Mansa Musa
De rijkste man die de middeleeuwse wereld gekend heeft, en tegelijk de zuinigste met zijn eigen woord. Eén zin — over Abu Bakr II die de oceaan invoer — is vrijwel alles wat we hem persoonlijk hebben horen zeggen.
Leven
Musa werd geboren rond 1280, waarschijnlijk in Niani, als lid van de Keita-dynastie, nakomeling van Sundiata. Zijn exacte afkomst binnen de dynastie is niet volledig te traceren — al-Umari ﵀ schrijft dat hij geen zoon maar een neef was van zijn voorganger. Vóór hij Mansa werd, was hij wakil, plaatsvervanger, en dat detail is belangrijk: toen Abu Bakr II rond 1311 zijn expeditie over de Atlantische Oceaan ondernam en niet terugkeerde, trad Musa op in een rol die hem bij regentschap toebedeeld was. Die overgang verliep volgens de bronnen zonder strijd. De Gbara bevestigde hem. Het rijk kantelde niet.
Tussen 1312 en 1324 liggen twaalf stille jaren die niet stil waren. Musa consolideerde de goudvelden van Bambuk en Bure, vestigde het Malinese bestuur vaster over de Niger-bocht, en — volgens al-Umari ﵀'s informanten in Cairo — bereidde hij minutieus de pelgrimsreis voor die zijn naam zou maken. In juli 1324 arriveerde zijn karavaan in Cairo. Zestigduizend man volgens sommige bronnen, duizenden in ieder geval, twaalfduizend slaven elk met een goudstaaf, tachtig kamelen beladen met goudstof van ruim honderd pond per dier. De cijfers verschillen per bron; het feit van een karavaan zonder weerga verschilt nergens.
Drie maanden bleef hij in Cairo. De gouverneur, Amir Ibn Amir Hajib, ontving hem. Hij weigerde eerst sultan al-Nasir Muhammad ﵀ te ontmoeten omdat hij niet voor hem zou buigen; uiteindelijk werd een diplomatieke formule gevonden. Hij deelde goud uit op de markten met een vrijgevigheid die de Cairene prijzen ontregelde — de dinar zou, volgens al-Umari ﵀, twaalf jaar lang op lagere waarde blijven staan dan daarvoor. Dan verder naar Medina, Mekka, terug via Cairo met een klein gevolg van geleerden en de Granadiaans-Andalusische architect Abu Ishaq as-Sahili ﵀, wiens werk de bouwkunde van Mali zou hertekenen.
Op de terugweg — dat is historisch gedocumenteerd door de Tarikh al-Sudan — veroverde een onderdeel van zijn leger onder bevel van generaal Sagmandir de stad Gao. In 1327 liet Musa in Timbuktu de Djinguereber-moskee bouwen, volgens de traditie ontworpen door as-Sahili, met leemtegels en versterkt hout. Hij stierf rond 1337. Zijn zoon Maghan I volgde hem op.
Geloof en cultuur
Musa was onmiskenbaar moslim, van een ander kaliber dan zijn voorgangers. Niet syncretisch-tolerant, niet balancerend tussen dalilu en fiqh — hij stuurde expliciet op een Maliki-hof. Tegelijk was hij te slim om zijn Mandé-wereld te ontmantelen. De Donson Ton, de jagersbroederschap die onder Sundiata het militaire hart vormde, werd onder Musa gemarginaliseerd maar niet vernietigd. De griots bleven zingen, maar ze zongen nu naast de qadi’s. Het hof werd tweetalig in een dieper zin: Mandé én Arabisch, jeli én faqih.
Zijn investering in Timbuktu was niet decoratief. De Sankoré-school die onder zijn opvolgers tot madrasa uitgroeide, de manuscripten-cultuur die daar tot stand kwam, en het feit dat Timbuktu in de eeuw na zijn dood een internationale ulama trok — Ibn Battuta ﵀, later de Fulbe-geleerden, uiteindelijk Ahmad Baba ﵀ — beginnen hier. Het zaad van Sankoré werd door Musa gezaaid.
Ibn Kathir ﵀, schrijvend vanuit Damascus, noemt hem al-malik al-ashraf, de sublieme koning — een titel doorgaans gereserveerd voor Mamlukse sultans van de eerste orde. De eretitel was geen toeval. Het was erkenning dat Mali, onder Musa, een volwaardige provincie van de oemma was geworden, geen verre curiositeit.
Nalatenschap
Musa is in het Europese geheugen blijven hangen als “de rijkste man ooit”. Dat is Westers-reductief. Het herleidt hem tot goud. Zijn werkelijke nalatenschap is drievoudig.
Ten eerste institutioneel. Mali onder Musa annexeerde Gao, consolideerde de oostelijke Niger-bocht, en verlengde zijn greep op de trans-Saharaanse handelsroutes tot aan Walata en Taghaza. Het rijk bestreek rond 1330 een gebied van de Atlantische kust tot voorbij Timbuktu, met een bestuurlijke laag van farbas die aan Niani verantwoording aflegden. Dit institutionele raamwerk bleef, zelfs toen de dynastie later verzwakte, de blauwdruk voor het Songhay dat volgde.
Ten tweede architectonisch en intellectueel. De Djinguereber-moskee in Timbuktu staat nog — in 2012 door Ansar Dine aangevallen, sindsdien hersteld. As-Sahili’s werk en de bouwtraditie die hij inluidde vormden de esthetische taal van de Niger-bocht. De bibliotheken van Timbuktu, die in de twintigste en eenentwintigste eeuw als manuscript-erfgoed wereldberoemd werden, vinden hun fundament in de patronage die Musa begon.
Ten derde cartografisch. In 1375 tekende de Majorcaanse cartograaf Abraham Cresques op zijn Catalaanse Atlas een zwarte vorst midden in West-Afrika, met goudstaaf in de hand, onderschrift: Musse Melly, seignor des negres de Guinea. Voor het eerst in de Europese geografische verbeelding nam Mali een plaats in — en die plaats was die van een rijke, eerbiedwaardige vorst, geen slaafse of barbaarse figuur. Die beeldvorming hield tot in de zeventiende eeuw stand, tot de Atlantische slavenhandel haar zou ondergraven. Musa’s imago op Europese kaarten was, eeuwen voor Hegel, een tegenbeeld voor wat Hegel over Afrika zou beweren.
Voor Afro-Caribische nazaten is dit een belangrijke rekenkundige correctie. De voorouders van de trans-Atlantische diaspora kwamen niet uit een stateloze, schriftloze, armoedige wereld. Zij kwamen uit een wereld waarin de Mansa van Mali tot bij Damascus werd genoemd, waarin zijn karavaan de goudprijs in Cairo verstoorde, waarin zijn moskeeën nog staan.
Op de kaart
Volg met mij zes punten. Niani, hoofdstad, op ongeveer 11,4° noord, 8,4° west, in het zuiden van het huidige Mali. Van daar noordoost, de Niger op, tot Timbuktu op 16,77° noord en 3,01° west — ijzeren poort tussen Sahel en Sahara. Verder oost, stroomafwaarts, tot Gao op 16,27° noord, 0° oosterlengte. Terug naar het noordwesten naar Walata op 17,3° noord, 7° west — stopplaats voor wie de Sahara moet oversteken. En dan, buiten West-Afrika: Cairo op 30° noord, 31° oost, drie maanden oponthoud in juli-oktober 1324. En ten slotte Mekka, op 21,42° noord, 39,83° oost, waar hij in 1325 de tawaf verrichtte. Zes punten, twee continenten, één pelgrimsreis.
Stage-uitspraak: “Mansa” als MAN-sa; “Musa” als MOE-sa; “al-Umari” als al-oe-MA-ri; “Djinguereber” als djin-guh-RÉ-ber (Franse spelling); “as-Sahili” als as-sa-HI-li; “Sankoré” als san-ko-RÉ; “al-malik al-ashraf” als al-MA-lik al-ASH-raf.
Onzekerheden:
- Geboortejaar c. 1280: schatting op basis van regeringsjaren; kan vijf jaar afwijken.
- Aantal volgelingen in de Hajj-karavaan: bronnen geven 60.000 tot 80.000; waarschijnlijk indrukwekkend overdreven maar ordegrootte reëel.
- Sterfjaar c. 1337: Ibn Khaldun ﵀ is hier de belangrijkste bron; sommige moderne historici plaatsen het iets eerder.
- Autorschap van de Djinguereber-moskee door as-Sahili is traditioneel maar niet boven twijfel verheven; recentere architectuurhistorici nuanceren zijn rol.
Bronnen
- Shihab ad-Din al-Umari ﵀, Masalik al-absar fi mamalik al-amsar: het relaas van Musa zelf, opgetekend uit de mond van de gouverneur van Oud-Cairo Abu 'l-Hasan Ali ibn Amir Hajib, over de Atlantische expeditie van zijn voorganger en zijn eigen plaatsvervangerschap, de goudprijs die na het bezoek nooit meer boven 22 dirham kwam en de Malikitische juristen die hij meenam, zoals aangehaald in Gomez, pp. 100–101, 107, 121.
- Ibn Khaldun ﵀, Kitab al-Ibar: Musa als zoon van Manden Bukari, de jongere broer van Sundiata; de regering van vijfentwintig jaar, 712 tot 737 AH, 1312 tot 1337, en de opvolging door zijn zoon Mansa Magha; de generaal Saghmanja als veroveraar van Gao; het gepleisterde koepelgebouw dat as-Sahili ﵀ voor hem bouwde, zoals aangehaald in Gomez, pp. 99–100, 138, 145.
- Ibn Kathir ﵀, al-Bidaya wan-Nihaya: de aankomst in Cairo op 25 Rajab 724, 18 juli 1324, en de titel al-Malik al-Ashraf Musa ibn Abi Bakr, zoals aangehaald in Gomez, pp. 100, 104.
- ʿAbd ar-Rahman as-Saʿdi ﵀, Tarikh al-Sudan, hoofdstuk 3 over Kankan Musa: de zestigduizend man en vijfhonderd slaven met gouden staven, de route via Walata en Tuwat, de onderwerping van de Songhay, de moskee bij Gao, de inbezitneming van Timbuktu en de minaret van de Grote Moskee, in de vertaling van Hunwick, pp. 9–11.
- Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 99–101, 104–107, 113, 116–118, 121, 123–125, 138, 145, 150, 158–159.
- pp. 99–101, 104–105: de verschuiving van het huis van Sundiata naar dat van Manden Bukari en de afnemende invloed van de jagers; Musa als jonge man in 1324 en de twaalf jaar tussen troonsbestijging en aankomst in Cairo, grotendeels besteed aan de voorbereiding van de Hajj.
- pp. 106–107, 113: de getallen van de karavaan, zestigduizend man en vijfhonderd slaven uit de Tarikh al-Sudan, tachtig ladingen goudstof bij Ibn Khaldun ﵀ en honderd bij al-Umari ﵀; de goudprijs in Cairo; de datering van de Hajj in 724/1324 door alle externe bronnen.
- pp. 116–118, 121: de weigering om de grond te kussen voor sultan al-Nasir Muhammad, met de Malikitische madhhab als grond, en de gevonden formule; het vertrek naar Mekka na drie maanden, op 28 Shawwal 724; de Hajj en het bezoek aan het graf van de Profeet ﷺ in Medina; de terugkeer met boeken over Malikitisch recht, Malikitische juristen en de Granadese dichter Abu Ishaq as-Sahili ﵀.
- pp. 123–125, 138: de inlijving van Gao op de terugweg en de onderwerping van de Songhay; de moskee met mihrab buiten Gao; de bouw van de Djinguereber, de Grote Moskee van Timbuktu, met haar minaret; Walata als noordgrens van Mali met een farba als plaatsvervanger van de mansa; het koepelgebouw van as-Sahili ﵀.
- pp. 145, 150, 158–159: de regering van vijfentwintig jaar, het overlijden rond 737/1337 en de opvolging door Mansa Magha; de investering in Timbuktu en de komst van Soedanese ulama; de Catalaanse Atlas van 1375, toegeschreven aan Cresques Abraham van Mallorca, als beeld van Mali als land van goud.
- John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. lviii, 9–11.
- pp. lviii, 9–11 (TS hfst. 3): Kankan Musa als vrome en rechtvaardige vorst; de moskee buiten Gao en de inbezitneming van Timbuktu; het logies bij Siraj al-Din al-Kuwayk buiten Cairo en de leningen; het graf van as-Sahili ﵀ in Timbuktu, het bezoek van Ibn Battuta ﵀ in 754/1353 en de minaret van de Grote Moskee die Kankan Musa liet bouwen; de Sankoré-moskee als het voornaamste leercentrum van Timbuktu.
- ʿAbd ar-Rahman as-Saʿdi ﵀, Tarikh es-Soudan, vert. Octave Houdas, Ernest Leroux, Parijs 1900 (Arabisch en Frans), pp. 13–16: de Franse tekst van hetzelfde hoofdstuk, met de zestigduizend man, de moskee bij Gao, het logies bij Siraj al-Din en de minaret van Timbuktu.
