InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Islam in West-Afrika
بلالي محمد

Bilali Muhammad ﵀

Bilali Muhammad ﵀

Een Fulani-moslim uit Futa Jallon die op Sapelo Island, Georgia, een plantage van vierhonderd tot slaaf gemaakten leidde en tegelijk een Arabisch fiqh-manuscript schreef. Drie generaties na hem herinnerden de Geechee op Sapelo nog steeds de vijf gebeden en de Ramadan-vasten.

Leven

Hij werd omstreeks 1770 geboren in Futa Jallon, het bergachtige Fulani-sultanaat in wat vandaag Guinee is. Futa Jallon was een hervormd Islamitisch staatje: gesticht in 1725 door Karamoko Alfa en Ibrahim Musa, twee Fulani-ulama wier beweging een halve eeuw voor dan Fodio ﵀ al een miniatuur voorbode was van wat in Sokoto zou gebeuren. Dit is belangrijk. Bilali kwam niet uit een perifere moslim-streek maar uit een intellectueel actief centrum van West-Afrikaanse Islam. Hij kreeg een geleerde opleiding: Qur’an, Arabisch, Maliki-fiqh.

Hij werd, waarschijnlijk jong volwassen (1800-1803), gevangen genomen en naar de Caraïben verkocht. Hij bracht enige tijd door in de Bahamas — meest waarschijnlijk op Middle Caicos, in een plantage van de Britse koloniale elite. Daar leerde hij Engels spreken. Rond 1802-1803 kocht de Amerikaanse planter Thomas Spalding hem aan, samen met een groep andere tot slaaf gemaakten, en bracht hem naar Sapelo Island in de zee-eilanden van Georgia (~31,47°N, -81,29°W).

Spalding was een ongewoon planter. Hij was een pragmatisch man die Bilali al snel aanstelde als driver — de titel die Amerikaanse planters gebruikten voor een tot slaaf gemaakte opzichter die direct gezag had over een arbeidsbende. Binnen een paar jaar was Bilali in feite estate-manager van de hele plantage: hij coördineerde de arbeid van ongeveer vierhonderd mensen over rijst- en zee-eilandskatoenvelden, hij handelde met externe kooplieden, hij beheerde het gereedschap. Tijdens de Britse invasie in 1815 vertrouwde Spalding hem tachtig geweren toe om de plantage te verdedigen. Een tot slaaf gemaakte Afrikaan, met vuurwapens. Dat dit kon, zegt iets over de uitzonderlijke positie die Bilali innam.

Hij leefde op Sapelo tot zijn dood omstreeks 1857. Hij werd begraven op het eiland, in een graf dat — volgens de overlevering — met zijn gezicht naar het oosten, naar Mekka, werd gericht. Hij had negentien kinderen. Zijn gemeenschap op Sapelo was familie-gebaseerd en Islamitisch-gekleurd op een manier die in het diepe Zuiden elders niet bewaard bleef.

Geloof en cultuur

Op een bepaald moment — de datering is omstreden, waarschijnlijk tussen 1820 en 1850 — schreef Bilali een Arabisch manuscript van dertien pagina’s. Hij schreef het op papier dat op de plantage aanwezig was, met inkt die hij waarschijnlijk zelf mengde. Het document is sinds 1931 eigendom van de University of Georgia Libraries in Athens (~33,95°N, -83,37°W).

Wat staat erin? Negentiende-eeuwse lezers dachten dat het bijgeloof was — “African gibberish”. Pas in de late twintigste eeuw werd het door Arabisten gedecodeerd. Het blijkt een onvolledig maar herkenbaar Maliki-fiqh-compendium te zijn, grotendeels uit Ibn Abi Zayd al-Qayrawani ﵀'s Risala — het standaard-leerboek voor beginnende Maliki-studenten in West-Afrika. Het behandelt de voorwaarden van wudu (rituele reiniging), de vormen van salah, regels rond adhan en iqama. Het is onvolledig; grote delen ontbreken, andere delen lopen door elkaar. Sommige onderzoekers (Muhammad al-Ahari, Ronald Judy) denken dat Bilali uit zijn hoofd schreef, soms van bladzijde naar bladzijde springend — een boek dat hij in Futa Jallon had gestudeerd maar nooit meer had kunnen inzien.

Dat maakt het manuscript aangrijpender, niet minder. Een man op vijfentachtigjarige leeftijd, in Georgia, op een eiland waar geen andere Arabische tekst bestond, schrijft uit zijn geheugen de regels op waarnaar hij als jongen had geleefd. Niet voor zijn meester — die kon het niet lezen. Voor iemand anders. Voor zichzelf, voor zijn kinderen, voor wie ook na hem de letters zou kunnen ontcijferen.

En op de plantage zelf was het geloof zichtbaar. Bilali en de groep Futa-Jallon-moslims om hem heen baden de vijf salawat. Zij vastten Ramadan — bezoekers aan Sapelo noteerden dat een groep tot slaaf gemaakten in zekere maanden tot zonsondergang niet at. Zij gaven hun kinderen Arabische namen: Yarruh, Fatima, Medina, Bentoo, Charno. Zijn dochter Phoebe sprak tot haar kleinkinderen nog over het Allahu akbar en het gebed naar het oosten.

Nalatenschap

Bilali Muhammad ﵀ is, naast Omar ibn Said ﵀, de meest gedocumenteerde moslim-slaaf in de Verenigde Staten van voor de Emancipation. Zijn Bilali Document ligt in Athens. Maar zijn diepere erfenis ligt in de Geechee-gemeenschap van Sapelo zelf — in Hog Hammock (~31,45°N, -81,27°W), het zwarte dorp op het eiland dat tot vandaag bestaat. Cornelia Bailey (1945-2017), Geechee-historica en directe afstammelinge, vertelde in interviews en in haar boek God, Dr. Buzzard, and the Bolito Man (2000) de familie-overlevering: de saraka-rijstballen die haar oma nog maakte (een restant van sadaqa, aalmoes); het amen dat ameen was; de gewoonte om voor gebed op een doek te knielen; de naam “Bilali” — de moëddzin van de Profeet ﷺ — die door de familielijn heen werd doorgegeven.

Zoals bij Ayuba ﵀ moeten wij hier eerlijk zijn over instrumentalisering. Bilali’s uitzonderlijke positie — vertrouwde driver, geletterde, pragmatische bestuurder — werd door Spalding en door latere Zuidelijke mythologie gebruikt om te argumenteren dat slavernij niet zo wreed was, dat “goede” slaven verantwoordelijkheid konden dragen, dat bepaalde Afrikanen “beschaafd” waren (en de rest dus niet). Deze framing stond volledig los van Bilali’s eigen zelfverstaan. Hij was een man die zijn geloof en zijn geletterdheid bewaarde door een systeem heen dat beide probeerde uit te wissen, en die zijn kinderen en kleinkinderen daarvan door blijvende sporen achterliet. De interpretatie die zijn leven tot een verdediging van slavernij maakte, was niet de zijne. Zij was de constructie van mensen die hem nooit konden lezen.

Op de kaart

Futa Jallon (~11,3°N, -12,3°W) als bron: het hervormde Fulani-sultanaat van Karamoko Alfa. Middle Caicos (~21,8°N, -71,75°W) als tussenstation in de Bahamas. Sapelo Island, Georgia (31,47°N, -81,29°W) als de plantage waar hij vierenveertig jaar leefde. University of Georgia Libraries, Athens (33,95°N, -83,37°W) waar zijn manuscript ligt. Hog Hammock (~31,45°N, -81,27°W) waar zijn Geechee-nageslacht nog woont. Samen met Omar ibn Said ﵀ — Futa Toro naar North Carolina — vormt hij de trans-Atlantische West-Afrikaanse Islamitische boog op onze kaart: Senegal/Guinee aan de ene kant, de Carolinas/Georgia aan de andere, en de Bahamas er tussenin.


Stage-uitspraak: “Bilali” als bi-LA-li (klemtoon midden, zoals bij de moëddzin Bilal ibn Rabah ﵁); “Sapelo” als SA-pe-lo; “Geechee” als GIE-tsjie; “Futa Jallon” als FOE-ta DJAL-lon; “Hog Hammock” als HOG HA-mok.

Onzekerheden:

  • Geboortejaar “c. 1770” is schatting gebaseerd op zijn vermelde leeftijd bij dood; precieze jaar onbekend.
  • Volgorde Bahamas→Sapelo en datering van overname door Spalding (1802-1803) worden door verschillende bronnen iets anders gegeven. “Middle Caicos” is de meest aangenomen Bahama-locatie maar niet definitief bewezen.
  • Datering van het Bilali Document “tussen 1820 en 1850”: paleografie geeft geen smaller venster.
  • Overlevering dat hij tachtig geweren kreeg tijdens de War of 1812 (Britse invasie 1815) wordt door Spalding-familie-bronnen bevestigd maar niet door onafhankelijke archieven.
  • Aantal van “ongeveer 400” tot slaaf gemaakten op Sapelo is piek-schatting; op elk moment werkte een kleinere groep onder Bilali.

Bronnen

  • Bilali Muhammad ﵀, het Arabische handschrift van dertien bladzijden (het zogenoemde Ben-Ali Diary, University of Georgia Libraries, Athens): de fragmenten uit de Risala van Ibn Abi Zayd al-Qayrawani ﵀ over de rituele wassing en de oproep tot het gebed, zoals beschreven in Diouf, pp. 152, 181–183, en in Austin, pp. 89–91.
  • Cornelia Walker Bailey, God, Dr. Buzzard, and the Bolito Man (New York 2000), en Charles Colcock Jones, The Religious Instruction of the Negroes in the United States (1842): de Geechee-familieoverlevering en de tijdgenoot-vermelding, zoals opgevoerd in A Muslim American Slave, p. 149, en in Austin, p. 40.
  • Allan D. Austin, African Muslims in Antebellum America: Transatlantic Stories and Spiritual Struggles, Routledge, New York/Londen 1997, pp. 16, 40, 85–92, 94, 96–98.
    • pp. 85–87, 94: de Fula uit Timbo in Futa Jallon als almaamy van Sapelo, met fez, gebedskleed en de vasten; de tachtig geweren van Spalding, het enige geval van bewapende slaven in het antebellum Georgia, en het woord dat hij voor elke moslim instond maar niet voor de christenhonden (ook p. 16); Spalding die in 1802 naar Georgia terugkeerde en vierhonderd tot duizend slaven bezat onder zwarte opzichters.
    • pp. 89–92: de naam Bilali naar de eerste moëddzin van de Profeet ﷺ; Greenberg die in 1940 de fragmenten van de Risala herkende, Martin, al-Ahari en Judy die het handschrift lazen als de herinneringen van een oude man; het achttiende-eeuwse Venetiaanse papier dat uit Afrika moet zijn meegebracht; het verblijf op de Bahama’s.
    • pp. 88, 96–98: Harris die Bilali en zijn zoon als bijna-blanke Arabieren opvoerde; de dochters Margaret, Hester, Charlotte, Fatima, Yoruba, Medina en Binty, zijn vrouw Phoebe uit de Bahama’s, de gebedskralen, de saraka-koek en het driemaal Ameen.
  • Sylviane A. Diouf, Servants of Allah: African Muslims Enslaved in the Americas, 15th anniversary edition, New York University Press, New York 2013, pp. 44, 57, 72, 89–90, 92–94, 104, 115–117, 122, 125–126, 133, 152, 169–170, 181–183, 280.
    • pp. 44, 57, 72, 115–117: Karamoko Alfa en de theocratie van Futa Jallon in 1725; de vroegere geestelijke uit Timbo; de aankomst op Sapelo in 1802, gekocht met zijn gezin op de Bahama’s, en de zeven dochters en twaalf zonen; de inventaris van John Bell op de Caicos-eilanden van februari 1801 met de driver Belley, zijn vrouw Phoebe en vier kinderen, en de gevangenneming als opgroeiende jongen.
    • pp. 89–90, 92–94, 104, 122, 125–126: het gebed naar het oosten bij zonsopgang, middag en zonsondergang op een matje, de vasten van het hele gezin, de fez; de saraka-rijstkoek van zijn dochters als sadaqa; de vierhonderdvijftig mensen op de plantage en de tachtig moslims onder hen; Cornelia Bailey over zijn afstand tot de anderen.
    • pp. 133, 152, 169–170, 181–183, 280: de Arabier van Harris; het handschrift uit de jaren vijftig, geschonken in 1931 aan de Georgia State Library, met de dood kort voor 13 oktober 1857; de begrafenis met zijn Koran; het in Italië voor de Afrikaanse markt gemaakte papier; de wassing van de voeten die Cornelia Bailey zich herinnerde.
  • Omar ibn Said ﵀, A Muslim American Slave: The Life of Omar Ibn Said, ed. en vert. Ala Alryyes, University of Wisconsin Press, Madison 2011, pp. 108, 111–112, 114, 124–125, 139–140, 149: het essay van Gomez over de driver van een plantage van vier- tot vijfhonderd slaven, de verdediging van 1813 met tachtig gewapende mannen, de moslimnamen van zijn negentien kinderen en de getuigenis van Katie Brown; Cornelia Walker Bailey, geboren in 1945 en wonend in Hog Hammock; het essay van Austin over de plantagebeheerder die als imam optrad en het handschrift uit de jaren dertig of veertig op Venetiaans papier.