Ibn Battuta ﵀
Hij reisde verder dan iemand vóór hem. Hij schreef eerlijker dan veel na hem. En wanneer zijn vooroordelen botsten met wat hij zag, liet hij beide staan — dát is de reden dat we hem vandaag nog lezen.
Leven
Muhammad ibn Abd Allah ibn Muhammad ibn Ibrahim al-Lawati al-Tanji — bij ons gewoon Ibn Battuta ﵀ — werd in 1304 geboren in Tangier, aan de noordkust van het huidige Marokko, in een Maliki-juristenfamilie van de Berberse Lawata-stam. Hij kreeg de klassieke fiqh-opleiding van zijn tijd en zou, zonder bijzonderheden, een qadi van regionaal formaat zijn geworden. In 1325, eenentwintig jaar oud, vertrok hij voor de Hajj. Hij zou pas in 1354 in Marokko terugkeren. Tussen die twee data liggen bijna dertig jaar en ruwweg 120.000 kilometer: Mekka en Medina, Damascus, Bagdad, Shiraz, Anatolië, de Krim, Sarai op de Wolga, Constantinopel in gezantschap, Centraal-Azië, India waar hij zes jaar qadi was voor sultan Muhammad bin Tughluq, de Malediven waar hij qadi werd, Sri Lanka, Sumatra, China tot aan Quanzhou.
In 1351, na thuiskomst en een korte reis naar al-Andalus, kreeg hij van sultan Abu Inan Faris ﵀ van de Meriniden-dynastie opdracht voor een laatste expeditie: de Sahel. Hij vertrok in februari 1352 uit Sijilmasa met een karavaan zuidwaarts. Vijfentwintig dagen zand tot Taghaza, de zoutstad waar de huizen van zoutblokken waren gebouwd. Dan verder naar Walata, de eerste stad van het Mali-rijk, waar hij op het gastvrijheidsprotocol reageerde met een mengeling van waardering en ergernis. Vandaar via de Niger-route zuidwaarts naar Niani, hoofdstad van Mansa Suleyman, de broer en opvolger van Mansa Musa. Daar bleef hij ongeveer acht maanden, van juni 1352 tot februari 1353.
Na Niani stroomafwaarts per pirogue naar Timbuktu — hij bleef er kort en vond de stad overigens minder indrukwekkend dan verwacht — vervolgens naar Gao, de vroegere Songhay-hoofdstad die onder Mali was ingelijfd. Dan oostwaarts met een Berberse karavaan door Tuareg-gebied naar Takedda, een kopermijn-oase waar hij een brief van Abu Inan ontving die hem terugriep. De terugreis via Tuat, Sijilmasa en Fez bracht hem eind 1354 thuis. Daar dicteerde hij zijn ervaringen aan de jonge geleerde Ibn Juzayy, die de tekst van de Rihla in de zomer van 1355 voltooide. Ibn Battuta ﵀ zelf leefde nog ruim tien jaar in relatieve obscuriteit, diende als qadi in een onbekende stad, en stierf in 1368 of 1369.
Geloof en cultuur
Ibn Battuta ﵀ is geen afstandelijke etnograaf. Hij is een Maliki-jurist, en hij oordeelt. Dat oordeel is wisselend, en juist die wisseling maakt de Rihla tot een uitzonderlijke bron. In het Mali-rijk noteert hij met oprechte waardering de rechtvaardigheid van sultan Mansa Suleyman: “Van alle volkeren zijn de zwarten het verst van onrecht verwijderd, en hun sultan duldt het niet bij iemand.” Hij prijst hoe de wegen veilig zijn, hoe een reiziger noch te vrezen heeft voor dief noch voor roverij. Hij noemt bij name de qadi van Niani en beschrijft met zichtbaar respect hoe het hele hof de salat al-jum’ah met ernst verricht.
Maar dezelfde Ibn Battuta ﵀ is gechoqueerd door wat hij als inbreuken op de Maliki-adab ervaart. Vrouwen van Walata en Niani gaan ongesluierd, spreken vrij met mannen die niet hun verwanten zijn, houden awliyaa, mannelijke vrienden, die bij hun man over de vloer komen. Hij noemt gebruiken rond de sultan die hem onwaardig lijken: courtisanes die stof over hun hoofd strooien als groet, de faraniya die zich voor de vorst naakt in stof rolt. Hij veroordeelt. Hij noemt het onmoslims, of semi-Islamitisch, of vermengd met “hun oude gebruiken”.
Dit is de eerlijkheid die hem bruikbaar maakt voor ons. Hij schrijft niet wat we willen horen; hij schrijft wat hij zag, gefilterd door zijn Tangier-Maliki-bril. De moderne lezer kan door die filter heenlezen. Wat Ibn Battuta ﵀ afkeurt als impliciete niet-Islam, kunnen wij herkennen als een West-Afrikaanse gender- en hofcultuur die de Islam in een eigen taal had opgenomen zonder Maghrebijnse strengheid. Zijn afkeuring is ons etnografisch goud.
Nalatenschap
De Rihla — officiële titel Tuhfat al-nuzzar fi ghara’ib al-amsar wa 'aja’ib al-asfar, “Het geschenk van de toeschouwers over de wonderen der steden en de merkwaardigheden der reizen” — is voor de veertiende-eeuwse Mali-wereld de belangrijkste niet-Mandé bron die wij bezitten. Voor alles wat al-Umari ﵀ vanaf afstand in Cairo optekende, levert Ibn Battuta ﵀ een ooggetuigen-tegenwicht. Zonder hem zou de Mali-hofcultuur onder Mansa Suleyman in nevelen blijven; mét hem kennen we de naam van de qadi, de bouwwijze van de audiëntiehallen, de menu’s, de gewoonte om goud-stof op gasten te strooien, de geografie van de weg van Walata naar Niani.
Voor West-Afrikaanse historici is hij onmisbaar en onhandig tegelijk. Zijn geografische precisie is wisselend — hij verwart namen van steden, plaatst Takedda soms verkeerd, onderschat afstanden. Zijn cultureel commentaar is bevooroordeeld. Maar hij is daar geweest, hij heeft de mensen gesproken, en hij heeft het opgeschreven. In een veld waar primaire bronnen schaars zijn, is dat beslissend.
Zijn bredere erfenis ligt buiten West-Afrika. De Rihla is in de negentiende eeuw door Franse en Britse geleerden ontdekt en vertaald; H.A.R. Gibb’s vertaling voor de Hakluyt Society (1929-1994 in vier delen) is nog altijd standaard. In de Arabisch-Islamitische wereld is hij langer gekend geweest, maar de moderne herwaardering — Ibn Battuta ﵀ als Islamitische Marco Polo, soms als een grotere reiziger dan Polo — is evengoed een twintigste-eeuws fenomeen. Wat telt: hij wordt gelezen. Hij blijft gelezen. En iedere lezer die hem ontmoet, leest daarmee ook het Mali van Mansa Suleyman dat hij heeft vastgelegd.
Op de kaart
Volg met mij zijn West-Afrikaanse traject. Sijilmasa, op ongeveer 31,28° noord, 4,27° west, oase in het zuiden van de Atlas — hier verzamelde zich de karavaan in februari 1352. Dan 1500 kilometer Sahara naar Taghaza, op 23,5° noord, 5° west, waar zout in blokken werd uitgehakt. Walata, op 17,3° noord, 7° west, eerste stad van Mali, vijftig dagen vanaf Sijilmasa. Daarna Niani, hoofdstad, op 11,4° noord, 8,4° west. Stroomafwaarts per pirogue naar Timbuktu op 16,77° noord, 3° west. Gao, iets verder oost, op 16,27° noord, 0°. En ten slotte Takedda, op ongeveer 17,7° noord, 6° oost, kopermijn in het Tuareg-gebied waar de terugroepbrief hem bereikte. Vier tijdzones tussen begin en eind. Eén reiziger. Eén boek.
Stage-uitspraak: “Ibn Battuta” als ibn ba-TOE-ta; “Rihla” als RIH-la (zachte h); “Tangier” Nederlands als tan-GIER (zachte g, of Franse variant tan-ZJÉR); “Sijilmasa” als si-djil-MA-sa; “Taghaza” als ta-GHA-za (zachte gh); “Walata” als wa-LA-ta; “Takedda” als ta-KED-da; “Mansa Suleyman” als MAN-sa soe-LEJ-man.
Onzekerheden:
- Sterfjaar 1368 of 1369: beide voorkomende data in de Marokkaanse bronnen.
- Exacte duur verblijf in Niani: acht maanden op basis van zijn eigen chronologie, maar zijn data zijn niet altijd consistent.
- Identificatie van Takedda: archeologisch meest waarschijnlijk Azelik in het huidige Niger, maar niet definitief.
- Sommige afstanden en dagtellingen in de Rihla zijn door redacteur Ibn Juzayy mogelijk stilistisch gladgestreken — de tekst is een co-productie, geen dagboek.
Bronnen
- Ibn Battuta ﵀, Rihla, met de volledige titel Tuhfat al-nuzzar fi ghara’ib al-amsar wa 'aja’ib al-asfar, gedicteerd aan Ibn Juzayy: zijn eigen verslag van de reis van 1352–1353, met Taghaza, Walata en de farba, het hof van Mansa Sulayman, Timbuktu, Gao en Takedda, zoals aangehaald in Gomez, pp. 113, 125, 135, 147–148, 160, en in de Tarikh al-Sudan, vertaling Hunwick, p. 11, en Houdas, pp. 15–16.
- Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 113, 123, 125, 135, 138, 140–141, 145, 147–148, 158, 160, 163–164.
- pp. 113, 123, 125, 135: Taghaza als dorp waar alleen de slaven van de Masufa het zout delven; Takedda als kopermijn; de twee maanden van Sijilmasa naar Walata, het eerste district van de Sudan, met Farba Husayn als plaatsvervanger van de sultan; de aankomst in de stad Mali in 753/1352, zijn zwijgen over de hoofdstad en het debat over Niani, en de steden die hij wel en niet noemt.
- pp. 138, 140–141, 145: de qubba en de mashwar als audiëntieruimten van het hof; de smekeling die zich ontkleedt en stof over hoofd en rug strooit; het verblijf in Mali van juli 1352 tot februari 1353, met beide Ied-feesten; Mansa Sulayman als broer en opvolger van Musa.
- pp. 147–148: Ibn Battuta ﵀ als Marinidisch gezant; Sulayman als gierige koning en het welkomstgeschenk van drie broden; de audiëntie via de tolk Dugha en de 33 en 100 mithqal goud; Abu Inan als pas aangetreden Marinidische sultan.
- pp. 158, 160: de ijver in het gebed, het volle vrijdagsgebed en de qadi die zijn kinderen ketent tot zij de Koran kennen; de slavenhoudende bevolking van Takedda, de terugkeer naar Marokko in 754/1353 en de naakte slavinnen en dochters van de sultan als afgekeurde gebruiken.
- pp. 163–164: zijn ergernis over het protocol in Walata, het voortdurende onderscheid tussen zwart en wit en het oordeel over het zwakke verstand; daartegenover zijn lof voor qadi Abd al-Rahman, Dugha en Farba Sulayman, zijn erkenning van de ernst waarmee de Islam werd beleefd, en het genuanceerdere beeld waarmee hij Mali verliet.
- John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. xxix, l, lvi, 11.
- pp. xxix, l, lvi: Hunwicks plaatsing van de koninklijke stad die Ibn Battuta ﵀ bezocht halverwege Bamako en Segu; de edities van Defrémery en Sanguinetti en van Beckingham voor de Hakluyt Society (1994); Timbuktu in 1352 met een overwegend Massufa-bevolking.
- p. 11 (TS hfst. 3): de biografische noot: geboren in Tangier in 703/1304, reizen tussen 1325 en 1353, de West-Afrikaanse reis van februari 1352 tot december 1353, de Rihla gedicteerd aan Ibn Juzayy al-Kalbi in 756/1357 onder de titel Tuhfat al-nuzzar; het bezoek aan Timbuktu in 754/1353 en de graven van as-Sahili ﵀ en Siraj al-Din.
- ʿAbd ar-Rahman as-Saʿdi ﵀, Tarikh es-Soudan, vert. Octave Houdas, Ernest Leroux, Parijs 1900 (Arabisch en Frans), pp. 15–16: de passages uit de Rihla die as-Saʿdi ﵀ aanhaalt en het bezoek aan Timbuktu in 754/1353.
