Driekwart miljoen hadith: de rekensom die kanalen telt
Het getal dat sceptici verlamde
In het voorgaande artikel zagen wij hoe de Muwatta’ van Imam Malik ﵀ als eerste publiek circulerende hadith-compilatie van Marokko tot Khurasan werd gekopieerd. In de generaties na hem versnelde alles: meer leraren, meer leerlingen, meer boeken, en vooral meer getallen. Uit de derde eeuw van de Hijra zijn cijfers overgeleverd die elke moderne lezer de adem benemen. Al-Bukhari ﵀ zou zijn verzameling uit zeshonderdduizend overleveringen hebben gekozen. Ahmad ibn Hanbal ﵀ sprak over miljoenen. En de totale voorraad van enkele duizenden ahadith in de eerste generatie was tegen het midden van de derde eeuw aangegroeid tot ongeveer driekwart miljoen.
Voor de tijdgenoten zelf waren deze getallen geen probleem maar een gegeven, de vertrouwde maat van hun eigen vak. Het probleem ontstond pas twaalf eeuwen later, toen westerse lezers de cijfers aantroffen zonder de wetenschap te kennen die ze had voortgebracht, en er de rekensom op loslieten die in dit artikel wordt ontleed. Weinig misverstanden in de studie van de Islam zijn zo klein in hun oorsprong en zo groot in hun gevolgen geweest: een verwisseling van teleenheid, meer is het niet, en toch draagt zij tot vandaag een aanzienlijk deel van het populaire wantrouwen tegen de hadith.
Rond deze getallen is een hele sceptische bouwstijl opgetrokken. De redenering klinkt, op het eerste gehoor, onweerlegbaar. Als er in de dagen van al-Bukhari ﵀ zeshonderdduizend overleveringen circuleerden, en zijn Sahih er na strenge selectie nog geen drieduizend unieke bevat, dan moet ruwweg alles wat circuleerde vals of verdacht zijn geweest: minder dan één op de tweehonderd doorstond de toets. De Britse oriëntalist Alfred Guillaume trok precies die conclusie, met precies die breuk, en hij stond daarin niet alleen; vergelijkbare lezingen vindt men, blijkens de voetnoot waarin de hele school wordt opgesomd, bij Muir, Robson, Nicholson, Gibb en nog anderen. Het misverstand was met andere woorden geen uitglijder van één auteur, maar de gedeelde lezing van een hele generatie westerse lezers, die de zeshonderdduizend voor een telling van teksten aanzagen omdat de teleenheid van het vak hun onbekend was. In deze voorstelling wordt de vroege hadithwereld een oceaan van vervalsing waarin een enkel eilandje echtheid drijft, en wordt de strengheid van de verzamelaars, ironisch genoeg, tot bewijs tégen de traditie omgesmeed.
Mohammad Mustafa al-Azami ﵀ wijdde aan deze getallen een afzonderlijke appendix van zijn Studies in Early Hadith Literature, en zijn antwoord is geen retoriek maar een rekenles. Moderne geleerden, schrijft hij, waren onbekend met de aard van dit materiaal, raakten door de omvang ervan verbijsterd, en kwamen zo tot zeer vreemde conclusies. Wie de aard van het materiaal wel kent, ziet dat de duizelingwekkende getallen iets anders tellen dan de argeloze lezer denkt. Zij tellen geen teksten. Zij tellen wegen.
Voordat wij die rekenles volgen, is het goed te zien hoeveel er van haar uitkomst afhangt. De getallen-verbijstering is namelijk geen randversiering van de sceptische school; zij is een van haar fundamenten. Wie eenmaal gelooft dat de vroege eeuwen zeshonderdduizend overwegend valse overleveringen produceerden, heeft daarmee het decor waartegen elke verdere theorie aannemelijk klinkt: een gemeenschap die op zo’n schaal fabriceert, zal ook wel ketens fabriceren, en een corpus dat uit zo’n oceaan is opgevist, verdient wantrouwen tot het tegendeel bewezen is. Omgekeerd geldt hetzelfde. Als de grote getallen iets anders blijken te meten dan teksten, dan verdampt niet alleen de breuk van één op tweehonderd, maar ook het decor; er blijft dan geen oceaan van leugens over waarin de canonieke boeken eilandjes zouden zijn, maar een gedocumenteerd wegennet rond een veel kleiner en veel stabieler tekstbestand. De vraag wat de teller telde, is dus geen filologische kleinigheid. Zij beslist over het hele beeld dat men zich van de vroege hadithwereld vormt.
Azami merkt daarbij zelf op dat al-Bukhari ﵀ niet de enige was over wie zulke enorme aantallen worden overgeleverd; ook van andere overleveringsgeleerden worden reusachtige memorisatie- en schrijfgetallen vermeld, en hij kiest het geval van al-Bukhari ﵀ slechts als het bekendste om het probleem aan op te helderen. Wat voor dit ene getal wordt aangetoond, geldt dus voor de hele getallenfamilie waaruit de sceptische literatuur haar noemer plukte.
Wat telde de teller
Om de rekensom te begrijpen moet men twee vragen scheiden die in de sceptische lezing stilzwijgend worden samengevoegd: wat noemden de vroege geleerden een hadith, en wanneer telden zij er twee?
De eerste vraag lijkt eenvoudig, maar was het niet. Voor sommige overleveringsgeleerden omvatte het woord hadith de uitspraken, handelingen en stilzwijgende goedkeuringen van de Profeet ﷺ; in de definities van andere geleerden strekte het zich ook uit over de uitspraken en rechtsbeslissingen van de Metgezellen ﵃ en de Opvolgers. Wie met de brede definitie telt, telt dus niet alleen het Profetische woord, maar het hele juridisch-historische geheugen van drie generaties, en zijn totalen liggen navenant hoger zonder dat er ook maar één overlevering aan het Profetische corpus is toegevoegd. Dat is geen theoretische mogelijkheid maar een gedocumenteerde praktijk, die de lezer van deze kaart al eerder is tegengekomen: in de census van de schrijvende Metgezellen ﵃ zagen wij dat Abdullah ibn Amr ﵁ naast de woorden van de Profeet ﷺ ook de rechtsbeslissingen van Umar ﵁ verzamelde, en dat de boeken van de vroege geleerden vol stonden met de oordelen van Metgezellen ﵃ over erfrecht, huwelijksrecht en bestuur. Al dat materiaal reisde in dezelfde boeken, door dezelfde ketens, en viel bij de brede tellers onder hetzelfde woord. Wie de zeshonderdduizend als zeshonderdduizend uitspraken van de Profeet ﷺ leest, leest er dus om te beginnen een verkeerde inhoud in, nog voordat de eigenlijke telfout ter sprake is gekomen.
De tweede vraag is de beslissende, en Azami formuleert het antwoord in één zin: elk kanaal van overlevering wordt als een afzonderlijke hadith geteld. Wanneer dezelfde uitspraak van de Profeet ﷺ via dertien verschillende ketens tot een geleerde kwam, dan zei die geleerde dat hij dertien ahadith bezat. Niet uit slordigheid, maar omdat voor zijn wetenschap elke keten een eigen bewijsstuk was, met een eigen reeks getuigen die elk afzonderlijk gewogen moesten worden. Het voorbeeld dat Azami aanhaalt, komt uit de mond van een van de grootste critici van de tweede eeuw, Abd ar-Rahman ibn Mahdi ﵀: ik heb dertien overleveringen van al-Mughirah ﵁ over het wrijven over de leren sokken bij de wudu. Het gaat welbeschouwd om één handeling, één gewoonte van de Profeet ﷺ, door één Metgezel ﵁ gerapporteerd; hoe vaak de handeling ook is herhaald, als bericht is zij één. Maar omdat het bericht Ibn Mahdi ﵀ langs dertien routes bereikte, telde zijn administratie dertien.
Wie dit eenmaal ziet, ziet het overal in de literatuur. Ibn Khuzaymah ﵀ geeft in één hoofdstuk van zijn Sahih ongeveer dertig isnads voor één hadith over één enkele handeling van Aisha ﵂, het reinigen van een kleed. Muslim ﵀ voert voor het ene voorval waarin de jonge Ibn Abbas ﵁ zich in het nachtgebed links van de Profeet ﷺ opstelde en door hem naar rechts werd getrokken, dertien isnads op, dertien hadith in de telling dus, en gebruikt die veelheid bovendien precies waarvoor zij dient: één van de dertien routes, die van Yazid ibn Abu Ziyad, zegt spiegelbeeldig dat de jongen rechts stond en naar links werd getrokken, en door de twaalf andere routes ernaast te leggen is de vergissing van deze ene overleveraar exact aanwijsbaar. En Azami voegt er een observatie aan toe die de omvang van het verschijnsel pas echt zichtbaar maakt: Muslim ﵀ documenteert de vertakkingen van zijn ketens hoofdzakelijk tot ongeveer het jaar honderddertig; had hij de volledige stamboom tot in zijn eigen generatie doorgetrokken, dan waren het er minstens vijftig geweest.
Het tahajjud-voorbeeld verdient nog een moment extra aandacht, omdat het laat zien dat de veelheid van kanalen geen dood gewicht was maar een werkend instrument. Twaalf routes vertellen dat de jongen links stond en naar rechts werd getrokken; één route, die via Yazid ibn Abu Ziyad op gezag van Kuraib loopt, vertelt het spiegelbeeld. Zonder de twaalf andere routes was die ene versie niet als vergissing herkenbaar geweest; er had eenvoudig een overlevering bestaan met een omgekeerd detail, en niemand had kunnen uitmaken welk detail het oorspronkelijke was. Met de twaalf routes ernaast is de diagnose exact: één overleveraar in één keten heeft links en rechts verwisseld, en de wetenschap kan zijn naam noemen. Dit is waarvoor de boekhouding van kanalen diende. Elke extra route was een extra getuige in een permanent lopend verhoor, en hoe meer getuigen, hoe kleiner de kans dat de vergissing van één van hen onopgemerkt bleef. De getallen die de scepticus als symptoom van chaos las, zijn in werkelijkheid de maat van de controle.
In de derde eeuw was deze vermenigvuldiging een bewust nagestreefd ideaal geworden. Er waren overleveringsgeleerden die claimden elke hadith uit wel honderd kanalen te bezitten, en velen schreven elke hadith uit twintig of dertig kanalen op. Men moet dat niet lezen als verzamelwoede om de verzamelwoede. Hoe meer onafhankelijke routes een bericht had, hoe beter het tegen de vergissing van een individuele schakel beschermd was; de dertig ketens rond het kleed van Aisha ﵂ zijn geen dertigvoudige herhaling, zij zijn een dertigvoudige controle. Maar het betekent wel dat de boekhouding van deze wetenschap explodeerde, en dat elke buitenstaander die haar totalen als tekst-tellingen las, er met orden van grootte naast zou zitten.
Azami noemt de eerste vier eeuwen van de Hijra de gouden eeuw van de overleveringswetenschap, en tekent daarbij aan dat het aantal overleveraars in die periode geweldig groeide. Juist in die groei ligt de verklaring van de getallen. Elke nieuwe generatie studenten die een bestaand corpus overnam, voegde geen nieuwe teksten toe maar wel nieuwe routes, want elke student werd zelf een schakel waarlangs het materiaal verder liep, en de administratie van het vak telde elke route mee. Wie het vorige artikel over tahammul al-'ilm heeft gelezen, kan de mechaniek ervan voor zich zien: het onderwijs was per shaykh georganiseerd, elke leerling hield de ahadith van elke leraar afzonderlijk bij, en van de grote leraren zijn tientallen schrijvende leerlingen met naam bekend. Een onderwijsstelsel dat zo is ingericht, kan niet anders dan zijn eigen tellingen laten exploderen, ook wanneer er geen enkele nieuwe tekst bijkomt.
De geleerden van de derde eeuw zagen dat zelf scherper dan wie ook, want zij droegen de last ervan. De boeken groeiden zo omvangrijk, noteert Azami, dat zij moeilijk hanteerbaar werden, en Shu’bah ﵀ gaf daarom het praktische advies om de bekende ahadith te noteren met een verwijzing naar de bekende geleerden in plaats van telkens alles voluit te schrijven. Dat is het gedrag van archivarissen die onder hun eigen administratie bezwijken, niet van vervalsers die een corpus aandikken. Een gemeenschap die haar materiaal kunstmatig had willen vergroten, had geen afkortingssystemen nodig gehad; een gemeenschap die elke route eerlijk boekte, wel.
De rekensom van al-Zuhri’s ﵀ school
Hoe snel zo’n explosie gaat, demonstreert Azami met een model dat de lezer van deze kaart direct zal herkennen, omdat het bij al-Zuhri ﵀ begint, de compilator uit een eerder artikel. Van al-Zuhri ﵀ zijn minstens vijftig leerlingen met naam bekend die eigen geschreven collecties van zijn materiaal aanlegden. Stel nu, rekent Azami voor, dat elk van die vijftig gemiddeld slechts vijfhonderd overleveringen van hem opschreef, een bewust bescheiden aanname; dan telt de administratie al vijfentwintigduizend. Laat vervolgens elke leerling zelf twee of drie leerlingen hebben, en tegen het einde van de tweede eeuw staan er uit deze ene school ongeveer vijfenzeventigduizend geregistreerde overleveringskanalen in de boeken; tegen de tijd van al-Bukhari ﵀ en zijn tijdgenoten zijn het er honderdduizenden. In een voetnoot maakt hij het nog concreter: alleen al doordat minstens vijftig studenten het boek van al-Zuhri ﵀ doorgaven, kon diens materiaal binnen vijfentwintig jaar dertig- tot veertigvoudig vermenigvuldigd raken.
Men lette op wat dit model wel en niet is. Het is nadrukkelijk een illustratie, met aannames die Azami zelf als gemiddelden en veronderstellingen benoemt, geen meting. Maar het laat iets zien dat geen meting nodig heeft: dat de groei van enkele duizenden ahadith in de eerste generatie naar ongeveer driekwart miljoen in het midden van de derde eeuw geen vervalsingsgolf vereist, maar niets anders is dan de normale voortplanting van een beperkt tekstcorpus door een expanderend onderwijsstelsel dat elke route afzonderlijk boekhoudt. Het vorige artikel over tahammul al-'ilm beschreef dat stelsel van binnenuit: honderden leraren, elk met schrijvende leerlingen, elk kanaal netjes geadministreerd per shaykh. De grote getallen zijn de boekhoudkundige schaduw van die school. Waar de scepticus een oceaan van verzinsels ziet, staat in werkelijkheid een kadaster van wegen.
Met deze sleutel kan men vervolgens doen wat Azami zelf de lezer voordoet: terugrekenen. Wanneer overleveringsgeleerden van de derde eeuw elke hadith uit twintig of dertig kanalen plachten op te schrijven, en sommigen zelfs claimden elke hadith uit honderd kanalen te bezitten, dan mag men daaruit afleiden, schrijft hij, wat de werkelijke aantallen waren van de overleveringen die als zeshonderdduizend werden beschreven. De deling is eenvoudig genoeg om in het hoofd te doen. Zeshonderdduizend kanalen, gedeeld door enkele tientallen routes per bericht, brengt het aantal afzonderlijke berichten terug tot de orde van tienduizenden, en wie vervolgens bedenkt dat het woord hadith in de brede telling ook het materiaal van Metgezellen ﵃ en Opvolgers omvatte, ziet het Profetische deel daarbinnen nog verder slinken. De noemer van Guillaume’s breuk verliest zo in twee stappen twee ordes van grootte, en met de noemer verdwijnt de breuk.
Dezelfde sleutel ontsluit de beroemdste getallen van de derde eeuw. De uitspraak van Ahmad ibn Hanbal ﵀ dat ruim zeven miljoen overleveringen betrouwbaar waren, waarvan Abu Zur’ah ﵀ er zes miljoen uit het hoofd kende, is als tekst-telling een absurditeit en als kanalen-telling een routinemededeling: zij zegt dat het web van gedocumenteerde, deugdelijk bevonden overleveringsroutes in zijn generatie in de miljoenen liep. In de klassieke literatuur wordt daarnaast overgeleverd dat Ahmad ﵀ zijn Musnad uit ongeveer driekwart miljoen overleveringen zou hebben gekozen; die uitspraak staat niet in Azami’s corpus en wij geven haar hier uitsluitend als klassiek overgeleverd getal door, maar wie haar wil begrijpen, begrijpt haar met dezelfde sleutel, want zij gebruikt dezelfde boekhouding. En de Musnad zelf? Ongeveer veertigduizend overleveringen, zonder herhalingen naar schatting dertigduizend, waarbij Azami er nuchter bij aantekent dat systematisch onderzoek naar die aantallen destijds nog ontbrak.
Al-Bukhari ﵀ heeft nooit gezegd wat Guillaume hem laat zeggen
Daarmee komt de beroemde breuk van één op tweehonderd in het juiste licht te staan. De teller en de noemer van die breuk meten namelijk verschillende dingen. De zeshonderdduizend waaruit al-Bukhari ﵀ selecteerde, zijn kanalen: elke route van elk bericht, inclusief de dertig routes rond één kleed en de dertien rond één nachtgebed, inclusief bovendien, in de brede definitie, het materiaal van Metgezellen ﵃ en Opvolgers. De 7.397 overleveringen die zijn Sahih met herhalingen bevat, en de 2.602 zonder herhalingen, zijn het residu van een reeks selecties die met echtheid alléén weinig te maken hadden: selectie op onderwerp, op beknoptheid, op de strengste bewijsklasse.
Dat dit geen welwillende herinterpretatie achteraf is, blijkt uit de woorden van al-Bukhari ﵀ zelf, die Azami citeert: ik heb in mijn boek al-Jami’ slechts opgenomen wat authentiek was, en ik heb méér authentieke overleveringen weggelaten dan opgenomen, om onnodige lengte te vermijden. De man die volgens de sceptische lezing verklaarde dat bijna alles buiten zijn boek verdacht was, verklaarde in werkelijkheid het omgekeerde: dat er buiten zijn boek meer authentiek materiaal lag dan erin. Hij schreef geen inventaris van al het echte; hij schreef, op verzoek van zijn leermeester Ishaq ibn Rahwaih ﵀, een handboek. Zelfs de titel van het werk draagt die bescheidenheid in zich, want in de volledige naam, al-Jami’ al-Musnad as-Sahih al-Mukhtasar van de aangelegenheden van de Boodschapper van Allah ﷻ en zijn Sunnah en zijn dagen, betekent al-Mukhtasar niets anders dan: het beknopte uittreksel. Een epitome verwijt men niet dat zij niet volledig is; dat zij niet volledig wil zijn, staat op haar titelblad.
Wie een controlesom wil, hoeft overigens het boek van al-Bukhari ﵀ zelf maar open te slaan, want het kanalen-tellen is er tot op de laatste bladzijde in zichtbaar. Met herhalingen bevat de Sahih 7.397 overleveringen, zonder herhalingen 2.602. Binnen één en hetzelfde boek, van één en dezelfde auteur, levert de telwijze dus bijna een verdrievoudiging op, eenvoudig omdat dezelfde hadith in meerdere hoofdstukken en langs meerdere ketens wordt opgevoerd, en elke opvoering meetelt. Als de administratie van één zorgvuldig geredigeerd handboek haar eigen inhoud al met een factor drie kan laten oplopen, dan behoeft het geen betoog wat er gebeurt wanneer men de losse aantekeningen van duizenden geleerden over drie eeuwen bij elkaar optelt, met twintig, dertig of honderd routes per bericht. De verhouding tussen 600.000 en 2.602 is dan geen schandaal meer; zij is dezelfde verhouding als die tussen 7.397 en 2.602, doorgetrokken over een heel beschavingsgebied.
Azami vat het samen in de vuistregel die deze hele appendix draagt: wanneer de overleveringsgeleerden enorme getallen noemen, bedoelen zij kanalen en bronnen van overlevering, geen werkelijke aantallen hadith; en wanneer zij juist kleine getallen noemen, zoals de uitspraak dat al-Zuhri ﵀ duizend hadith had en al-Qasim ﵀ tweehonderd, bedoelen zij hoogstwaarschijnlijk hadith als onderwerp, niet per isnad geteld. Groot telt wegen, klein telt inhoud. Wie de twee tellingen door elkaar haalt, kan elke gewenste schande construeren; wie ze uit elkaar houdt, ziet een consistente boekhouding.
Hoe groot het werkelijke aantal afzonderlijke Profetische overleveringen dan is, behandelt Azami met dezelfde eerlijkheid waarmee hij elders zijn eigen onzekerheden markeert: het exacte aantal is onbekend. Er is een overgeleverde uitspraak, toegeschreven aan een reeks meesters van de kritiek, al-Thauri ﵀, Shu’bah ﵀, Yahya al-Qattan ﵀, Ibn Mahdi ﵀ en Ahmad ﵀ zelf, dat het er slechts vierduizend zouden zijn, en Azami noemt die uitspraak ronduit onbegrijpelijk. Er is de neiging van latere auteurs om, op gezag van al-Hakim ﵀, onder de tienduizend te blijven, waarbij Azami laat zien dat al-Hakims ﵀ getal alleen de allerhoogste bewijsklasse betrof, de overleveringen die aan de voorwaarden van al-Bukhari ﵀ en Muslim ﵀ voldoen, en dat al-Hakim ﵀ zelf de bredere lezing al tegenwierp met de vraag hoe het totaal zo laag zou kunnen zijn, terwijl vierduizend Metgezellen ﵃ ruim twintig jaar met de Profeet ﷺ verkeerden en van hem overleverden. De marge tussen die schattingen is reëel en Azami poetst haar niet weg. Maar zij speelt zich af tussen duizenden en tienduizenden onderwerpen, twee ordes van grootte onder de kanalen-tellingen waarmee de sceptische breuk haar noemer vult.
Het is de moeite waard bij deze passage stil te staan bij de toon, want zij zegt iets over de betrouwbaarheid van de gids die deze kaart volgt. Een apologeet die zijn lezer gerust wil stellen, had hier een glad antwoord gegeven: hij had de vierduizend van de meesters wegverklaard, de tienduizend van al-Hakim ﵀ tot dogma verheven, of een eigen totaal gepresenteerd met de stelligheid die lezers graag horen. Azami doet geen van drieën. Hij noemt de vierduizend onbegrijpelijk en laat haar onbegrijpelijk; hij legt uit wat al-Hakims ﵀ getal wel en niet meet; hij geeft bij de Musnad de gangbare schattingen en zet er onmiddellijk bij dat werkelijk onderzoek nog ontbreekt. Wie zo schrijft, telt liever goed dan gunstig. Het is dezelfde wetenschappelijke gewetensvolheid die de lezer van deze kaart eerder zag toen hij zijn eigen indeling arbitrair noemde en de geheugenfouten van de dicterende geleerden onverbloemd rapporteerde, en zij is de beste waarborg dat ook zijn hoofdconclusie, kanalen en geen teksten, geen wens maar een waarneming is.
Onauthentiek betekent niet: verzonnen
Er rest één laatste verwarring, en zij is misschien wel de hardnekkigste, omdat zij in het woord afgekeurd zelf verstopt zit. Als de geleerden honderdduizenden kanalen niet in hun strengste boeken opnamen, waren al die kanalen dan leugens?
De hadithwetenschap beoordeelde een overlevering in twee delen, en zij begon altijd bij de keten. Is de isnad gebrekkig, dan heet de hadith gebrekkig, zonder dat de inhoud nog afzonderlijk gewogen hoeft te worden, want authentiek is in deze wetenschap alleen wat in beide delen deugt. Een volkomen ware uitspraak met een ondeugdelijke keten wordt dus afgekeurd, niet omdat de inhoud vals zou zijn, maar omdat het bewijs ervoor langs deze route niet sluit. Azami illustreert het met een document dat de lezer van deze kaart al kent uit het Cambridge-artikel en het artikel over de nuskhah van Suhail ﵀: de nuskhah op naam van al-Zubair ibn Adi ﵀, die als geheel als onecht geldt omdat de overleveraar Bishr ibn al-Husain haar volgens de critici valselijk aan zijn zegsman toeschreef, terwijl niettemin ongeveer een kwart van haar inhoud, langs andere en wel deugdelijke ketens, gewoon in al-Bukhari ﵀ en Muslim ﵀ staat en daar authentiek heet. Dezelfde woorden, verworpen op de ene route en aanvaard op de andere: scherper kan het onderscheid tussen route-oordeel en inhouds-oordeel niet worden getekend.
Daarom, besluit Azami, betekent de mededeling dat tweehonderdduizend hadith niet authentiek waren, niet dat tweehonderdduizend leugens in omloop waren; zij betekent dat de ketens van die kanalen niet aan de eisen voldeden, terwijl de inhoud zelf waar kan zijn of onwaar. De grote schifting van de derde eeuw was geen brandstapel van verzinsels, maar een bewijsrechtelijke sortering van wegen: deze route is begaanbaar, die niet, en over de lading spreken wij per route afzonderlijk. Dat er daarnaast ook werkelijk verzonnen materiaal bestond, heeft deze kaart nooit verzwegen; de gemeenschap catalogiseerde haar vervalsingen met naam en toenaam, zoals eerder bij de valse kopieën op naam van Anas ﵁ bleek. Maar de rekensom die van de schifting zelf een schandaal wil maken, rekent met de verkeerde eenheid.
Van de telling naar de tellers
Zo eindigt de som waar zij beginnen moest: bij het inzicht dat de getallen van de derde eeuw het bewijs van een wetenschap zijn, niet de aanklacht ertegen. Wat begon als het sterkste wapen van de sceptische school, de duizelingwekkende noemer waaruit de canonieke boeken zouden zijn opgevist, blijkt bij nadere beschouwing haar zwakste stuk: een teleenheid die verkeerd werd gelezen door lezers die het telsysteem niet kenden. En het zegt iets over de kracht van de traditie dat de correctie niet van buitenaf hoefde te komen. De vuistregel die het misverstand ontrafelt, groot telt wegen en klein telt inhoud, is geen moderne vondst; zij lag al besloten in de manier waarop Ibn Mahdi ﵀ over zijn dertien overleveringen sprak en waarop Muslim ﵀ zijn dertien ketens naast elkaar zette. Azami heeft haar niet uitgevonden, hij heeft haar opgedolven. Een gemeenschap die elke route van elk bericht afzonderlijk registreert, tot er van één huiselijk detail dertig geadministreerde wegen bestaan, is het tegendeel van een gemeenschap waarin verzinsels vrij spel hebben; zij heeft van de controle zelf een boekhouding gemaakt. Maar een boekhouding van wegen roept onmiddellijk de volgende vraag op: wie bewaakte de kwaliteit van al die wegen? Wie besliste, met welke maatstaven, dat de ene keten deugde en de andere niet, en wie hield de dossiers bij van de duizenden mannen en vrouwen door wier handen de overleveringen gingen?
Het antwoord op die vraag is geen bijzaak, want een administratie is maar zo goed als haar controleurs. Dertig ketens rond één handeling bewijzen pas iets wanneer men weet dat elk van die dertig routes door mensen liep wier waarheidsliefde, geheugen en ontmoetingsgeschiedenis afzonderlijk waren onderzocht, en dat een route met een zwakke schakel ook werkelijk werd afgekeurd, hoe vroom haar inhoud ook klonk. De voorbeelden van dit artikel lieten dat apparaat al in de verte zien, in de ontmaskering van de verwisseling van Yazid en in de verwerping van een complete nuskhah om één ondeugdelijke overleveraar; nu wordt het tijd het apparaat zelf te betreden.
Dat is het onderwerp van het volgende artikel: Jarh wa-Ta’dil, de wetenschap van de overleveraarskritiek, het instrument waarmee de gemeenschap de betrouwbaarheid van elke schakel in elke keten aan een onafhankelijk oordeel onderwierp. Daar zullen wij zien hoe de tellers van de kanalen tegelijk de strengste keurmeesters ervan waren, hoe hun biografische woordenboeken uitgroeiden tot de grootste personendatabank van de voormoderne wereld, en waarom juist de combinatie van beide, de administratie van dit artikel en de kritiek van het volgende, de latere sceptische theorieën over een teruggeprojecteerde overlevering onhoudbaar maakt. Wie eenmaal weet wat er geteld werd, wil weten wie er telde; en wie de tellers leert kennen, begrijpt waarom hun getallen het vertrouwen verdienen dat de sceptici hun wilden ontnemen.
