InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Tahammul al-'ilm: hoe hadith werd onderwezen en ontvangen
De Islamitische WetenschappenDe Wetenschap van de Hadith

Tahammul al-'ilm: hoe hadith werd onderwezen en ontvangen

Tahammul al-'ilm: hoe hadith werd onderwezen en ontvangen

Van de compilator naar de klas

In het voorgaande artikel zagen wij hoe al-Zuhri ﵀ onder het kalifale bevel de hadith van Medina en Damascus systematisch bijeenbracht, en hoe rond zijn persoon tientallen leerlingen hun eigen geschreven collecties aanlegden. Maar een compilator valt niet uit de lucht. Achter elke verzamelaar staat een onderwijssysteem dat hem gevormd heeft: een manier waarop kennis werd aangeboden, ontvangen, gecontroleerd en doorgegeven. De hadithwetenschap heeft voor dat geheel een eigen naam, tahammul al-'ilm, het dragen van de kennis, en Mohammad Mustafa al-Azami ﵀ wijdde er in zijn Studies in Early Hadith Literature een volledig hoofdstuk aan, gebouwd op honderden verspreide berichten uit de vroegste bronnen.

Waarom verdient dat systeem een eigen plaats op deze kaart? Omdat de sceptische lezing van de hadith in wezen een lezing van het onderwijs is. Wie beweert dat overleveringen in de tweede en derde eeuw vrijelijk konden worden verzonnen en teruggeprojecteerd, beweert daarmee dat het onderwijs waarin die overleveringen werden doorgegeven vormeloos was: zonder administratie, zonder controle, zonder geheugen voor wie wat van wie had. Het hoofdstuk van Azami laat het tegendeel zien, niet met één spectaculair document, maar met de opgetelde alledaagsheid van honderden schoolscènes. Er bestond een didactiek van de hadith, met werkvormen die wij kunnen benoemen, met tests die wij kunnen beschrijven, en met een toelatingscultuur waarvan de regels bewaard zijn. Dit artikel loopt dat systeem langs, van de kring rond de Profeet ﷺ tot de dictaatklassen van de tweede eeuw.

Het fundament van dat alles ligt, zoals zo vaak op deze kaart, in de Koran zelf. Azami opent zijn hoofdstuk met het vers waarin het verwerven van godsdienstkennis tot een taak van de gemeenschap wordt gemaakt, zelfs in tijden van oorlog:

فَلَوْلَا نَفَرَ مِن كُلِّ فِرْقَةٍ مِّنْهُمْ طَائِفَةٌ لِّيَتَفَقَّهُوا فِي الدِّينِ وَلِيُنذِرُوا قَوْمَهُمْ إِذَا رَجَعُوا إِلَيْهِمْ

"Waarom rukt niet uit elke groep van hen een deel uit, opdat zij inzicht verwerven in de godsdienst en hun volk waarschuwen wanneer zij tot hen terugkeren."

Soera At-Tawbah 9:122

Uit dat gebod, schrijft Azami, kwam in de hele Islamitische wereld een uitbarsting van onderwijsactiviteit voort, en het woord kennis zelf, 'ilm, werd eeuwenlang in de eerste plaats gebruikt voor de kennis van de ahadith en wat daarbij hoorde. Wie in de tweede eeuw zei dat iemand kennis zocht, bedoelde doorgaans: hij zit bij de overleveraars.

Eén waarschuwing van de auteur zelf moet de lezer meenemen, omdat zij het hele hoofdstuk kleurt en omdat zij typerend is voor zijn wetenschappelijke stijl. Er bestonden in die vroege eeuwen geen georganiseerde universiteiten met vaste leerplannen en vaste onderwijsmethoden; elke leraar en elke student kon de vorm kiezen die hem paste, en de praktijk verschilde van tijd tot tijd en van plaats tot plaats. Elke generalisatie, schrijft Azami, elke beperking tot één vaste praktijk, is gevaarlijk en misleidend; wat hij biedt is een schets. Dat is geen zwakte van zijn betoog maar een kracht: de werkvormen die hierna volgen zijn geen verzonnen systeem dat met terugwerkende kracht op de bronnen is gelegd, maar patronen die uit de bronnen zelf oprijzen, met al hun variatie.

De eerste kring: de Profeet ﷺ als leraar

Het onderwijs van de hadith begint niet bij een geleerde, maar bij de Profeet ﷺ zelf, die zichzelf een leraar noemde en met zijn Metgezellen ﵃ in een kring zat om hen te onderwijzen. Zijn woorden en daden werden door de Metgezellen ﵃ zorgvuldig gevolgd en onderling naverteld tot men ze beheerste. En omdat niet iedereen bij elke gelegenheid aanwezig kon zijn, ontstond er iets dat men gerust een aanwezigheidsregeling mag noemen: Metgezellen ﵃ spraken onderling af om de kring in ploegen bij te wonen, waarbij wie er was, de afwezigen naderhand op de hoogte bracht van wat de Profeet ﷺ had gezegd en gedaan. Dat was niet alleen hun eigen afspraak; het was ook de opdracht van de Profeet ﷺ zelf, en de bronnen bewaren als voorbeeld de afspraak van Umar ﵁ met een buurman van de Ansar, die elkaar om beurten vervingen.

Hoe zwaar dat bijwonen woog, blijkt uit het kleine, bijna ontroerende bericht over de Metgezel Sulait ﵁. Hij had van de Profeet ﷺ een stuk land gekregen dat ver van Medina lag, en de afwezigheid die het beheer ervan hem oplegde, bezwaarde hem zozeer dat hij de Profeet ﷺ vroeg het land terug te nemen. Een geschenk van land woog niet op tegen gemiste lessen. Zo zag de eerste generatie haar eigen aanwezigheid in de kring: als iets dat men niet kon laten vervangen door welvaart.

Sommige Metgezellen ﵃ maakten al tijdens het leven van de Profeet ﷺ hun aantekeningen, anderen legden hun verzamelingen later aan, en het was een wijdverbreide gewoonte om de ahadith individueel of gezamenlijk op te halen en te herhalen, een praktijk die in de tijd van de Opvolgers gewoon doorliep. Uit die lessen groeiden vervolgens de eerste boeken. In het midden van de eerste eeuw van de Hijra, noteert Azami, begonnen boeken van ahadith te verschijnen die uit de lessen van leraren waren samengesteld, en onder de vroegste die vermeld worden zijn de boeken van Bashir ibn Nahik ﵀ en Hammam ibn Munabbih ﵀, beiden leerlingen van Abu Hurayra ﵁; de boeken uit de kringen van Ibn Abbas ﵁ en Jabir ﵁ horen bij dezelfde periode. De lezer van deze kaart kent die namen: de sahifa van Hammam ﵀ is verderop als fysiek manuscript behandeld. Wat hier zichtbaar wordt, is de kraamkamer waarin zulke documenten ontstonden: geen archief en geen kanselarij, maar een klas.

In het derde kwart van diezelfde eeuw verschijnt dan een techniek die verraadt hoe schriftelijk het onderwijs inmiddels dacht: de atraf, letterlijk de uiteinden. Een student schreef niet de volledige hadith uit, maar alleen het begin of een kenmerkend deel, als geheugensleutel voor een tekst die hij elders volledig bezat of beheerste. De vroegste vermelding van deze methode die Azami kon vinden, betreft Ibn Sirin ﵀ in de les van zijn leraar Abidah al-Salmani ﵀, die in het jaar tweeënzeventig overleed; later werden op dit principe complete naslagwerken gebouwd die de vroege geleerden als een soort concordantie gebruikten. Een geheugensteun van deze soort heeft alleen zin in een cultuur waar de volledige teksten al vastlagen. Wie atraf schrijft, bezit boeken.

Per onderwerp of per leraar

Hoe ordende men de groeiende massa? Azami vond het vroegste spoor van een thematische ordening bij twee mannen die elkaar in Medina troffen: Ibn Abbas ﵁ en Urwah ibn az-Zubair ﵀ reviseerden ahadith onderling per onderwerp, rubriek voor rubriek. Maar juist bij die sessies noteren de bronnen een veelzeggende beperking: omdat men in zo’n themagesprek een overlevering niet volledig en niet in haar precieze bewoordingen doornam, maar slechts haar wezenlijke punten aanstipte, verboden beide geleerden hun studenten om overleveringen via deze methode te leren. Men mag even stilstaan bij wat dat impliceert. In het onderwijs van de eerste eeuw bestond al een uitgewerkt onderscheid tussen het bespreken van een overlevering en het overleveren ervan, en alleen de tweede vorm, de volledige en woordgetrouwe, gold als geldig kanaal. Een gemeenschap die zo’n regel formuleert, is niet naïef over tekstbederf; zij heeft er beleid op.

De ordening die het pleit won, was niet die per onderwerp maar die per leraar. In de tweede eeuw was het de gangbare praktijk om ahadith te onderwijzen volgens de shuyukh van wie men ze had: men gaf de hadith van deze shaykh, en dan de hadith van die. De bronnen bewaren het gesprek waarin al-Fallas, gevraagd waar hij vandaan kwam, antwoordde dat hij uit de les van Mu’adh kwam, en op de vervolgvraag wiens hadith daar werd overgedragen, antwoordde: de hadith van 'Awn. De les had een naam, en die naam was een bron. Leraren hielden de ahadith van elke shaykh afzonderlijk bij, en er zijn talrijke verwijzingen die dit als algemene praktijk bevestigen.

Dat dit geen abstracte administratie was maar een wereld van concrete, opvraagbare boeken, tonen de anekdotes die Azami bijeenzette. Mujahid ﵀ ging naar Hammad ibn Amr en verzocht hem het boek van Khusaif te brengen; men bracht hem het boek van Husain, het verkeerde dus, en het verhaal is juist daarom bewaard. Al-Thauri ﵀ kondigde aan het boek van de beste man van Kufa te zullen brengen; de studenten verwachtten het boek van Mansur en hij kwam met dat van Muhammad ibn Suqah. En wanneer Ahmad ibn Hanbal ﵀ een overlevering besprak die via Hushaim was overgeleverd, stuurde hij zijn leerling al-Athram naar het huis van Abdullah ibn Musa om het daar in diens boeken van Hushaim na te slaan; al-Athram beschrijft hoe de boeken van Hushaim hem werden voorgelegd en hoe hij de ahadith van Ya’la op één plaats bijeen vond, zonder de gezochte overlevering. Zo klinkt een wetenschap die haar bronnen per leraar archiveert en bij twijfel het archief raadpleegt. Het negatieve resultaat van al-Athrams zoektocht is daarbij het mooiste detail: men sloeg niet alleen na om te bevestigen, men sloeg na om te toetsen, en soms was het antwoord nee.

De vier werkvormen

Voor het eigenlijke onderwijs onderscheidt Azami vier stelsels die algemeen in gebruik waren: de mondelinge voordracht van de leraar, het lezen uit boeken, vraag en antwoord, en het dictaat. Wie ooit een moderne collegezaal, een werkgroep en een practicum heeft gezien, herkent het repertoire; het verschil zit in de rol die het geheugen en de controle erin speelden. Het loont om deze vier vormen één voor één te bekijken, want in hun details schuilt telkens hetzelfde patroon: mondeling en schriftelijk waren in dit onderwijs geen tegenpolen maar partners, waarbij het gesproken woord de tekst tot leven bracht en de geschreven tekst het gesproken woord bewaakte. Precies die verwevenheid is wat de sceptische tweedeling tussen een orale vroegte en een schriftelijke laatte niet kan verwerken.

De eerste vorm, de vrije voordracht van de leraar uit het hoofd, was de oudste en de meest prestigieuze, maar zij begon vanaf de tweede helft van de tweede eeuw te wijken, al hield zij in bescheiden omvang nog lang stand. Kenmerkend voor deze vorm was de zeer lange verbintenis tussen student en leraar: men bleef jaren bij één shaykh, tot men als autoriteit over diens ahadith werd beschouwd en de eretitel rawi of sahib van die leraar droeg, de overleveraar of gezel van die man. En het tempo was, naar moderne maatstaven, verbluffend laag: in een les werden slechts enkele ahadith onderwezen, zeg drie of vier. De bronnen die Azami in zijn noten verzamelt, maken het nog concreter: Shu’bah ﵀ vertelde dat hij van Amr ibn Dinar ﵀ in vijfhonderd bijeenkomsten slechts honderd ahadith leerde, één hadith per vijf lessen dus, en al-Zuhri ﵀ ried zijn studenten aan om één of twee ahadith per dag te leren, met de verklaring dat wie veel tegelijk leerde, veel vergat. Traagheid was hier geen gebrek aan ijver; zij was de didactiek zelf. Een tekst die de status van overlevering moest krijgen, werd niet geconsumeerd maar ingeslepen.

De tweede vorm was het lezen uit boeken, en Azami onderscheidt er drie varianten van. De leraar kon uit zijn eigen boek voorlezen, en dat gold als de verkieslijkste weg: de tekst kwam dan rechtstreeks uit het gecontroleerde exemplaar van de autoriteit zelf. De leraar kon ook voorlezen uit het boek van de student, een kopie of een selectie uit zijn eigen werk, en juist deze variant had voor leraren die hun materiaal niet volledig uit het hoofd beheersten grote valkuilen. Want hier verschijnt een van de opmerkelijkste praktijken van het hele stelsel: studenten en geleerden speelden welbewust trucs, voegden hier en daar vreemde ahadith in het exemplaar van de leraar in, en legden hem het boek ter lezing voor om de deugdelijkheid van zijn kennis en geheugen te toetsen. Wie het ingevoegde materiaal niet herkende, werd aan de kaak gesteld en onbetrouwbaar verklaard. De hadithwetenschap kende, met andere woorden, de aselecte steekproef en de valstriktest avant la lettre, en zij paste ze toe op haar eigen leraren. Verderop op deze kaart, bij de wetenschap van Jarh wa-Ta’dil, zal blijken hoe deze testcultuur tot systeem werd verheven; hier zien wij haar in haar natuurlijke habitat, de klas.

De derde variant van het boek-onderwijs werd vanaf het begin van de tweede eeuw de meest gangbare praktijk van allemaal: het voorlezen aan de leraar. Een student, of een daartoe aangewezen voorlezer die men de qari’ noemde, las de tekst voor terwijl de leraar luisterde en corrigeerde, en de overige studenten vergeleken het gehoorde met hun eigen exemplaren of luisterden aandachtig om later te kopiëren. Voor de kopieën zelf bestond een hele infrastructuur: veel leraren stelden exemplaren beschikbaar en hielden daarvoor eigen schrijvers aan, een katib of warraq, en studenten die al een exemplaar bezaten, brachten dat mee. De vierde werkvorm in Azami’s lijst, vraag en antwoord, was de kleinste maar wellicht de slimste: de student las een deel van de overlevering, en de leraar vulde haar volledig aan. Wie wel eens een tekst heeft overhoord, herkent de methode onmiddellijk.

Het dictaat en de tucht van het geheugen

De vierde grote vorm, het dictaat, heeft een eigen geschiedenis die veelzeggend is voor de richting waarin het onderwijs zich bewoog. Afgezien van de dictaten van de Profeet ﷺ zelf en de incidentele dictaten van zijn vroege Metgezellen ﵃, was Wathilah ibn al-Asqa ﵁, die in het jaar drieëntachtig overleed, wellicht de eerste die er klassen voor hield. In de vroege dagen werd de methode ontmoedigd, en de reden die de bronnen geven is op het eerste gezicht verrassend: per dictaat kon een student in zeer korte tijd veel kennis vergaren zonder veel inspanning. Kennis die te snel kwam, werd gewantrouwd; het inslijpen van de langzame les gold als de koninklijke weg. Het was al-Zuhri ﵀, de hoofdpersoon van het voorgaande artikel, die als eerste stelselmatig van die houding afweek: tegen het einde van de eerste eeuw vinden wij hem dicterend, en die methode volgde hij de rest van zijn leven. Vanaf de tweede eeuw werd het dictaat naast het voorlezen de gebruikelijkste vorm, met regelmatige, daarvoor belegde klassen.

Rond het dictaat groeide een eigen beroepsgroep en een eigen techniek. Bij grote gehoren ontstond het ambt van de mustamli, de man die de woorden van de shaykh met luide stem voor het publiek herhaalde, rij voor rij, opdat ook de achterste schrijvers ze woordelijk konden vangen. Omdat niet elke student snel genoeg schreef, koos men soms een snelle schrijver die het dictaat optekende terwijl de anderen toekeken of hij geen fouten maakte, om zijn tekst naderhand te lenen of in aanwezigheid van de eigenaar te kopiëren. In de literaire kringen ontstond zo een klasse van beroepskopiisten, de warraqun, en uit hun werk een handel in boeken; Hammam ibn Munabbih ﵀ kocht boeken voor zijn broer Wahb ﵀, en het in dienst nemen van mensen om een hadithboek te schrijven of te verkopen gaat terug tot de late dagen van de Omajjaden.

Gedicteerd werd uit een boek of uit het geheugen, en bij die laatste variant toont Azami zich op zijn scherpst, want hij verzwijgt de zwakte ervan niet. Het leunen op het geheugen was in die tijd mede een kwestie van prestige en reputatie, schrijft hij, en deze praktijk leidde tot veel fouten, door de inherente gebreken van het menselijke geheugen. Maar dan volgt de andere helft van de zin, en die is voor de betrouwbaarheidsvraag beslissend: de geleerden moesten daarom hun boeken doornemen om hun geheugen op te frissen, en in veel gevallen, wanneer zij onzeker waren, dicteerden zij niet. Het systeem kende zijn eigen foutenbron en had er twee remedies voor: het boek als ijkpunt, en het zwijgen bij twijfel. Er waren ook uitersten, geleerden die weigerden te dicteren wanneer studenten op uitwisbare houten plankjes schreven, en anderen die juist opschreven en na memorisatie weer uitwisten; Azami weegt ze en noemt ze zeldzame en ongewone praktijken. De hoofdstroom was een schriftcultuur met geheugentucht, geen geheugencultuur met incidentele inkt.

Na het schrijven kwam de correctie, en ook daarvoor bestond een vaste gewoonte: de kopieën die bij dictaat of overschrijven waren ontstaan, werden gecorrigeerd, door de studenten onderling of onder toezicht van hun meesters, en van Nafi’ ﵀ is bewaard dat hij zijn studenten vroeg hun boeken ter correctie mee te brengen. Voor het klad gebruikte men houten plankjes, waarvan later nette kopieën werden vervaardigd, en om tijd en ruimte te sparen schreef men soms met afgekorte woorden. Klad en net, dictaat en collatie, voorlezen en tegenlezen: wie deze woorden achter elkaar zet, beschrijft geen romantische vertelcultuur, maar een scriptorium.

De toegang tot de kring

Ook over de studenten zelf laat het hoofdstuk zich uit, en het beeld is dat van een geordende leerweg. Eerst leerde men de Koran, grotendeels uit het hoofd, en veel geleerden toetsten nieuwe studenten in de Koran voordat zij werden toegelaten; daarnaast leerde men onderwerpen als recht, godsdienstpraktijk en grammatica, en doorgaans sloot men zich rond het twintigste levensjaar bij de kringen van de muhaddithin aan. De hadith was in dit curriculum geen beginnersvak maar een vervolgstudie, waaraan men pas begon met het Boek in het hart en de taal in de vingers. De voorbeelden in Azami’s noten tonen de bandbreedte: al-Zuhri ﵀ noemde Ibn Uyaynah ﵀ met zijn vijftien jaar de jongste student die hij ooit had gezien, Ahmad ibn Hanbal ﵀ begon toen hij zestien was, de Syriërs begonnen naar verluidt pas met dertig en de Basrieten al met tien. Pas in latere eeuwen zakte de leeftijd dramatisch, toen het om de kortst mogelijke keten, de isnad 'ali, een mode werd om kinderen bij beroemde ouderdomsgetuigen te laten zitten; en het is tekenend voor de zelfkritiek van het vak dat overleveraars die hun materiaal in hun jeugd hadden opgeschreven, daarvoor later in hun betrouwbaarheid werden aangeslagen.

Twee sociale trekken van dit onderwijs verdienen ten slotte vermelding, omdat zij het karakter ervan tekenen. Het onderwijs in de hadith was gratis; slechts enkelen vroegen er geld voor, en zij werden om die praktijk publiekelijk gelaakt. De verhouding tussen student en leraar berustte op eerbied, sommige studenten dienden hun leraren, andere leraren weigerden juist elke dienst, opdat die niet als betaling voor het onderwijs zou gelden, en in veel gevallen hielpen leraren hun studenten financieel en was het heel gewoon hun maaltijden aan te bieden. En het merkwaardigste verschijnsel van deze onderwijswereld, schrijft Azami, was het onafgebroken reizen van studenten en geleerden om ahadith te verzamelen; het reizen was misschien wel een wezenlijk onderdeel van het studentschap, al-Khatib al-Baghdadi ﵀ schreef er een afzonderlijk boek over, en de biografieën staan vol reisverhalen. Die rihla heeft op deze kaart al een eigen artikel; hier volstaat de vaststelling dat zij geen romantische uitzondering was, maar de logistieke consequentie van het shaykh-systeem: wie de hadith van een leraar wilde, moest naar die leraar toe.

Waar dat alles plaatsvond, is dan bijna een voetnoot: vanaf de dagen van de Profeet ﷺ zelf dienden de moskeeën als scholen, een gebruik dat tot vandaag in de moslimwereld voortleeft; daarnaast vindt men verwijzingen naar de kuttab, de schrijfschool, en naar huizen die als school werden gebruikt, terwijl aparte schoolgebouwen in de vroege periode niet gebouwd lijken te zijn; bij zeer grote toeloop week men uit naar een openbare plaats.

Haddathana betekent niet: alleen mondeling

Rest de vraag die dit hele hoofdstuk met de sceptische literatuur verbindt, en waarmee Azami zijn eerste appendix afsluit. De overleveringsformules van de isnad, haddathana, hij vertelde ons, akhbarana, hij berichtte ons, 'an, op gezag van, klinken de moderne lezer mondeling in de oren, en op die klank is menige theorie over een louter orale overlevering gebouwd. Azami toetst de klank aan de praktijk, en de praktijk blijkt anders. Een van de vier vaste schrijvers in de lessen van Shu’bah ﵀ in Bagdad, Adam ﵀, beschreef zijn eigen studietijd zo: ik schreef en de mensen kopieerden van mij; ik hoorde tweeduizend overleveringen. Hij zegt hoorde, terwijl hij ze per dictaat ontving en opschreef; het woord haddathana, concludeert Azami droogjes, geeft de helft van het beeld. Zuhair ibn Mu’awiyah ﵀ zette, wanneer hij een overlevering voor de tweede maal hoorde, er een merkteken bij: klaar. Men luisterde met het boek in de hand.

Het beslissende voorbeeld is de Muwatta’ van Malik ﵀, het boek dat op deze kaart een eigen artikel heeft. Azami zet acht passages uit de klassieke verzamelingen naast elkaar waarin hetzelfde materiaal uit de Muwatta’ wordt aangehaald: de een zegt haddathani Yahya, de ander akhbarana Qutaibah, de derde volstaat met 'an. In al deze gevallen, stelt hij vast, werd de overlevering niet mondeling doorgegeven maar via het boek, terwijl alleen naar de auteur werd verwezen. En bij de Maghazi van Ibn Ishaq ﵀, eveneens elders op deze kaart behandeld, vergelijkt hij twee onafhankelijk overgeleverde versies van hetzelfde werk en vindt slechts de minieme verschillen die men tussen twee handschriften van één boek verwacht; het is ondenkbaar, schrijft hij, dat zo’n groot boek eeuwenlang mondeling zou zijn overgedragen en dat studenten het hele boek uit het hoofd hadden moeten leren in plaats van het op te schrijven.

Zijn slotsom somt de documentatievormen op die achter de formules schuilgaan: kopiëren uit een geschreven document; schrijven uit een geschreven bron via dictaat; het voorlezen van een geschreven document door de leraar; het voorlezen ervan door een student; het mondeling overdragen van een document terwijl studenten het optekenen; en het mondeling overdragen dat mondeling wordt ontvangen. Eén sleutelpunt hebben al deze wegen gemeen: de toestemming van de shaykh aan de student om het materiaal te gebruiken. Wie materiaal benutte zonder die toestemming, kreeg in het vak een eigen schandnaam: sariq al-hadith, de dief van de overlevering. Overdracht was in dit stelsel geen kwestie van horen zeggen; zij was een verleende bevoegdheid, verbonden aan een controleerbare leerweg.

De latere wetenschap van de hadith-terminologie heeft deze praktijk vervolgens gecodificeerd. In de mustalah-literatuur van latere eeuwen, met de Muqaddimah van Ibn as-Salah ﵀ als bekendste mijlpaal, werden de wijzen van ontvangst geordend tot de klassieke achtvoudige indeling: het horen uit de mond van de shaykh, het voorlezen aan hem, de verleende overleveringsbevoegdheid, het overhandigen van het boek, de schriftelijke overdracht, de mededeling, het legaat en de vondst. Die indeling valt buiten het corpus van Azami’s studie en behoort tot een latere fase van de wetenschapsgeschiedenis; wij noemen haar hier omdat zij laat zien wat er met de praktijk van dit artikel is gebeurd. Wat in de eerste twee eeuwen als levende schoolpraktijk groeide, werd later niet vergeten of geromantiseerd, maar geanalyseerd, benoemd en van regels voorzien, zoals een volwassen wetenschap met haar eigen geschiedenis omgaat.

Van de klas naar het bewijsstuk

Zo blijkt tahammul al-'ilm het ontbrekende middenstuk tussen twee werelden die de scepticus graag gescheiden houdt: de wereld van de vroege aantekeningen en de wereld van de latere boeken. Tussen beide lag geen stille eeuw, maar een school, met werkvormen, toetsen, correctierondes, toelatingseisen en een eigen beroepsethiek, en door die school liep het materiaal van hand tot hand zonder ooit onbeheerd te zijn. Wie kan aanwijzen hoe een tekst werd onderwezen, hoeft niet te raden hoe hij bewaard bleef. En het is diezelfde school die verklaart waarom het aantal overleveringskanalen in de tweede en derde eeuw zo stormachtig groeide: honderden leraren, elk met tientallen schrijvende leerlingen, vermenigvuldigen een bescheiden kern van teksten tot een woud van ketens. Wat dat betekent voor de duizelingwekkende getallen die over de hadith in omloop zijn, komt verderop op deze kaart uitvoerig aan de orde.

Maar een school beschrijven is één ding; haar product in handen houden is iets anders. In het volgende artikel keert de kaart terug naar Medina, naar een document dat precies in deze onderwijswereld ontstond en haar tot op de bladzijde nauwkeurig illustreert: de nuskhah van Suhail ibn Abi Salih ﵀, het kleine geschreven corpus dat via zijn vader teruggaat op Abu Hurayra ﵁. Daar zullen wij zien hoe een concrete tekst uit deze klassen eruitzag, hoe zij werd doorgegeven, en waarom juist haar bescheiden omvang haar tot een van de sterkste bewijsstukken van de vroege schriftelijke overlevering maakt.

واللّٰه أعلم

Sources

Azami, Studies in Early Hadith Literature, Cambridge 1966 (2e editie 1978).