InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Islam in West-Afrika
نانا أسماء بنت عثمان

Nana Asma'u bint Usman ﵀

Nana Asma’u bint Usman ﵀

De dochter van de shehu, de zuster van de kalief, en in eigen recht de meest productieve vrouwelijke alima die West-Afrika ooit heeft voortgebracht. Viertalig, zestigvoudig als auteur, en architect van een vrouwen-onderwijssysteem dat tweehonderd jaar later nog steeds in Noord-Nigeria rondloopt.

Leven

Zij werd geboren in 1793 in Degel, op ongeveer 13,03° noorderbreedte en 5,25° oosterlengte, in het jama’a-dorp waar haar vader Usman dan Fodio ﵀ toen al bijna twintig jaar aan het preken, lesgeven en schrijven was. Haar moeder was Maymuna, een van Usman’s ﵀ vrouwen; haar tweelingbroer Hassan zou jong sterven. Zij werd vernoemd naar Asma’u bint Abi Bakr ﵂, de dochter van de eerste kalief, de vrouw die bij de hijra naar Medina eten naar haar vader en de Profeet ﷺ in de grot van Thawr bracht. De naam was geen toeval. In dat huis werden namen met intentie gekozen.

Zij groeide op tussen boeken en stemmen. Haar vader, haar ooms Abdullahi ﵀ en Muhammad Sambo ﵀, haar oudere broer Muhammad Bello ﵀ — allemaal geleerden, allemaal dichters, allemaal onderwijzers. In dat milieu werd zij behandeld zoals haar broers werden behandeld: Qur’an eerst, dan grammatica, dan fiqh, dan hadith, dan poëzie. Volgens de overlevering had zij de Qur’an volledig gememoriseerd voor haar negende verjaardag. Zij las Maliki-fiqh in het Mukhtasar van Khalil ﵀, zij las tafsir, zij las tasawwuf in de Qadiri-traditie van haar vader.

Toen Usman ﵀ op 21 februari 1804 uit Degel vertrok naar Gudu, liep zij mee. Ze was elf jaar oud. Wat zij op die tocht zag — het stof, de angst, de oude mensen die achterop raakten, haar vader op de kameel met zijn aanhangers omheen — zou zij later uitschrijven in Wakar Gewaye, “Het Pad van Omzwervingen”: een historisch gedicht in Fulfulde over de strijd van de Sokoto-staat, een van de zeldzame primaire bronnen voor de jihad-jaren vanuit het perspectief van iemand die erbij was.

Zij trouwde rond 1807 met Gidado dan Laima ﵀, een van Bello’s ﵀ naaste vertrouwelingen en later waziri — hoofd-vizier — van het kalifaat. Zij kregen kinderen. Gidado ﵀ overleed vóór haar. Na de dood van haar vader in 1817 werd haar broer Bello ﵀ de tweede Amīr al-Muʾminīn, en zij werd meer dan zijn zuster: zij werd zijn secretaris, zijn Arabisch-naar-Fulfulde vertaalster, zijn politieke raadgever, zijn klankbord. Elke ingekomen brief in het Arabisch werd door haar in Fulfulde omgezet zodat Bello ﵀ 's antwoorden de juiste toon troffen; elke uitgaande brief kreeg haar redactioneel oog. De correspondentie van Sokoto met de ulama van Kanem-Bornu, met el-Kanemi ﵀, met geleerden in Timbuktu en in Egypte — zij liep in belangrijke mate door haar handen.

Zij overleefde Bello ﵀ (overleden 1837) met zevenentwintig jaar. In die latere decennia werkte zij door onder de derde kalief, haar neef Aliyu Babba ﵀. Zij stierf in 1864 in Sokoto, eenenzeventig jaar oud. Haar graf ligt in Sokoto, niet ver van dat van haar vader.

Geloof en cultuur

Nana Asma’u ﵀ schreef in vier talen. Arabisch, de lingua franca van de ulama. Fulfulde, de taal van haar moeder en haar Torodbe-lijn. Hausa, de taal van de meeste onderdanen van het kalifaat. Tamasheq, de taal van de Toeareg die in de Aïr-woestijn ten noorden van Sokoto leefden en die een belangrijk deel van haar correspondentie vormden. Niet elke tekst had vier versies, maar de grotere werken had zij wél bewust in meerdere talen beschikbaar, zodat zij rond konden gaan — in ajami-schrift — tot in de dorpen waar geen Arabisch werd gelezen.

Haar oeuvre telt meer dan zestig overgeleverde werken. Poëzie — qasida’s en madīḥ nabawī — vormt het grootste deel. Sunago, Tabban Hakika, Wakar Gewaye, Godaben Gikku, Kitab al-Nasiha, en tientallen kortere risalat over tawhid, over fiqh, over rouw, over de plichten van de gelovige. Wakar Gewaye — in Fulfulde, later ook in Hausa-ajami — is historisch van het grootste belang: zij schrijft de ontstaansgeschiedenis van Sokoto vanuit het perspectief van iemand die bij Gudu was, bij de overwinning op Gobir was, bij de stichting van Sokoto was. Het is het soort ooggetuigschrift dat in de meeste jihad-tradities door mannelijke chroniqueurs wordt gemonopoliseerd. Hier is het van een vrouw.

Haar grootste institutionele bijdrage is echter niet een boek maar een netwerk. Rond 1830, in de jaren dat Bello ﵀ consolideerde, begon zij een systeem op te bouwen dat zij — en latere onderzoekers — het 'Yan Taru noemden, “De Associes”, “Zij die Samen Komen”. Het werkte zo. Vrouwen uit Sokoto en omliggende steden werden door haar opgeleid in de basisprincipes van het geloof: tawhid, gebed, vasten, basis-fiqh in Maliki-vorm, de levensverhalen van de Profeet ﷺ en van vrouwelijke sahabiyat zoals Khadija ﵂, Aisha ﵂, Fatima ﵂ en de vroege vrouwelijke strijders. Deze opgeleide vrouwen — zij werden jajis genoemd, van het Hausa-woord voor “leidster” — trokken vervolgens terug naar de dorpen in heel het kalifaat. Daar verzamelden zij andere vrouwen, vaak tijdens de rustigere uren van de landbouwkalender, en gaven door wat zij hadden geleerd. Zij onderwezen tegelijk Islamitisch basis-curriculum en huishoudelijke vaardigheden — voeden, weven, verzorgen van zieken, spinnen — omdat Nana Asma’u ﵀ begreep dat het ene niet zonder het andere ging.

De jajis droegen een onderscheidende hoed, een malfa, zodat hun status herkenbaar was. Zij waren mobiel. Zij reisden. Zij keerden periodiek terug naar Sokoto voor bijscholing. Dit was — documentair gestaafd — het vroegst gedocumenteerde vrouwelijk geleide religieuze onderwijssysteem in sub-Saharaans Afrika. Het was geen side-project. Het was de manier waarop het kalifaat zijn vrouwelijke bevolking bereikte, en Nana Asma’u ﵀ was er de architect van.

In haar eigen werk — zie haar Yearning for the Prophet (Begore) en haar Sunago (een elegie voor haar overleden zuster Fadima) — spreekt zij over geloof als een huiselijke discipline en tegelijk als een publieke plicht. Zij scheidde de twee nooit. Vrouwen-kennis was geen aanvulling op mannen-kennis; het was dezelfde Qur’an, dezelfde sunna, dezelfde juridische traditie, met aandacht voor de concrete levens waarin zij geleefd werd.

Nalatenschap

Haar verzamelde werk is tussen 1989 en 1997 voor het eerst systematisch uitgegeven door Jean Boyd en Beverly Mack — The Caliph’s Sister (Boyd, 1989) en The Collected Works of Nana Asma’u (Mack en Boyd, 1997). Vóór hun werk was zij in het Westen vrijwel onbekend. Binnen Noord-Nigeria en Niger was zij nooit vergeten. Haar qasida’s werden door jajis generatie na generatie gereciteerd, haar pedagogische teksten bleven in gebruik in Qur’an-scholen, haar Wakar Gewaye werd uit het hoofd geleerd door kinderen.

Het 'Yan Taru-netwerk bestond tot vandaag. Tot aan de tweede helft van de twintigste eeuw opereerde het in een aangepaste vorm in Sokoto, Kano, Katsina, Zaria en talrijke kleinere plaatsen. Jajis — nu soms in formele malama-rol, soms informeel — bleven vrouwen onderwijzen in de dorpen. Na 1999, met de gedeeltelijke herinvoering van shari’a-wetgeving in twaalf noordelijke Nigeriaanse deelstaten, werd haar nalatenschap opnieuw publiek zichtbaar gemaakt. Scholen werden naar haar vernoemd. Haar graf in Sokoto werd — en blijft — een bedevaartsplek voor vrouwelijke geleerden uit heel West-Afrika.

Maar de erfenis heeft ook schade geleden. De Boko Haram-opstand, die vanaf 2009 het noordoosten van Nigeria verwoestte, richtte zich niet toevallig op onderwijs en niet toevallig op vrouwen-onderwijs. In Borno en aangrenzende deelstaten werden madrasa’s die in de traditie van 'Yan Taru stonden verwoest; jajis werden vermoord of verdreven; het netwerk dat Nana Asma’u ﵀ tweehonderd jaar eerder had opgezet, werd in precies die regio’s waarin het het diepst zat, systematisch uit elkaar getrokken. Dat die aanval zich tegen haar project richtte is geen voetnoot. Het was strategisch. Een beweging die Boko haram, “westers onderwijs is verboden”, als slogan voerde, begreep heel goed dat juist Nana Asma’u’s ﵀ systeem — vrouwelijke ulama, mobiel, lezend — de tegenovergestelde visie belichaamde. De echo loopt dus door tot in de eenentwintigste eeuw, in de vorm van een nog niet afgesloten strijd.

Voor Afro-Caribische moslims die vanavond luisteren, is haar bestaan om één reden onmisbaar. Wanneer iemand beweert dat de Islam vrouwen heeft uitgesloten van geleerdheid, dat de West-Afrikaanse Islam-traditie een mannenzaak was, dat onderwijzen een importproduct uit Europa is, dan is Nana Asma’u ﵀ het directe tegenargument. Zij is geen uitzondering. Zij is een representatie: de meest zichtbare punt van een traditie waarin Fatima al-Fihri ﵀ in Fez een universiteit stichtte in 859, waarin vrouwelijke muhaddithat in Mamluk-Cairo hadith-ketens droegen, waarin Bangladeshi huffaz en Senegalese murshidat tot vandaag doorwerken. Haar scholarly werk was integraal aan hoe het Sokoto-kalifaat functioneerde — niet ondanks haar geslacht, maar omdat het kalifaat wist dat een staat zonder vrouwen-kennis een halve staat is.

Op de kaart

Vier plekken. Degel (13,03°N, 5,25°O) als geboorteplaats, waar zij haar eerste elf jaar leefde en haar eerste Qur’an-memorisatie voltooide. Gudu (12,75°N, 4,50°O) als het punt van de hijra in februari 1804, waar zij als elfjarige een ketenstap meemaakte die zij later in Wakar Gewaye zou vastleggen. Sokoto (13,06°N, 5,24°O) als haar volwassen thuis, de plek waar zij de zestig werken schreef, het 'Yan Taru organiseerde en begraven ligt. Wurno (~13,2°N, 5,4°O), de ribat die haar broer Bello ﵀ ongeveer vijftig kilometer noordoostelijk van Sokoto stichtte, waar zij ook lesgaf en veldwerk-sessies van haar jajis hield. De vier plekken liggen binnen een straal van zeventig kilometer. Binnen die kleine driehoek werd een vrouwen-onderwijssysteem opgebouwd dat zich over het hele West-Afrikaanse kalifaat uitrolde.


Stage-uitspraak: “Nana Asma’u” als NAA-na as-MA-oe; “Gidado dan Laima” als gi-DAA-do dan LAI-ma; “Wakar Gewaye” als WA-kar ge-WAA-je; “'Yan Taru” als jan TAA-roe; “jajis” als DJAA-djis; “malfa” als MAL-fa; “Fulfulde” als ful-FUL-de; “Tamasheq” als ta-ma-SJEK; “Wurno” als WOER-no.

Onzekerheden:

  • Geboortejaar 1793 algemeen aanvaard; een enkele bron geeft 1792.
  • Exacte huwelijksdatum met Gidado ﵀ onzeker; tussen 1807 en 1811 is de gangbare bandbreedte.
  • Oeuvre-omvang “meer dan zestig”: Boyd/Mack-catalogus; sommige latere toeschrijvingen blijven betwist.
  • Datering van het begin van 'Yan Taru als geformaliseerd netwerk: “rond 1830” is redelijk maar niet hard; het groeide organisch.
  • Coördinaten Wurno globaal (~13,2°N, 5,4°O) — moderne plaats bestaat; historische ribat-locatie daarbinnen niet exact vastgesteld.
  • Boko Haram-gerichte verwoesting van 'Yan Taru-successor-instituties: gedocumenteerd voor specifieke scholen in Borno; omvang als netwerkschade varieert per bron.

Bronnen

  • Nana Asma’u bint Usman ﵀, Wakar Gewaye (Fulfulde, 1256/1840–1841), Sunago, Godaben Gikku, Tabban Hakika, Kitab al-Nasiha, Begore (Yearning for the Prophet) en de verzamelde qasida’s, waaronder de Arabische gedichten die in al-Durra al-‘asma’ zijn bijeengebracht: de eigen werken waaruit de biografie put, met Wakar Gewaye als het ooggetuigenverslag van de hijra en de jihad-jaren.
  • Muhammad Bello ﵀, Infāq al-Maysūr, de kroniek van haar broer waarop de datering van de hijra van Degel naar Gudu op 10 Dhu’l-Qa’da 1218 teruggaat.
  • Murray Last, The Sokoto Caliphate, Longmans, Green and Co, Londen 1967, pp. xxxiv, xxxviii, 23–24, 60, 77, 81, 149–151, 156, 166, 184, 211, 221–223.
    • pp. 23–24, 60, 81: de hijra van Degel naar Gudu op 10 Dhu’l-Qa’da 1218, dinsdag 21 februari 1804, volgens Bello ﵀ en Abdullahi ﵀, met Asma’u ﵀ die na de Shaykh ﵀ uit Degel vertrok; het overlijden van de Shaykh ﵀ op 20 april 1817 in Sokoto; de dood van Bello ﵀ op 26 oktober 1837 en de opvolging door Abu Bakr Atiku ﵀ en Ali b. Bello ﵀ (1837–1859).
    • pp. 149–151, 184: haar huwelijk kort na de jihad met Gidado dan Laima ﵀, de eerste vizier onder Bello ﵀ (1817–1842); haar moeder Maimuna als de oudste vrouw van de Shaykh ﵀, haar tweelingbroer al-Hasan ﵀ die jong stierf, het Tamasheq dat zij al in Degel oppikte en de vijf zonen die zij Gidado ﵀ schonk; haar dood twaalf jaar na die van Gidado ﵀ en hun graf in het huis van de Shaykh ﵀ in Sokoto.
    • pp. 77, 156, 166: Wurno als het laatste versterkte kamp van Bello ﵀ binnen zijn stelsel van ribats; haar aandeel, met de kalief Ali b. Bello ﵀, in het besluit dat Gidado ﵀ na 1842 niet naar het vizieraat terugkeerde, en haar tussenkomst bij de kalief Ahmad ﵀ om haar zoon Abdullah ﵀ tot Dangaladima te laten benoemen, bewijs van haar politieke gewicht tot in haar laatste jaren.
    • pp. xxxiv, xxxviii, 211, 221–223: haar Fulfulde-gedicht over de hijra en de jihad, gecomponeerd in 1256/1840–1841 en 135 regels lang, waarop Abd al-Qadir b. al-Mustafa ﵀ zijn Mausufat al-sudan baseerde; ten minste zeven Arabische gedichten in al-Durrat al-‘asma’ en drie boeken in het Arabisch, naast gedichten in het Fulfulde en Hausa; haar hulp bij het ordenen van de overleveringen over de Shaykh ﵀; haar sterfjaar 1280/1864; haar aanzien als een van de geleerdste kinderen van de Shaykh ﵀, beschouwd als wali, de laatste overlevende van de emigranten uit Degel, wier gedichten in Fulani-streken nog door vrouwen worden gezongen.
  • Ibraheem Sulaiman, The African Caliphate: The Life, Works and Teaching of Shaykh Usman dan Fodio, The Norwich Press, 2008, pp. 171, 190, 277, 281–283.
    • pp. 190, 277, 281–283: de hijra naar Gudu op 10 Dhu’l-Qa’da 1218, dinsdag 21 februari 1804, en het overlijden van de Shehu ﵀ op 20 april 1817 in Sokoto; de inzet van de Shehu ﵀ voor het onderwijs aan vrouwen, Asma’u ﵀ als lerares van een generatie vrouwen en via hen vele kinderen, de eretitel Sayyidatunā, de opeenvolgende kaliefen die haar om raad vroegen en haar gedichten die tot vandaag uit de mond van vrouwen in heel Nigeria klinken.
  • Sylviane A. Diouf, Servants of Allah: African Muslims Enslaved in the Americas, 15th anniversary edition, New York University Press, New York 2013, pp. 24, 288: de West-Afrikaanse traditie van geleerde en onderwijzende vrouwen, onder wie een dochter van Usman dan Fodio ﵀, en de klacht van de Shehu ﵀ over mannen die hun vrouwen en dochters in onwetendheid houden.
  • Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, p. 294: Usman dan Fodio ﵀ en Muhammad Bello ﵀ als aanhangers van de Qadiriyya en stichters van het Sokoto-kalifaat.
  • Jean Boyd, The Caliph’s Sister: Nana Asma’u 1793–1865, Teacher, Poet and Islamic Leader, Frank Cass, Londen 1989, de pionierstudie over haar leven, haar onderwijsnetwerk van de 'Yan Taru en de jajis, en haar rol als raadgeefster van de kaliefen.
  • Beverly Mack en Jean Boyd (red.), The Collected Works of Nana Asma’u, Daughter of Usman 'dan Fodiyo 1793–1864, Michigan State University Press, 1997, de uitgave van haar verzamelde werk waarop de omvang van het oeuvre en de titels in deze biografie teruggaan.