Ayuba Suleiman Diallo ﵀
Hij schreef een brief in het Arabisch vanuit een Maryland-gevangenis, en die brief bereikte Londen en kocht hem vrij. Wat het Engelse publiek van 1733 van hem maakte, en hoe hij zelf op dat alles keek, is het scherpste mes waarmee wij de vroege achttiende-eeuwse Atlantische slavenhandel kunnen snijden.
Leven
Hij werd omstreeks 1701 geboren in Bundu (Boundou), een klein Fulani-moslim-sultanaat tussen de Senegal- en Gambia-rivieren in wat vandaag oost-Senegal is. Zijn volle naam was Ayuba ibn Suleiman ibn Ibrahim Diallo. Zijn vader was imam en qadi in een dorp genaamd Bondu; zijn familie behoorde tot de Toronkawa-Fulbe-geleerdenkaste. Hij kreeg de klassieke opleiding: Qur’an-memorisatie, Arabisch, Maliki-fiqh, tafsir. Tegen zijn dertigste was hij imam in zijn eigen familiemoskee en had hij drie vrouwen en vier kinderen.
In februari 1731 werd hij door zijn vader met twee bedienden en een aantal kuddes naar de Gambia-rivier gestuurd om handel te drijven met een Engelse factorij. Onderweg terug werd hij door een Mandinka-rooftocht gevangen genomen — ironisch genoeg op een moment waarop hijzelf probeerde twee slaven namens zijn vader te verkopen. Hij werd meegevoerd naar het Britse fort bij Joar, verkocht aan een slavenschip, en na een Atlantische oversteek aan land gezet in Annapolis, Maryland. Hij werd gekocht door Alexander Tolsey, een planter op Kent Island in de Chesapeake Bay.
Hij werkte er op de tabaksvelden. Hij vluchtte, werd in Kent County gepakt en in de gevangenis van de provincie opgesloten. Daar zag een bezoeker hem in het zand Arabische tekens schrijven — een waarneming die via verschillende tussenpersonen een brief aan zijn vader in Bundu opleverde. Die brief reisde via Londen, via Oxford-arabisten die hem vertaalden, tot in de handen van de directeur van de Royal African Company, Sir Hans Sloane. In 1733 kocht de RAC zijn vrijheid af en schafte hem scheepspassage naar Engeland aan.
In Londen werd hij een seizoen lang gelionizeerd. Hij werd bij de koninklijke familie geïntroduceerd, door William Hoare geportretteerd (een schilderij met de Qur’an om de nek, vandaag in de Qatar Museums Authority), en door een Engelse onderwijzer Thomas Bluett geïnterviewd. Bluett publiceerde in 1734 Some Memoirs of the Life of Job, the Son of Solomon, the High Priest of Boonda in Africa — de enige uitvoerige eerste-hands-bron die wij over hem hebben. Ayuba ﵀ keerde in juli 1734 terug naar Bundu. Hij vond thuis dat zijn familie hem dood had gewaand, dat zijn vader was overleden, dat één van zijn vrouwen hertrouwd was. Hij hervatte zijn imam-functie. Hij stierf in 1773, tweeënzeventig jaar oud.
Geloof en cultuur
Alles wat wij over zijn geloof weten, komt uit Bluett’s verslag en uit de Arabische brieven die hij in Londen en later vanuit Bundu aan Engelse geleerden schreef. Hij bad de vijf gebeden trouw tijdens zijn Londense verblijf. Hij weigerde varkensvlees en alcohol in een samenleving waarin dat sociaal pijnlijk was. Hij reciteerde Qur’an uit het hoofd — meermalen schreef hij voor Oxford-geleerden volledige surat al-Fatiha en andere passages op uit het geheugen, zonder fout, wat Britse arabisten van die periode verbluft liet.
Hij was een Fulani-Toronkawa van de generatie die direct voorafging aan de grote hervormingsbewegingen in Futa Toro (Sulayman Bal, 1776) en Futa Jallon (Karamoko Alfa, vanaf 1725). Zijn intellectueel klimaat was precies dat waaruit een halve eeuw later Usman dan Fodio ﵀ zou voortkomen. Als de Mandinka-rooftocht van 1731 drie dagen anders was gelopen, was hij nooit in Maryland terechtgekomen, en hadden wij van zijn leven niets geweten.
Nalatenschap
Bluett’s Some Memoirs werd een Europese bestseller. Het werd in het Frans en Duits vertaald. Het vormde, samen met een later verslag van Francis Moore (Travels into the Inland Parts of Africa, 1738), het beeld dat achttiende-eeuws Europa van West-Afrika kreeg.
Hier wordt het ingewikkeld, en wij mogen niet doen alsof het eenvoudig is. Ayuba ﵀'s geschiedenis werd door twee kampen tegelijk geïnstrumentaliseerd. Abolitionisten — vooral vanaf het einde van de achttiende eeuw — haalden hem aan als bewijs dat Afrikanen, als zij de kans kregen, volledig mens waren en dus niet tot slaaf gemaakt mochten worden. De Royal African Company, die zijn vrijheid had gekocht, gebruikte zijn geval tegelijk om de slavenhandel in het algemeen te verdedigen: “wij zijn humaan, kijk hoe wij uitzonderlijke Afrikanen terug naar hun land brengen” — terwijl de RAC zelf tienduizenden anderen naar Jamaica verscheepte. Bluett, zijn biograaf, was zelf betrokken bij de RAC-netwerken. Zijn boek noemt Ayuba ﵀'s beschaving in één adem met de these dat de gewone Afrikaan tot slaaf mag blijven.
Dit soort “uitzondering bevestigt de regel”-redenering zien wij herhaald opkomen in de geschiedenis van de Atlantische slavernij. Het was de intellectuele smeerolie die de handel decennia lang draaiende hield. Ayuba Suleiman Diallo ﵀ was het slachtoffer, niet de oorzaak, van die redenering — maar zijn verhaal bracht de vroegste grondstof daarvoor aan.
Hij bracht zelf uit Londen iets mee wat hem meer inhield dan de Engelsen konden zien: dat hij bevestigd was in zijn geleerdheid, dat zijn Qur’an-handschrift op het niveau stond van dat van de Oxford-arabisten, dat zijn geloof door een Atlantische vertak heen intact was gebleven. Hij keerde terug als imam, niet als een door Engeland gevormd monument. Familiemondeling overlevering in Bundu bewaarde zijn verhaal tot in de negentiende eeuw, toen Franse onderzoekers het daar nog hoorden.
Op de kaart
Bundu (~14,4°N, -12,3°W) als thuisland. De Gambia-rivier (~13,47°N, -16,58°W) als het punt van gevangenneming in 1731 — de exacte plek waar de Atlantische rug zijn leven in twee brak. Kent Island, Maryland (38,97°N, -76,32°W) als plantage. Annapolis (38,98°N, -76,49°W) als de gevangenis waar hij in zand Arabisch schreef. Londen (51,51°N, -0,13°W) als het seizoen 1733. Zes punten, één trans-Atlantische boog, één leven dat er aan beide einden was.
Stage-uitspraak: “Ayuba Suleiman Diallo” als A-joe-ba soe-lei-MAAN DJAL-lo; “Bundu” als BOEN-doe; “Toronkawa” als to-ron-KA-wa; “Bluett” als BLOE-et.
Onzekerheden:
- Geboortejaar “c. 1701” berust op Bluett’s opgave dat hij in 1733 tweeëndertig was.
- Naam van de kidnappers “Mandinka” is conform Bluett; moderne historici waarschuwen dat Bluett’s etnografie schetsmatig was.
- De datum van terugkeer (juli 1734) is gedocumenteerd in RAC-scheepsbescheiden.
- Stereven 1773 is volgens Senegal-traditionele bronnen (Park hoorde hem in 1795 als “recently deceased” aanduiden).
- Het Hoare-portret (1733) bevindt zich vandaag in de Qatar Museums Authority-collectie na aankoop in 2009.
Bronnen
- Thomas Bluett, Some Memoirs of the Life of Job, the Son of Solomon, the High Priest of Boonda in Africa (Londen 1734): het door Ayuba ﵀ zelf geautoriseerde levensverhaal, de eerste gepubliceerde levensbeschrijving van een in Amerika tot slaaf gemaakte Afrikaan, zoals samengevat in Austin, pp. 52–58, en aangehaald in Diouf, pp. 94, 121–122, 192.
- Francis Moore, Travels into the Inland Parts of Africa (Londen 1738): het verslag van de landing in de Gambia, het weerzien met zijn ontvoerders en het bericht uit Bundu, zoals aangehaald in Austin, pp. 59–61, en Diouf, pp. 233–234.
- Allan D. Austin, African Muslims in Antebellum America: Transatlantic Stories and Spiritual Struggles, Routledge, New York/Londen 1997, pp. 27, 50–61.
- pp. 50, 53–54: het portret van William Hoare uit 1733; de naam Hyuba boon Salumena boon Hibrahema van de Jallo-clan en de leeftijd van eenendertig of tweeëndertig die de geboorte omstreeks 1702 plaatst; de familie met geestelijke ambten en de hulp aan zijn vader als imam op zijn vijftiende; twee vrouwen, drie zonen en een dochter; de handelstocht naar de Gambia met twee bedienden, de gevangenneming in Mandingo-gebied, kapitein Pike, Annapolis en de tabak van Tolsey op Kent Island; de vlucht, de cel en het bezoek van Bluett in juni 1731.
- pp. 55–56: de Arabische brief aan zijn vader, Oglethorpe die de borgsom regelde, de overtocht van maart 1733 met de vijf gebeden in het openbaar; de koninklijke familie, de drie uit het geheugen geschreven Korans en het vertaalwerk voor Sir Hans Sloane, medeoprichter van het British Museum.
- pp. 27, 51–52, 57–58: Bluett als christelijke missionaris die Job boven de andere door de RAC verscheepte Afrikanen verhief en hem als bijna-Engelse heer in dienst van de Engelse handel opvoerde; de latere schrijvers die van hem een Moor of Arabier maakten; in 1734 bekritiseerde nog niemand de slavernij als systeem.
- pp. 59–61: de RAC-brief van 4 juli 1734, de landing op 8 augustus 1734, het bericht van februari 1735 dat zijn vader was overleden en zijn eerste vrouw hertrouwd, de terugkeer in Bundu in juni 1735 en het overlijden in 1773.
- Sylviane A. Diouf, Servants of Allah: African Muslims Enslaved in the Americas, 15th anniversary edition, New York University Press, New York 2013, pp. 29, 40–41, 44, 47, 63, 72, 86, 94, 106, 119, 121–122, 171–172, 191–193, 196, 233–234.
- pp. 29, 40–41, 44, 47, 63, 72: Bundu tussen Senegal en Gambia, in 1690 de tweede theocratie van West-Afrika, en Ayuba ﵀ tien jaar later geboren; Karamoko Alfa en Futa Jallon in 1725, Suleyman Bal, Abdel Kader Kane en Futa Toro in 1776; de verkoop aan een Britse slavenhaler in de Gambia in 1731 en de slaven van zijn vader die te laat kwamen; twee vrouwen en vier kinderen op zijn eenendertigste; het verhoor van juni 1731 waarin hij met de shahada antwoordde.
- pp. 86, 94, 119, 121–122, 171–172: het heimelijke gebed in het bos bij het vee en de jongen die hem aarde in het gezicht wierp; de door Bluett opgetekende onthouding, de geweigerde wijn en het varkensvlees; de hafiz die in Engeland drie Korans uit het hoofd schreef.
- pp. 191–193, 196: de brief in het Arabisch die via Denton, Hunt en Oglethorpe, onderdirecteur van de RAC, in Oxford bij John Gagnier belandde, en de vrijkoop in juni 1732 voor vijfenveertig pond na achttien maanden slavernij; de brieven uit Engeland aan zijn vader.
- pp. 106, 233–234: het portret van 1733 in zijn eigen landsdracht; de vertalingen voor Sloane, de koninklijke familie en de salons, de landing op 8 augustus 1734, de ontmoeting met zijn ontvoerders, de dood van zijn vader en de hertrouwde vrouw, de veertig jaar contact met de RAC en het overlijden in 1773 op tweeënzeventigjarige leeftijd.
- Omar ibn Said ﵀, A Muslim American Slave: The Life of Omar Ibn Said, ed. en vert. Ala Alryyes, University of Wisconsin Press, Madison 2011, pp. 83, 108, 110, 119, 124, 136, 148, 166–167: de aantekening van Jameson over Bluett (1734) en Moore (1738); het essay van Gomez over de geboorte omstreeks 1701, de vader als vooraanstaand geestelijke in het Senegal-dal en het gebed ondanks de spot; het essay van Austin over de brief uit Annapolis en de Koran uit het geheugen; de campagne van de National Portrait Gallery voor het portret; het essay van Diouf over Bundu als toevluchtsoord en de terugkeer in 1734.