdrager of zaakwaarnemer, en het is in dat huis, onder de hoede van een grootvader in plaats van een vader, dat de eerste vorming van de jongen plaatsvond. Het is verleidelijk om over die jaren een ontroerend tafereel te schilderen, maar de eerlijkheid gebiedt te erkennen dat de bronnen ons de huiselijke bijzonderheden niet hebben nagelaten, en dat wij over de toon en de warmte van dat grootouderlijk huis slechts kunnen gissen. Wat de overlevering wél vasthoudt, is dat de jongen ondanks het vroege verlies van zijn vader niet aan zijn lot werd overgelaten, maar binnen de uitgebreide familie en de hechte gemeenschap van İskilip een plaats en een opvoeding vond.

Wat het vroege verlies betekende

In een samenleving als die van het laat-Ottomaanse Anatolië was de vroege dood van een ouder geen zeldzaamheid, en de gemeenschap had haar eigen wijzen ontwikkeld om het verweesde kind op te vangen, in de eerste plaats door de uitgebreide familie en in de tweede plaats door de moskee en de medrese, die voor menige begaafde wees de weg naar een toekomst openden. Dat een vaderloze jongen uit een provinciestad het tot de hoogste kringen van de İstanbulse geleerdheid zou brengen, was in dat licht niet vanzelfsprekend maar evenmin ondenkbaar, want het was juist de wereld van de religieuze kennis die in de moslimsamenleving het sterkst openstond voor wie talent en toewijding bezat, ongeacht zijn afkomst of zijn fortuin.

Men moet zich hoeden voor de neiging om in het vroege verlies van de vader meteen de verklaring van zijn latere standvastigheid te willen lezen, want zulke psychologische verklaringen achteraf zijn doorgaans goedkoper dan waar. Wat men met meer recht kan zeggen, is dat Atıf ﵀ van jongs af aan vertrouwd raakte met de gedachte dat het leven geen vanzelfsprekende geborgenheid biedt en dat de mens zijn houvast elders moet zoeken dan in de toevallige beschutting van zijn omstandigheden. In de godsdienst die hem van de wieg af omringde lag dat houvast voor het grijpen, en de jongen greep het, eerst als kind dat de eerste soera’s leerde, later als leerling die zich met heel zijn ziel aan de studie wijdde.

De naam en haar betekenis

Het is de moeite waard een ogenblik bij de naam stil te staan die het kind ontving, want in de moslimsamenleving van zijn tijd werd aan de naam een gewicht toegekend dat de moderne lezer gemakkelijk onderschat. De naam Atıf, in haar Arabische grondvorm ʿĀtif, behoort tot een woordfamilie die met genegenheid, mededogen en het zich toebuigen naar de ander te maken heeft, en zij draagt in haar betekenis iets van de zachtheid en de toewending die een vrome familie haar kind als een goed voorteken meegaf. Of de keuze van deze naam een bewuste wens van zijn ouders weerspiegelde dan wel de gewone gang van de naamgeving in zijn geslacht volgde, valt vandaag niet meer met zekerheid vast te stellen, en het zou onzorgvuldig zijn aan een naamskeuze achteraf een voorspellende kracht toe te dichten die de bronnen haar niet verlenen.

Toch is er, wanneer men het verdere verloop van zijn leven overziet, een zekere wrange gepastheid in de naam gelegen, want de man die hem droeg zou zijn leven wijden aan de zorg voor de gemeenschap van de gelovigen en aan de verdediging van wat hij als haar geestelijk welzijn beschouwde, en hij zou aan het einde van die weg de hoogste prijs betalen voor een toewijding die zich tot het laatste toe niet liet ombuigen. De aanduiding waaronder hij in de herinnering van de Turkse moslimwereld zou blijven voortleven, İskilipli Mehmed Atıf Hoca ﵀, verbond zijn geboortestad, de naam die hij van zijn familie ontving en de waardigheid van leraar die hij later zou verwerven tot één geheel, en in die samengestelde naam ligt in zekere zin zijn hele levensloop besloten, van het İskilipse kind tot de İstanbulse hoca.

Een kind van zijn tijd en zijn streek

Men moet zich ervoor hoeden het kind dat in 1875 ter wereld kwam met de ogen van het latere drama te bezien, alsof het van zijn eerste dag af voorbestemd was tot het lot dat het uiteindelijk trof, want voor de mensen om hem heen was hij in zijn eerste jaren niets anders dan een gewone, vroeg verweesde İskilipse jongen, een van de vele kinderen die in de huizen van het stadje opgroeiden onder de hoede van hun verwanten. De wereld waarin hij zijn eerste indrukken opdeed, was de besloten wereld van de Anatolische provincie, met haar vaste seizoenen, haar markten en haar moskeeën, en met de uitgebreide familie en de buurt als het natuurlijke kader waarbinnen een leven zich voltrok. Het was een wereld die weinig veranderde van geslacht op geslacht, en niets in haar voorspelde de stormen die een halve eeuw later over haar zouden losbreken en die het vertrouwde stelsel, waarin een geleerde de geëerde hoeder van de gemeenschap was, tot in zijn grondvesten zouden doen wankelen.

Juist omdat hij zo volledig een kind van die wereld was, zou het verlies ervan hem later des te dieper raken, want de orde die hij als vanzelfsprekend had leren kennen, de orde waarin de godsdienst en het dagelijks leven één geheel vormden en waarin de kennis van de Koran en het recht het hoogste aanzien genoot, was nu juist de orde die de nieuwe staat zou afbreken. De jongen die in İskilip leerde dat het geloof het weefsel van het bestaan was, zou als volwassen man de wereld zien waarin dat weefsel met geweld werd losgetornd, en zijn weigering om in die ontmanteling te berusten, kwam voort uit de diepe vertrouwdheid met een orde die hem in zijn kindertijd in de heuvels van Çorum was bijgebracht.

De eerste lessen

De eerste onderwijzing van een İskilips moslimkind voltrok zich, zoals overal in het rijk, in de kring van de plaatselijke moskee en de elementaire Koranschool, waar de jongens onder leiding van een onderwijzer het Arabische alfabet, de beginselen van het gebed en de recitatie van de Koran leerden. Voor een begaafd kind betekende dit het uit het hoofd leren van steeds langere gedeelten van de heilige tekst, een oefening die het geheugen scherpte en de geest van jongs af aan vertrouwd maakte met de klank en het ritme van het Arabisch, lang voordat de fijnere betekenissen ervan binnen bereik kwamen. Dat Atıf ﵀ zich in deze eerste fase onderscheidde, blijkt uit het vervolg van zijn weg, want alleen een leerling die in het elementaire onderwijs uitblonk werd voorbestemd voor de hogere studie aan de medrese.

Het is in deze jaren dat de jonge Atıf ﵀ de overstap maakte van de eenvoudige Koranschool naar het serieuzere onderricht van het Caca Bey-leerhuis in İskilip zelf, waar hij onder leiding van de plaatselijke geleerde Hoca Abdullah Efendi ﵀ de eerste schreden op het pad van de eigenlijke religieuze wetenschappen zette. Wij zullen in het volgende artikel uitvoeriger bij die İskilipse leerjaren stilstaan, maar reeds hier is van belang vast te stellen dat het hele bouwwerk van zijn latere geleerdheid op deze provinciale grondslag rustte, en dat de jongen de fundamenten van het Arabisch, van de Koranwetenschap en van het islamitische recht legde in de schaduw van de moskee van zijn geboortestad, ver van de glans van de hoofdstad waar zijn naam later zou worden gemaakt.

De wereld van de provinciale geleerde

Het beeld dat men zich van zulk een opleiding moet vormen, verschilt grondig van dat van een moderne school. Er was geen klaslokaal met banken en geen rooster van uren en vakken, maar een kring van leerlingen rond een geleerde die op een mat in de moskee of in een vertrek van de medrese gezeten was, met de tekst voor zich en zijn studenten in een halve cirkel om zich heen. Het onderwijs verliep van mond tot mond en van boek tot boek, en de leerling vorderde niet door het halen van examens in de moderne zin maar door het beheersen van de ene tekst na de andere, telkens onder het waakzame oog van zijn leraar, totdat hij de bevoegdheid verwierf om de stof op zijn beurt aan anderen door te geven. Het was een trage, geduldige en diep persoonlijke wijze van leren, die de band tussen leraar en leerling tot het hart van het hele bestel maakte.

In die wereld groeide Atıf op, en zij vormde niet alleen zijn kennis maar ook zijn karakter, want de medrese kweekte met de stof tegelijk een houding aan: eerbied voor de overgeleverde kennis, geduld in het langdurige werk, en het besef deel uit te maken van een keten van geleerden die terugreikte, schakel na schakel, tot de Metgezellen ﵃ van de Profeet ﷺ en daarmee tot de openbaring zelf. Wie eenmaal van die keten doordrongen was geraakt, kon haar later niet zonder verraad aan zijn diepste vorming verloochenen, en juist daarin ligt, vooruitlopend op wat komen gaat, de sleutel tot het begrip van zijn weigering om voor de eisen van de nieuwe staat te buigen. De man die in 1926 liever de strop koos dan de verloochening van zijn overtuiging, was de volwassen vrucht van het kind dat in İskilip leerde dat de kennis van de godsdienst geen bezit is waarover men vrijelijk beschikt, maar een toevertrouwd pand dat men ongeschonden behoort door te geven.

Wat in İskilip besloten lag

Wanneer in een stadje als İskilip een kind ter wereld kwam, wist niemand welk lot daarmee aan de wereld werd toevertrouwd, en de geboorte van Atıf ﵀ in 1875 ging zonder twijfel ongemerkt voorbij aan allen behalve aan de kleine kring van zijn familie. Hij was een vaderloos kind in een afgelegen provinciestad van een rijk dat zijn beste dagen achter zich had, en niets in zijn omstandigheden voorspelde de rol die hij later zou spelen. En toch lagen, achteraf bezien, in die bescheiden geboorte reeds de krachten besloten die zijn leven zouden bepalen: de hechte moslimgemeenschap die het verweesde kind opving en vormde, de eerbiedwaardige geleerdentraditie van zijn geboortestad die hem de weg naar de kennis opende, en het grote, worstelende rijk dat in zijn hervormingsdrang de scheidslijn aanlegde waarlangs zijn leven zich uiteindelijk zou voltrekken.

İskilip gaf hem de grondslag, maar het kon hem niet vasthouden, want het talent dat zich in de jonge leerling openbaarde reikte verder dan wat een provinciale medrese hem kon bieden. Tegen het einde van zijn İskilipse leerjaren stond de jongeman voor de keuze die het verdere verloop van zijn leven zou bepalen, de keuze om zijn vertrouwde geboortestreek te verlaten en de lange en moeizame weg naar İstanbul te ondernemen, waar de grootste leerhuizen van het rijk hun poorten openden voor wie de hoogste graden van de religieuze wetenschap wilde bereiken. Hoe hij die eerste, beslissende stap zette, en hoe de medrese van İskilip hem voor de hoofdstad rijp maakte, is het onderwerp van het volgende artikel.

Bronnen

  • TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi”, Türkiye Diyanet Vakfı (İstanbul, 2000), pp. 132–135 [de gezaghebbendste academische levensbeschrijving].
  • Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca, Çorum Belediyesi (Çorum, 2016) [monografie met de İskilipse familie- en jeugdgegevens].
  • Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History, I.B. Tauris (4e druk, 2017), pp. 56–112 [voor de algemene laat-Ottomaanse en Republikeinse context].
  • Bernard Lewis, The Emergence of Modern Turkey, Oxford University Press (3e druk, 2002), pp. 76–134.
  • Niyazi Berkes, The Development of Secularism in Turkey, McGill University Press (1964), pp. 156–224 [voor de Tanzimat en de spanning tussen traditie en hervorming].
  • Stanford J. Shaw & Ezel Kural Shaw, History of the Ottoman Empire and Modern Turkey, deel II, Cambridge University Press (1977), pp. 172–205 [voor de oorlog van 1877–1878 en het Congres van Berlijn].
واللّٰه أعلم

Sources

Hoofdbronnen: TDV İslâm Ansiklopedisi, lemma “İskilipli Mehmed Âtıf Efendi” (Türkiye Diyanet Vakfı, 2000); Ethem Erkoç, İskilipli Mehmed Âtıf Hoca (Çorum Belediyesi, 2016); İskilipli Mehmed Âtıf, Frenk Mukallidliği ve Şapka (1924); Mustafa Armağan, Şapka Davası ve İskilipli Atıf Hoca (Bilim ve Kültür, 2008); Erik Jan Zürcher, Turkey: A Modern History (I.B. Tauris, 4e druk 2017); Niyazi Berkes, The Development of Secularism in Turkey (McGill UP, 1964); Bernard Lewis, The Emergence of Modern Turkey (Oxford UP, 3e druk 2002); Stanford J. Shaw & Ezel Kural Shaw, History of the Ottoman Empire and Modern Turkey (Cambridge UP, 1977); Andrew Mango, Atatürk (John Murray, 1999); Ergün Aybars, İstiklâl Mahkemeleri (Bilgi Yayınevi, 1975).