In de tijd van de Profeet Muhammad ﷺ waren er in de regio van de Hijaz verschillende Joodse stammen gevestigd, voornamelijk in Yathrib (Medina), Khaybar en Tayma. Deze stammen waren afstammelingen van Banu Isra’il (بنو إسرائيل) en vestigden zich in Arabië eeuwen vóór de komst van de Islam, vaak na ballingschappen uit Palestina. Volgens de overleveringen trokken zij zuidwaarts nadat hun heiligdommen in Bayt al-Maqdis waren verwoest. Sommigen vestigden zich in de vruchtbare oases van de Hijaz, waar zij landbouw bedreven en forten bouwden.
De bekendste van deze stammen waren Banu Qaynuqaʿ, Banu Nadir, Banu Qurayza, en de gemeenschappen in Khaybar en Tayma.
Hun komst en positie in de Hijaz
De Joodse stammen kozen de Hijaz vanwege haar vruchtbare valleien en natuurlijke bescherming. Volgens Ibn Kathir en al-Tabari vestigden zij zich in de verwachting dat er een nieuwe profeet zou verschijnen in dit gebied, zoals in hun eigen geschriften was voorspeld.¹
Toen de Arabische stammen Aws en Khazraj zich later in Yathrib vestigden, sloten de Joodse stammen verdragen met hen. Zij leefden als handelaren, landbouwers en geldschieters, en beheerden irrigatiesystemen en dadelplantages.
Zij waren goed georganiseerd en beschikten over versterkte nederzettingen (husoon). Veel Arabische stammen deden zaken met hen, en er bestond een zekere mate van afhankelijkheid, vooral door leningen en economische banden.
Na de Hijra en het verdrag van Medina
Toen de Profeet ﷺ naar Medina migreerde, sloten de moslims verdragen met de Joodse stammen om vrede en samenwerking te waarborgen. Dit document, bekend als de Constitutie van Medina, erkende de Joden als onderdeel van de gemeenschap zolang zij de afspraken naleefden.
Maar ondanks deze vredesafspraken ontstonden er al spoedig spanningen, vaak vanwege politieke intriges, schending van verdragen of deelname aan vijandelijkheden tegen de moslims.
Banu Qaynuqaʿ (بنو قينقاع)
Banu Qaynuqaʿ waren goudsmeden en handelaars in Medina. Zij waren de eerste Joodse stam die de afspraken met de moslims verbrak. De aanleiding was een incident waarbij een moslimvrouw op hun markt werd lastiggevallen. Een Joodse handelaar trok haar sluier omhoog, waarop een moslimman de dader doodde. De stam doodde daarop de moslim, wat leidde tot openlijke vijandigheid.
De Profeet ﷺ riep hen op het verdrag te respecteren, maar zij weigerden en sloten zich op in hun forten. Uiteindelijk werden zij na een belegering verslagen. Op voorspraak van de stam Aws — hun vroegere bondgenoten — werden zij niet geëxecuteerd maar uit Medina verbannen.²
Banu Nadir (بنو النضير)
Banu Nadir waren een machtige stam met aanzienlijke landbouwgrond. Het conflict ontstond toen de Profeet ﷺ hen bezocht om financiële steun te vragen voor een bloedgeldverplichting (een gebruikelijk verzoek volgens hun verdrag). Terwijl hij daar was, beraadslaagden enkele leiders van Banu Nadir over een plan om hem te vermoorden door een steen van het dak te laten vallen.³
Allah ﷻ openbaarde aan de Profeet ﷺ hun plan, waarna hij het gesprek verliet. De moslims gaven de stam tien dagen om Medina te verlaten, maar zij weigerden en verschansten zich in hun forten. Na een korte belegering gaven zij zich over. Zij kregen toestemming hun bezittingen te verkopen en vertrokken richting Khaybar.
Banu Qurayza (بنو قريظة)
Banu Qurayza waren aanvankelijk bondgenoten van de moslims, maar tijdens de Slag van al-Khandaq (de Greppel) sloten zij zich heimelijk aan bij de Quraysh en de andere belegeraars van Medina.
Terwijl de moslims door vijanden van buiten werden omringd, verbraken Banu Qurayza hun verdrag, waardoor Medina intern kwetsbaar werd. Toen Allah ﷻ de vijanden van buiten verdreef, werden zij verantwoordelijk gehouden voor hoogverraad.
Na de belegering van hun forten gaven zij zich over aan het oordeel van Sa’d ibn Mu’adh رضي الله عنه, leider van de Aws-stam. Zijn uitspraak, gebaseerd op hun eigen wet (de Thora), luidde dat de strijdende mannen zouden worden terechtgesteld en de vrouwen en kinderen krijgsgevangen zouden worden genomen.⁴
Deze gebeurtenis was zwaar, maar zij werd door alle bronnen gezien als een juridische uitvoering van het verdrag dat zij zelf hadden geschonden.
Khaybar (خيبر)
Na de verdrijving van Banu Nadir trokken veel Joden naar Khaybar, een vruchtbare oase ten noorden van Medina. Khaybar bestond uit meerdere forten en was rijk aan landbouw en handel. Daar vormden zij een machtsbasis van verzet tegen de Islamitische gemeenschap in Medina.
De leiders van Khaybar onderhielden contacten met Quraysh en andere vijandige stammen en spoorden hen aan tot oorlog tegen de moslims. Toen hun dreiging toenam, trok de Profeet ﷺ met zijn leger naar Khaybar.
De slag bij Khaybar vond plaats in het zevende jaar na de Hijra. De forten werden één voor één ingenomen. Toen de bewoners zich overgaven, kregen zij toestemming om te blijven en hun land te blijven bewerken in ruil voor de helft van de oogst.⁵ Deze regeling stond bekend als muqāsamah (gedeelde opbrengst), en werd later beëindigd onder het kalifaat van ʿUmar ibn al-Khattab رضي الله عنه.
Tayma’ (تيماء)
Tayma’ lag ten noorden van Khaybar en werd bewoond door Joodse stammen die al vóór de komst van de Profeet ﷺ bekend stonden om hun rijkdom en forten. In tegenstelling tot Khaybar namen de bewoners van Tayma’ geen deel aan directe oorlogvoering tegen de moslims.
Na de overgave van Khaybar erkenden zij vrijwillig de autoriteit van de staat en mochten zij hun land behouden in ruil voor een jaarlijkse belasting (jizyah).⁶
Ibn Kathir – al-Bidayah wa an-Nihayah, deel 2
Ibn Hisham – al-Sira al-Nabawiyyah, hoofdstuk over Banu Qaynuqaʿ
Al-Tabari – Tarikh al-Rusul wa al-Muluk, verslag over Banu Nadir
Ibn Kathir – Tafsir bij Soera al-Ahzab en Soera al-Hashr
Sahih al-Bukhari (Hadith 4240) – verslag over de slag bij Khaybar
Al-Baladhuri – Futuh al-Buldan, hoofdstuk over de verovering van Khaybar en Tayma’
