InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Islam in West-Afrika
عمر بن سعيد

Omar ibn Said ﵀

Omar ibn Said ﵀

Uit Futa Toro weggevoerd, in Charleston aan land gezet, in North Carolina gevangen — hij schreef in 1831 zijn levensverhaal in het Arabisch, op een veld in het Zuiden van de Verenigde Staten. Het is het enige wat wij bezitten.

Leven

Hij werd omstreeks 1770 geboren in Futa Toro, het gebied langs de Senegal-rivier dat vandaag tot Senegal hoort. Hij kwam uit een Fulani-familie die welvarend genoeg was om hem vijfentwintig jaar lang te laten studeren. Hij noemt in zijn eigen manuscript van 1831 de namen van zijn leermeesters. Hij leerde Arabisch, memoriseerde de Qur’an, studeerde Maliki-fiqh, tafsir, tawhid. Hij was, met andere woorden, wat in zijn eigen wereld een tâlib was: een student die op weg was om zelf malam te worden.

Omstreeks 1807 — hij was zevenendertig — viel een oorlog over zijn gebied heen. Hij werd gevangen genomen, meegevoerd naar de kust, op een schip gezet. Hij beschrijft die tocht in zijn eigen woorden: een maand en half op zee, en aan land in een “groot huis dat in het Christen-land Charleston wordt genoemd”. Hij werd verkocht aan een man die hij “Johnson” noemt en die hem volgens zijn verslag mishandelde. Hij vluchtte. Hij liep naar het noorden, tweehonderd kilometer, misschien meer. In Fayetteville, North Carolina (~35,05°N, -78,88°W), werd hij gepakt en in een gevangeniskerker geworpen.

Daar gebeurde wat zijn leven zou bepalen. Terwijl hij in de cel zat, begon hij met kool op de muren te schrijven. In het Arabisch. Een onbekende taal voor zijn bewakers — een zichtbare aanwijzing dat deze man niet was wat zij dachten dat hij was. Het nieuws verspreidde zich lokaal. Hij werd gekocht door James Owen in Bladen County, North Carolina, een planter en lid van een vooraanstaande familie (zijn broer John Owen werd later gouverneur van de staat). Daar bracht Omar de rest van zijn leven door, bijna zestig jaar, tot aan zijn dood in 1864 — een jaar voordat de Dertiende Amendement de slavernij in de Verenigde Staten afschafte.

Hij zag de Emancipation niet.

Geloof en cultuur

In 1831, na ruim twintig jaar op de Owen-plantage, schreef hij een autobiografie van zo’n vijftien manuscript-pagina’s in het Arabisch. Dit is — en wij moeten het gewicht van deze zin voelen — het enige bewaard gebleven Arabische slavennarratief uit de antebellum VS-Zuid. Het bestaat. Een man die uit Futa Toro was weggevoerd, schreef op Amerikaanse bodem in een taal die zijn meesters niet konden lezen, het verhaal van zijn leven, een verhaal dat met de basmala opent en met Qur’an-verzen doorloopt.

De buitenkant van het manuscript lijkt een Christelijke bekering. Hij schrijft over Jezus, over de Bijbel, over christelijk gebed. Maar moderne onderzoekers — Ala Alryyes (Yale), Sylviane Diouf, Ghada Osman — hebben laten zien dat de tekst dubbelzinnig is. De opening is geen christelijk gebed maar surat al-Mulk (Qur’an 67), een hoofdstuk dat moslims van oudsher op de doden lezen. Andere passages citeren surat al-Nasr en al-Fatiha. Hij lijkt, in de woorden van Diouf, een takiyya-strategie te voeren: naar buiten een conversie, naar binnen een voortzetting van zijn geloof. Hij vertelt over zijn vijfentwintig jaar studie in Futa Toro met onmiskenbare trots — een trots die geen bekeerling over zijn “heidense verleden” zou tonen.

Hij schreef in totaal zo’n veertien Arabische manuscripten tijdens zijn slavernij. De meeste bestaan uit Qur’an-citaten, afgewisseld met persoonlijke regels. Eén Bijbels Onze Vader werd door hem in het Arabisch gekalligrafeerd — maar de handschriftkenners lezen daarin de rhythme van een qasida. Zijn geloof was zijn geheime land.

Nalatenschap

Zijn 1831-autobiografie is sinds 2019 eigendom van de Library of Congress in Washington DC, waar zij gedigitaliseerd beschikbaar is. De officiële Engelse vertaling door Alryyes (A Muslim American Slave, 2011) maakte haar eindelijk toegankelijk voor een breed publiek.

Voor ons — Afro-Caribische moslims die vanavond in een Nederlandse zaal naar deze geschiedenis luisteren — is Omar ibn Said ﵀ de dichtste persoonsdraad tussen West-Afrika en de zwarte diaspora in de Atlantische wereld. De meeste moslim-Afrikanen die tijdens de Middle Passage werden weggevoerd, lieten geen geschreven spoor na. Hun geloof verdween in één of twee generaties onder de druk van de plantage en de gedwongen missie. Omar’s manuscript is een stem die door dat zwijgen heen spreekt. Hij was geen uitzondering — onderzoekers tellen de moslims onder de tot slaaf gemaakte Afrikanen in Noord-Amerika in de duizenden, zo niet tienduizenden, veelal uit Senegambia, Futa Toro, Futa Jallon, Bornu. Maar hij is de schriftelijke getuige die wij hebben.

Zijn leven roept een vraag op die wij niet mogen mooi-praten. Een geleerde man van vijfenvijftig jaar, gevormd in een van de meest verfijnde Islamitische leertradities van West-Afrika, bracht zijn laatste vierenvijftig jaar door als eigendom van een Amerikaanse planter, in een gebied waar hij nooit een jumua-gebed met anderen kon verrichten, nooit een madrasa kon bezoeken, nooit de Hajj kon doen. Hij hield desondanks vast. Niet triomfantelijk — stil, innerlijk, in zijn eigen Arabisch. Dat is de dignity-lijn die door zijn manuscript loopt. Wij eren die lijn door zijn naam te noemen.

Op de kaart

Futa Toro (~16,3°N, -13,5°W) als geboortegrond. Charleston, SC (32,78°N, -79,93°W) als aankomsthaven — de poort waardoor honderdduizenden West-Afrikaanse moslims de Amerikaanse slavernij binnengingen. Fayetteville, NC (35,05°N, -78,88°W) als de kerker waar hij met kool op de muren schreef. Bladen County, NC (~34,62°N, -78,55°W) als de plantage van James Owen, zijn laatste vierenvijftig jaar. Library of Congress, Washington DC (38,89°N, -77,00°W) als de huidige bewaarplek van zijn manuscript. Samen met Bilali Muhammad ﵀ op Sapelo Island vormen deze punten op onze kaart de eerste Amerikaanse vertaking van de West-Afrikaanse Islamitische wereld.


Stage-uitspraak: “Omar ibn Said” als O-mar ibn sa-IED; “Futa Toro” als FOE-ta TO-ro; “Bladen” als BLEE-den; “Fayetteville” als FÉH-juh-vil.

Onzekerheden:

  • Geboortejaar “omstreeks 1770” — eigen opgave in manuscript wijst op 1770-1773.
  • Datum gevangenneming “omstreeks 1807” — algemeen aanvaard op basis van zijn eigen opgave dat hij drie jaar na aankomst naar Fayetteville ontsnapte en eigendom van Owen werd in 1810.
  • De naam “Johnson” van de eerste eigenaar is eigen opgave en niet in VS-archieven definitief bevestigd.
  • De takiyya-interpretatie van de christelijke passages is wetenschappelijke consensus sinds Alryyes/Diouf maar blijft interpretatief.
  • Het aantal bewaarde Arabische manuscripten door zijn hand wordt meestal op “veertien” gezet maar sommige schatten iets lager.

Bronnen

  • Omar ibn Said ﵀, A Muslim American Slave: The Life of Omar Ibn Said, ed. en vert. Ala Alryyes, University of Wisconsin Press, Madison 2011, pp. xi, 3–7, 23, 51, 59, 61, 63, 67, 69, 75, 79, 84–87, 103, 109, 170, 174–175, 184–185, 189–190, 221.
    • pp. 51, 59, 61, 63, 67, 69, 75, 79: de Life van 1831 zelf: de opening met de Bismillah en Surat al-Mulk; de verontschuldiging aan Sheikh Hunter; de geboorteplaats Fut Tur, de leermeesters en de vijfentwintig jaar studie, het grote leger dat hem naar de zee voerde; anderhalve maand op zee naar Charleston en Johnson, een kleine, zwakke, slechte man; Jim en John Owen, gouverneur van North Carolina; zevenendertig jaar oud bij zijn vertrek; de Fatiha voor het Onze Vader; Jim Owen die hem niet slaat.
    • pp. xi, 3–7, 23: de inleiding van Alryyes: geboren omstreeks 1770 uit een welgestelde vader, gevangen in 1807 op zevenendertigjarige leeftijd, verkocht in Charleston; de vlucht van 1810 naar Fayetteville, de cel in Cumberland County en de verkoop aan James Owen van Bladen County, bij wie hij tot zijn dood in 1864 bleef; de drieëntwintig kwartobladen waarvan acht blanco, het enige bewaarde Arabische slavennarratief in de Verenigde Staten; de vondst in een koffer in 1995; Surat al-Mulk als bewuste keuze en Surat al-Nasr van 1857 als laatste bekende tekst.
    • pp. 84–87, 184–185, 189–190, 221: Jameson (1925) over de vijftien kwartobladen; Plumer over de kolen uit de as en het Arabisch op de celmuur, de Ramadan en de doop; generaal Owen die hem in de cel zag schrijven; het essay van Ghada Osman en Camille F. Forbes over de veertien bewaarde handschriften die alle met een aanroeping van Allah ﷻ en Zijn Profeet ﷺ openen, de leeftijd van ongeveer negenenvijftig jaar in 1831 en de dubbelzinnigheid van en nu tegenover maar nu; Alryyes als hoogleraar aan Yale.
    • pp. 103, 109, 170, 174–175: de moslims in Noord-Amerika in duizenden, mogelijk tienduizenden; het leger van Bundu, Kaarta en Khasso dat Futa Toro in 1806–1807 binnenviel; het essay van Sylviane A. Diouf over het almamaat waaronder hij bijna zijn hele leven leefde, de nederlaag van Abdul Kader in april 1807, Saint-Louis en de schepen naar Charleston.
  • Allan D. Austin, African Muslims in Antebellum America: Transatlantic Stories and Spiritual Struggles, Routledge, New York/Londen 1997, pp. 129, 133–136, 144, 152–153: de enige bewaarde Arabische autobiografie van een Amerikaanse slaaf, verloren gewaand na 1925 en eind 1995 teruggevonden; een donkere Tukulor-Fulani, geen Arabier; de gevangenneming omstreeks 1807, dertig dagen op de vlucht, rond de veertig bij zijn komst bij de Owens en de drieënvijftig jaar daarna; het Onze Vader dat hij vaak schreef en de Surat al-Nasr van 1857 die als Onze Vader werd doorgegeven; drieëntwintig bladen met schrift op vijftien; de lofprijzing op de Owens als woorden om in hun gunst te blijven.
  • Sylviane A. Diouf, Servants of Allah: African Muslims Enslaved in the Americas, 15th anniversary edition, New York University Press, New York 2013, pp. 50, 68, 70, 83, 94, 112, 191, 204, 207–208.
    • pp. 50, 68, 70, 83, 94, 112: de dood van Abdel Kader Kane in 1807 die waarschijnlijk tot zijn gevangenneming leidde; de ontscheping in Charleston; de honderdduizenden moslims in de Amerika’s; de schijnbekering van omstreeks 1819 tegenover de Bismillah van 1831; de streng gehouden Ramadan; Moro of Moreau als verbastering van Umaru.
    • pp. 191, 204, 207–208: gevangen terwijl hij bad, de smeekbeden in houtskool op de celmuur en de aankoop door generaal Owen; ongeveer negenenvijftig jaar in 1831; Surat al-Mulk als verhulde aanklacht, want niet de eigenaar maar Allah ﷻ heeft de macht; het schrijven in slavernij als compromis.
  • Surat al-Mulk 67:1–2 en Surat al-Nasr 110:1–3, de hoofdstukken waarmee hij zijn Life opent en zijn laatst bekende handschrift van 1857 vult.
  • Surat al-Fatiha 1:2, Lof zij Allah, Heer der werelden, het vers waarmee hij zijn teksten afsluit.