Idris Alooma ﵀
De Mai die Istanbul een brief schreef, Tripoli musketeers liet leveren, en aan het Tsjaadmeer een hoofdstad bouwde waarvan de muren pas in 1808 zouden vallen.
Leven
Idris ibn Ali ﵀ — door de geschiedenis Idris Alooma genoemd, naar zijn geboortestreek Alo (of Alau) ten zuiden van het Tsjaadmeer — wordt Mai van Kanem-Bornu rond 1564. Zijn troonsbestijging volgt op een periode van verzwakking waarin de Sayfawa-dynastie haar greep op de handelsroutes en op de Sao-bevolking in het zuiden had verloren. Hij erft een koninkrijk met een glorieus verleden en een kwetsbaar heden.
Zijn regeerperiode wordt in ongekende detail vastgelegd door zijn imam en secretaris, Ahmad ibn Fartua, in drie werken waarvan de Ghazawāt Barnū (De Veroveringen van Bornu) en de Kitāb Ghazawāt Kānim (De Veroveringen van Kanem) de belangrijkste zijn. Deze kronieken — geschreven in klassiek Arabisch, met exacte data, veldtochtroutes en troepensterktes — maken Idris Alooma ﵀ tot een van de best gedocumenteerde Afrikaanse vorsten van de zestiende eeuw.
Tussen 1571 en 1579 verricht hij de hadj. Op weg naar Mekka en terug legt hij diplomatieke contacten. Hij stuurt later een gezantschap naar Murad III in Istanbul — een uitwisseling die leidt tot de levering van Ottomaanse musketeers (tufakchis) uit de garnizoenen van Tripoli en Fezzan. Met dit kleine maar technologisch superieure korps verandert de krijgskundige balans in het Tsjaad-bekken. Hij voert campagnes tegen de Sao, de Kwararafa, de Tubu en Kanem-rebellen, en herstelt de controle over de Fezzan-as richting Noord-Afrika.
Zijn hoofdstad Ngazargamu, aangelegd aan de Yobe-rivier in wat vandaag extreem noordoostelijk Nigeria is, wordt onder hem een ommuurde stad met bakstenen moskee, rechtspaleis, en woonwijken voor geleerden en handelaars. Hij sterft in 1596, op campagne of kort erna; zijn zoon Muhammad volgt hem op.
Geloof en cultuur
Idris Alooma ﵀ is een Mai — een vorst met oudere, pre-Islamitische dynastieke rechten die teruggaan tot de Zaghawa-lijn van Kanem — én een oprechte Moslim. Die combinatie bepaalt zijn beleid. Waar hij kan, schuift hij de Islamitische wet naar voren zonder de dynastieke legitimiteit te ondergraven. Hij vervangt de oude Sao-gewoonterechtbanken door qadi-rechtbanken die op Maliki-fiqh gebaseerd zijn. Hij bouwt moskeeën in veroverde steden en verplicht lokale leiders tot het bijwonen van het vrijdaggebed. Hij laat openbare onzedelijkheid vervolgen.
Tegelijk beseft hij dat hij een gemengde bevolking leidt. De Kanembu-boerenklasse in het hart van Bornu is grotendeels Moslim; de periferieën — Sao-dorpen, Tubu-kampen, Kwararafa-grensgebieden — zijn dat in wisselende mate. Zijn jihads tegen deze periferieën worden door Ibn Fartua in religieuze termen gepresenteerd, maar zijn tegelijk territoriale consolidatie-oorlogen.
Zijn hadj is geen bijzaak. Hij bouwt in Mekka een pelgrimshuis voor Bornu-pelgrims, vergelijkbaar met de waqf-instellingen die Mansa Musa ooit stichtte. Hij laat in Ngazargamu Arabische manuscripten kopiëren en nodigt juristen uit Cairo en Medina uit om aan zijn hof te doceren.
Nalatenschap
Kanem-Bornu onder Idris Alooma ﵀ is het bewijs dat een Sahelse staat kon concurreren met de gevestigde Islamitische machten van de Mediterrane wereld — niet door die machten te imiteren, maar door selectief technologie (musketten, buskruit), diplomatie (Istanbul), en juridische infrastructuur (qadi-systeem) in te voegen in een bestaande dynastieke structuur.
De Ghazawāt Barnū van Ibn Fartua is, samen met de Diwan van de Sultans van Bornu, de basisbron voor de hele Kanem-Bornu-historiografie. Het laat zien dat Afrikaanse Islamitische staten hun eigen administratieve en literaire tradities voortbrachten, niet afgeleid van Noord-Afrikaanse modellen maar parallel eraan ontwikkeld.
De muren van Ngazargamu die hij bouwde, houden het uit tot 1808, wanneer de Fulani-jihad van Usman dan Fodio ﵀ de stad overloopt en platbrandt. Dat het tweehonderd jaar duurt voordat iets die muren velt, zegt iets over de duurzaamheid van wat hij naliet.
Voor Afro-Caribische Moslims die hun lijn terugtrekken via Bight of Benin: Kanem-Bornu is een van de staten waaruit in de negentiende eeuw — na Ngazargamu’s val — slaven naar Bahia en de Cariben verscheept werden. Het historische Bornu dat deze gedeporteerden verlieten was geen primitieve omgeving. Het was een staat met een klassiek-Arabische kroniektraditie, diplomatieke post in Istanbul, en een juridische infrastructuur die vier eeuwen oud was.
Op de kaart
Centreer de kaart op het Tsjaadmeer. Ten zuiden en westen ligt het kernland van Bornu; ten noorden de Sahara-as via Fezzan naar Tripoli — de route waarlangs Ottomaanse musketeers afzakten en goud, slaven en ivoor opklommen. Plaats Ngazargamu aan de Yobe-rivier, niet ver van de huidige grens tussen Nigeria en Niger. Trek een pijl noordoostwaarts naar Istanbul: vijfduizend kilometer diplomatie via Cairo. En een pijl oostwaarts naar Mekka, voor de hadj. Dit is een vorst die zijn kaart niet alleen als lokaal veld bekeek, maar als Mediterraan-Saharisch schaakbord.
Stage-uitspraak: I-DRIES a-LOE-ma (klemtoon op tweede lettergreep van beide namen). Nga-zar-GAA-mu. Kah-NEM-BOR-noe. Fez-ZAAN.
Onzekerheden: Begindatum regering varieert tussen 1564, 1569 en 1571 in bronnen; exacte jaar hadj onzeker (tussen 1571 en 1579); sterftejaar 1596 aangenomen maar sommige bronnen noemen 1603.
Bronnen
- Ahmad ibn Fartua, Ghazawāt Barnū (het Kitāb fī shaʾn sulṭān Idrīs, gedrukt in Kano in 1932) en Kitāb Ghazawāt Kānim: de zestiende-eeuwse kronieken van de veldtochten van Idris Alooma ﵀, als Kitāb fī shaʾn sulṭān Idrīs opgenomen in de bibliografie van Last, p. 254, en aangehaald voor de titel Amir al-muʾminin van de sultans van Bornu in Last, p. 47.
- Diwan van de sultans van Bornu, de latere koningslijst: in de biografie genoemd, niet in de bibliotheek.
- Ottomaanse en Marokkaanse archiefstukken over de gezantschappen uit Bornu: de bay’a die Mai Idris Alooma ﵀ aan Mulay Ahmad al-Mansur zou hebben getekend en de brieven van al-Mansur aan hem, in Hunwick, pp. 293–294, 296; de correspondentie van de Sayfawa-mais met Egypte, Turkije en Marokko (al-Hajj 1983) en de Ottomaanse documenten van 1576–1578 (Martin 1969), in Hunwick, pp. 379, 384.
- John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. 289–290, 293–294, 296, 327, 379, 384.
- pp. 289–290 (Leo Africanus, document 1): de regering van Mai Idris Alooma ﵀ van 1564 tot 1596; de Sao als de niet-islamitische groepen ten westen en zuiden van het Tsjaadmeer die hij met veel inspanning trachtte te onderwerpen; Bornu dat in het noorden aan de Fezzan grensde; de Kanuri-dynastie die haar oorsprong terugvoerde op Sayf ibn Dhi Yazan; paarden van Barbarijse kooplieden in ruil voor slaven.
- pp. 293–294, 296 (document 2): de brieven van Mulay Ahmad al-Mansur, waarschijnlijk aan Mai Idris Alooma ﵀ gericht, met de oproep de afgodendienaars te bestrijden, en de hem toegeschreven bay’a.
- p. 327 (Anonieme Spanjaard, document 4): de koning van Bornu, ten tijde van de Marokkaanse verovering van Songhay Idris Alooma ﵀, die met de wapens van verslagen Turken die in zijn dienst traden ongeveer vijfhonderd musketiers had bewapend.
- pp. 379, 384: de literatuur over de diplomatie van de Sayfawa-mais en over Mai Idris en de Ottomaanse Turken in 1576–1578.
- Murray Last, The Sokoto Caliphate, Longmans, Green and Co, Londen 1967, pp. 40, 47, 151, 254: de sultans van Bornu die zich al vier eeuwen vóór Sokoto Amir al-muʾminin noemden, met Ibn Fartua als zestiende-eeuwse getuige; de val van Birnin Gazargamu in 1808 en de buit die de vizier Gidado er voor de kalief ophaalde.
- R. A. Adeleye, Power and Diplomacy in Northern Nigeria 1804–1906: The Sokoto Caliphate and Its Enemies, Humanities Press, New York 1971 (Ibadan History Series), p. 11: Birnin Gazargamu als een van de voornaamste geleerdencentra van de centrale Soedan vóór de jihad.
- Sylviane A. Diouf, Servants of Allah: African Muslims Enslaved in the Americas, 15th anniversary edition, New York University Press, New York 2013, p. 30: Alooma ﵀ van Bornu die, zoals Askia Muhammad ﵀ en Muhammad Bello ﵀, zijn islamitische krijgsgevangenen vrijliet en alleen ongelovigen als slaven hield.
- João José Reis, Slave Rebellion in Brazil: The Muslim Uprising of 1835 in Bahia, vert. Arthur Brakel, Johns Hopkins University Press, Baltimore 1993, pp. 95, 97: de Bornu’s die in groten getale als slaven in de Nieuwe Wereld aankwamen en die, met de Hausa en Nupe, de islam al vóór hun komst naar Brazilië omhelsd hadden.