InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Usman dan Fodio ﵀
Islam in West-Afrika
عثمان بن فودي

Usman dan Fodio ﵀

Usman dan Fodio ﵀

Een Fulani-geleerde die dertig jaar wachtte met het zwaard en toen, gedwongen, de grootste Islamitische staat van prekoloniaal Afrika op gang bracht.

Leven

Hij werd geboren in de winter van 1754 in Maratta, een dorp in het sultanaat Gobir, in wat vandaag het grensgebied is tussen Niger en Nigeria. Zijn vader, Muhammad Fodio ﵀, was een malam, een geleerde-docent uit de Torodbe-tak van de Fulani — niet langer herders maar een geleerdenkaste, Fulani die hun kuddes hadden verruild voor de Qur’an en de inktpot. In dat huis groeide Usman op met boeken, niet veel, maar genoeg.

Vanaf jonge leeftijd studeerde hij bij zijn vader, bij zijn oom Uthman Binduri ﵀ (tafsir, Qadiri-tariqa) en bij Abd al-Rahman ibn Hammada ﵀ (hadith, sira). Rond 1774 kwam hij bij Jibril ibn Umar ﵀ terecht, de man die hem intellectueel zou vormen. Jibril ﵀ had jaren in Mekka, Medina en Cairo doorgebracht en het reformistische gedachtengoed van zijn tijd ontmoet. Hij schreef takfīr-stukken tegen wat hij als corruptie in de Hausa-hoven beschouwde. Usman nam van hem de methodische woede over, maar zou later voorzichtiger zijn met takfīr dan zijn leraar.

Tussen 1774 en 1804 — dertig jaar — deed Usman in essentie één ding. Hij reisde door Gobir, Kebbi en Zamfara als rondtrekkende wa’iz, hij preekte, hij gaf les, hij bouwde in Degel (ongeveer 13,03°N, 5,25°O) een jama’a op: een zelfvoorzienende gemeenschap van moskee, leerkringen, akkers en interne shari’a-rechtspraak. Hij schreef in deze jaren Ihya al-Sunnah, Kitab al-Farq en — beslissend — Bayān Wujūb al-Hijra.

De relatie met Gobir verzuurde. Onder sarki Nafata kwamen beperkingen op de jama’a: geen nieuwe bekeerlingen, verbod op de witte tulband van zijn aanhangers, inperking van prediking. Nafata’s zoon Yunfa — ooit Usman’s leerling — werd zijn vijand. Op 21 februari 1804 verliet Usman Degel en trok met zijn familie en enkele honderden aanhangers noordwestwaarts naar Gudu. Daar werd hij tot Amīr al-Muʾminīn uitgeroepen en werd de jihad geformaliseerd. Acht jaar later, in 1812, trok hij zich uit het bestuur terug, verdeelde het rijk tussen zijn zoon Muhammad Bello ﵀ (Sokoto) en zijn broer Abdullahi ﵀ (Gwandu) en keerde terug tot wat hij het liefste deed: lezen, schrijven, bidden. Hij stierf in april 1817 in Sokoto.

Geloof en cultuur

Usman was Qadiri — hij stond in de silsila van Abd al-Qadir al-Jilani ﵀, de twaalfde-eeuwse meester uit Bagdad. Dat gaf hem een specifieke houding: eerst aanbidder, dan geleerde, dan pas — als het moest — hervormer. Zijn leven volgt precies dat patroon.

Zijn prediking draaide rond vijf thema’s: de plicht van ilm (kennis, ook voor vrouwen), het verbod op shirk in zijn sluipende vormen (de iskoki-cultus, niet-Qur’anische amuletten), de onwettigheid van willekeurige hofbelastingen als jangali, de plicht van de vorst tot rechtvaardige rechtspraak, en — laat uitgewerkt — de verplichting van hijra wanneer het geloof niet meer vrij beoefenbaar is.

Hij was dichter in Arabisch en Fulfulde. Zijn qasidas en madīḥ nabawī over de Profeet ﷺ bewogen zich door de dorpen heen, uit het hoofd geleerd door ongeletterden. Zo werd zijn beweging niet alleen scholarly maar ook een liederenbeweging — dat verklaart haar snelheid.

Nalatenschap

Dan Fodio ﵀ liet een corpus van tientallen werken na, gecatalogiseerd in John Hunwick’s Arabic Literature of Africa. Het Sokoto-kalifaat, dat na zijn dood door zijn zoon Bello ﵀ werd geconsolideerd, zou tot de Britse verovering in 1903 bestaan — bijna een eeuw als het grootste Islamitische rijk in Afrika na de val van Songhay.

Zijn belangrijkste erfenis is niet politiek maar intellectueel, en zij werd vooral door zijn dochter gedragen. Nana Asma’u ﵀ (1793-1864) — viertalig schrijfster in Arabisch, Fulfulde, Hausa en Tamasheq, auteur van meer dan zestig werken — bouwde het yan taru-netwerk op: vrouwelijke ulama die van dorp tot dorp trokken en vrouwen onderwezen. Dat netwerk bestaat in aangepaste vorm tot vandaag in Noord-Nigeria. Haar bestaan alleen al weerlegt het cliché dat West-Afrikaanse Islam een mannenzaak zou zijn geweest.

Maar de erfenis heeft ook schaduw. De takfīr-doctrine van het Kitab al-Farq — juridisch zorgvuldig maar in de praktijk onbeheersbaar — legitimeerde een oorlog van moslims tegen moslims. Usman zelf was voorzichtig in zijn oordeel; zijn commandanten in de hitte van de strijd niet altijd. De spanning Fulani-Hausa die in de jihad hardde, klinkt tot vandaag na in delen van Noord-Nigeria.

Voor Afro-Caribische moslims is hij belangrijk omdat hij laat zien dat West-Afrika rond 1800 een inheemse ulama van wereldklasse had — geen geïmporteerde geleerdheid, maar een Torodbe-Fulani die in zijn eigen grond was opgegroeid.

Op de kaart

Vier plekken moeten op de kaart verschijnen. Maratta (bij Birnin Konni, ~13,82°N, 5,25°O) als geboortedorp. Degel (~13,03°N, 5,25°O) als dertig jaar durende jama’a-basis. Gudu (~12,75°N, 4,50°O) als het eindpunt van de hijra op 21 februari 1804 — de geografische pivotpunt van de hele West-Afrikaanse negentiende eeuw. Sokoto (13,06°N, 5,24°O) als hoofdstad en sterfplek; zijn graf is daar nog altijd een bedevaartsplek. De lijn Degel→Gudu→Sokoto is korter dan 100 kilometer — een minuscuul strijdtoneel waarin een rijk ter grootte van West-Europa werd gesticht.


Stage-uitspraak: “dan Fodio” als dan fo-DI-yo; “Torodbe” als to-ROD-be; “Degel” als DE-ghel (zachte g); “Gudu” als GOE-doe; “Jibril ibn Umar” als djib-RIEL ibn OE-mar; “Nana Asma’u” als NAA-na as-MA-oe; “Bayān Wujūb al-Hijra” als ba-YAAN wu-DJOEB al-HIDJ-ra.

Onzekerheden:

  • Geboortejaar 1754 meest gangbaar; sommige bronnen geven 1753 (15 Safar 1167).
  • Exacte coördinaten van historisch Maratta en Degel onzeker; identificaties berusten op moderne lokale traditie.
  • Aantal aanhangers bij de hijra uit Degel: bronnen variëren van enkele honderden tot meer dan duizend; “enkele honderden” als voorzichtige ondergrens.
  • Jaar visioen van Profetelijke inwijding: 1794 of 1795 — beide circuleren.

Bronnen

  • Usman dan Fodio ﵀, Ihya al-Sunnah wa-ikhmād al-Bidʿa, Kitāb al-Farq bayn Wilāyāt Ahl al-Islām wa Wilāyāt Ahl al-Kufr en Bayān Wujūb al-Hijra ʿalā al-ʿIbād: de eigen werken waarop de biografie steunt, met Ihya al-Sunnah als het vóór 1793 voltooide hoofdwerk (Last, p. 9), Kitāb al-Farq met zijn aanklacht tegen het bestuur van de Hausa-staten (Last, p. lxviii) en Bayān Wujūb al-Hijra als het werk waarin de plicht tot hijra is uitgewerkt (Last, p. 46; Hiskett, p. 119).
  • Muhammad Bello ﵀, Infāq al-Maysūr (1812): de datum van de hijra naar Gudu, 10 Dhu’l-Qa’da 1218, dinsdag 21 februari 1804, zoals aangehaald in Last, p. 23.
  • Abdullahi dan Fodio ﵀, Tazyīn al-Waraqāt: zijn verslag van de vlucht uit Gobir naar Gudu en van de leermeesters van zijn broer, zoals aangehaald in Sulaiman, pp. 33, 190.
  • Murray Last, The Sokoto Caliphate, Longmans, Green and Co, Londen 1967, pp. lxviii, lxxiii, 3, 5–7, 9, 12, 23–24, 41–42, 46, 60, 113.
    • pp. lxxiii, 3, 5–7, 9, 12: de geboorte in Maratta in Gobir op zondag 15 december 1754 en de verhuizing naar Degel; de Toronkawa als een geleerdenkaste; de leermeesters Uthman Binduri ﵀ en Jibril ibn Umar ﵀, wiens strenge definitie van een moslim de Shehu ﵀ niet overnam; het begin van de prediking rond 1774, de jaren 1774–1786 vanuit Degel in Kebbi en Gobir en daarna vijf jaar in Zamfara; Ihya al-Sunnah naast lange gedichten in het Fulfulde; de proclamatie van Nafata tegen prediking, bekering en tulband, en Yunfa als oud-leerling of bezoeker van Degel.
    • pp. 23–24, 46: de hijra van Degel naar Gudu op 10 Dhu’l-Qa’da 1218, dinsdag 21 februari 1804, dertig mijl hemelsbreed; de keuze tot Imam van de gemeenschap met de bay’a van eerst Abdullahi ﵀ en dan Bello ﵀; de titels Amīr al-Muʾminīn en Khalifa.
    • pp. 41–42, 60, 113: de verdeling van 1812, het westen voor Abdullahi ﵀ en het oosten voor Bello ﵀, waarbij Gwandu pas na de dood van de Shehu ﵀ de zetel van Abdullahi ﵀ werd; het overlijden in Sokoto op zondag 20 april 1817, 62 jaar oud, en Sokoto als het belangrijkste bedevaartsoord van Hausaland en hoofdstad van de grootste staat van West-Afrika.
  • Mervyn Hiskett, The Sword of Truth: The Life and Times of the Shehu Usuman dan Fodio, Oxford University Press, New York 1973, pp. 14, 16, 40–41, 48, 62–63, 66, 119, 143.
    • pp. 16, 40–41, 48: de Toronkawa die het nomadenbestaan geleidelijk verruilden voor de geleerdheid; Jibril ibn Umar ﵀ die ongehoorzaamheid aan de shariʿa als ongeloof leerde, en de Shehu ﵀ die dat radicalisme afwees ondanks zijn verering voor zijn leraar; de beperkende wetten van Nafata.
    • pp. 14, 62–63, 66, 119, 143: de Qadiriyya van Abd al-Qadir al-Jilani ﵀ uit de twaalfde eeuw, waarvan de Shehu ﵀ een trouw aanhanger was; het visioen van 1208/1794 waarin hij met het zwaard der waarheid werd omgord; Bayān Wujūb al-Hijra als kernwerk over de hijra-plicht; zijn veroordeling van de veebelasting jangali; de Britse verovering van 1903 die het kalifaat na bijna honderd jaar beëindigde.
  • Ibraheem Sulaiman, The African Caliphate: The Life, Works and Teaching of Shaykh Usman dan Fodio, The Norwich Press, 2008, pp. 33, 122, 190–191, 277, 281–283.
    • pp. 33, 122, 190–191, 277, 281–283: de geboorte in 1168/1754 en de leermeesters volgens Abdullahi ﵀; de terughoudendheid in takfir, want het is niet aan ons het geloof van een moslim te verdenken; de hijra van 21 februari 1804, de vlag van de Amīr al-Muʾminīn en de Bayān enkele jaren na het begin van de jihad; het overlijden op 20 april 1817; de inzet van de Shehu ﵀ voor het onderwijs aan vrouwen en Nana Asma’u ﵀ als lerares wier gedichten in heel Nigeria nog klinken.
  • Jean Boyd, The Caliph’s Sister: Nana Asma’u 1793–1865, Teacher, Poet and Islamic Leader, Frank Cass, Londen 1989, pp. 52, 98: de 'yan taru als de leerlingen van Asma’u ﵀ en hun nazaten, en haar blijvende inspiratie voor de vrouwen van de 'yan taru tot vandaag.