Askia Muhammad I
Hij nam een rijk van een tiran en gaf het een grondwet. Hij reisde naar Mekka en kwam terug met een titel die Mali zelfs onder Mansa Musa niet had gedragen. En hij stierf blind, afgezet door zijn eigen zoon, in het paleis dat hij zelf had opgebouwd.
Leven
Muhammad ibn Abi Bakr Ture werd rond 1443 geboren in een Soninke-familie, waarschijnlijk in de buurt van het huidige Gambia-Senegal-grensgebied, in een lijn die zich latere generaties Silla zou noemen. Hij groeide op als militair onder Sonni Ali Ber en klom op tot sohoy, gouverneur van de westelijke provincie Hombori, een positie van zwaar strategisch gewicht. Hij was Sonni Ali’s meest bekwame generaal. En hij was zijn komende opvolger’s meest gevaarlijke rivaal.
Toen Sonni Ali in november 1492 stierf, volgde diens zoon Sonni Baru hem op. De opvolging ontbrandde snel in geloofsstrijd. Baru weigerde openlijk moslim te worden; hij hield vast aan de gemengd-religieuze stijl van zijn vader. Muhammad Ture, gesteund door de Sankoré-ulama die onder Sonni Ali waren verjaagd en nu hun moment zagen, eiste Islamitisch bestuur. De twee partijen ontmoetten elkaar bij Anfao, net ten noorden van Gao, in april 1493. Baru verloor. Muhammad Ture bestijgt de troon en neemt de titel Askia aan — oorspronkelijk een spottende uitroep van Baru’s zusters (“a si kiya”, “hij zal geen koning worden”), die hij tot dynastie-naam omvormde.
Vijfendertig jaar regeerde hij. Geen heerser in de West-Afrikaanse geschiedenis na Mansa Musa had een langere ambtsperiode en een coherenter programma. In 1496-1498 ondernam hij zijn Hajj. Al-Maghili ﵀ schreef in die jaren zijn Replies to Askia in antwoord op de juridische vragen die Muhammad hem voorlegde. In Cairo ontving de Askia van de schaduw-Abbasidische kalief al-Mutawakkil II de titel Amir al-Mu’minin bi-bilad al-Sudan, bevelhebber van de gelovigen in de Sahel-landen — een titel waarvan hij tot zijn dood gebruikmaakte.
Zijn militaire campagnes bouwden Songhay tot zijn grootste uitbreiding. Ten noordoosten: Agadez viel in 1515 en werd als vazal-sultanaat geïncorporeerd. Ten noorden: Taghaza, de zoutmijn, werd onder directer Songhay-gezag gebracht. Ten westen: Mema en delen van het oude Mali-kerngebied. Ten zuiden: meerdere Hausa-steden werden verslagen en schatplichtig. Ten oosten: de Borno-grens werd afgetast. Rond 1510 bestreek Songhay een gebied groter dan de Mansa van Mali ooit effectief had bestuurd.
In de jaren 1520 werd hij blind. De regering raakte meer in handen van zijn zonen en adviseurs. In 1528 greep zijn zoon Musa de macht. De oude Askia werd afgezet en verbannen naar een eiland in de Niger. Pas in 1537, toen zijn zoon Askia Ismail regeerde, mocht hij naar Gao terugkeren. Hij stierf daar in 1538, meer dan vijfennegentig jaar oud als we de chronologie aannemen. Hij werd begraven in een stapvormige leem-piramide in Gao — een structuur die nog bestaat, UNESCO-werelderfgoed sinds 2004.
Geloof en cultuur
Askia Muhammad positioneerde zich expliciet als antithese van Sonni Ali. Waar Sonni Ali syncretisch regeerde, zocht Askia Muhammad de strakke Maliki-lijn. Waar Sonni Ali de Sankoré-ulama had verjaagd, financierde Askia Muhammad hun terugkeer en hun patronage. Hij herstelde moskeeën, verplichtte officiële Islamitische protocols aan het hof, introduceerde Qadi-rechtspraak in provincies die dat nog niet hadden.
De Replies to Askia van al-Maghili ﵀ zijn hier de sleutel. Dit schriftelijke antwoordendossier op Askia’s vragen — door John Hunwick in 1985 in het Engels vertaald en geanalyseerd — is één van de meest concrete documenten die we over vroeg-moderne West-Afrikaanse staatsrecht hebben. Vragen betreffen: de legitimiteit van Sonni Ali’s contracten (al-Maghili ﵀: ongeldig), de juridische status van onderdanen die zowel Islamitische als traditionele praktijken onderhouden, de rechten van niet-moslim minderheden, de correcte vorm van belastingheffing. De Askia paste de antwoorden selectief toe — hij was tegelijk een praktische staatsman — maar de Ajwibat vormden de intellectuele kern van zijn regering.
Tegelijk moet worden opgemerkt dat Askia Muhammad de Songhay-samenleving niet heeft ge-Arabiseerd. Songhay bleef Songhay. De griots bleven zingen, de traditionele kasten bleven functioneren, de sohantyè verloren hof-invloed maar niet hun plaats in dorpen. De Islamisering was aan de top diep, bij de bevolking meer laagsgewijs — zoals dat in de hele pre-moderne Islamitische wereld gebruikelijk was.
Nalatenschap
Askia Muhammad liet drie dingen na: een rijk, een dynastie, en een juridische basis.
Het rijk Songhay zou na zijn dood nog drie generaties voortbestaan. Zijn zonen — Musa, Ismail, Ishaq I, Daoud — regeerden met wisselend succes tot 1591, wanneer het Marokkaanse expeditieleger onder Judar Pasha Songhay bij de Slag bij Tondibi versloeg en het rijk in stukken deed vallen. Maar de zestien jaren dat Songhay als eenheid functioneerde — van Askia Muhammad’s onttroning in 1528 tot de Tondibi-catastrofe in 1591 — rustten op het bestuurlijke en religieuze raamwerk dat hij had geïnstalleerd.
De dynastie Askia zelf leefde langer dan het rijk. Kleinere Askia-lijnen hielden zich in Dendi en delen van Niger tot in de negentiende eeuw. De titel Askia zou tot in de Sokoto-tijd als prestigieus bestuurderslabel circuleren.
De juridische basis — al-Maghili ﵀'s Replies plus de Songhay-praktijk onder Askia Muhammad — werd fundament voor de Islamitische staatsleer van latere West-Afrikaanse vorsten. De Fulbe-hervormers van Sokoto onder Usman dan Fodio ﵀ in het begin van de negentiende eeuw citeerden het Askia-model expliciet. De Masina-staat van Seku Amadu deed hetzelfde. De piramide-mausoleum in Gao wordt tot vandaag als bedevaartsplaats bezocht; de lokale overlevering schrijft de Askia wonderdaden toe — de populaire heiligverklaring die de kronieken-vijandigheid van anderen in de Sahel niet heeft overwoekerd.
Het contrast met Sonni Ali is hier ook instructief. Dezelfde tarikh-bronnen die Sonni Ali een tiran noemen, noemen Askia Muhammad een heilige. Een moderne lezing erkent de politieke winst voor het ulama-klooster in die beide oordelen — maar ook het feit dat Askia Muhammad werkelijk iets had gebouwd dat Sonni Ali niet had gebouwd: een juridisch kader, een pelgrimslegitimatie, een diplomatiek netwerk tot in Cairo.
Op de kaart
Volg met mij vijf punten. Gao, op 16,27° noord, 0° lengte, aan de Niger — zijn hoofdstad, de piramide-tombe staat er nog. Timbuktu, 260 kilometer noordwestwaarts, op 16,77° noord, 3,01° west — onder hem herleefd als intellectueel centrum. Agadez, 1200 kilometer oostwaarts op 16,97° noord, 7,99° oost, in de Aïr-bergen — het noordoostelijke uiterste van zijn rijk, Tuareg-sultanaat onder Songhay-suzereiniteit. Mekka, op 21,42° noord, 39,83° oost — vier maanden reizen, in 1496-1498 de plek van zijn Hajj. En Cairo, op 30° noord, 31° oost, waar hij zijn Amir al-Mu’minin-titel ontving van een kalief wiens eigen macht intussen een schaduw was van wat zij ooit was. Twee continenten, vijf punten, en een dynastie die zou bouwen op de routes ertussen.
Stage-uitspraak: “Askia” als AS-ki-a; “Muhammad Ture” als moe-HAM-mad toe-RÉ; “Ajwibat” als adj-WI-bat; “Amir al-Mu’minin” als a-MIR al-moe-MI-nin; “Anfao” als an-FA-o; “Tondibi” als ton-DI-bi.
Onzekerheden:
- Geboortejaar c. 1443: gereconstrueerd vanuit een rapport dat hij “bijna honderd” was bij zijn dood in 1538; onzeker binnen tien jaar.
- Exacte etnische afkomst (Soninke / Silla): traditioneel Soninke, maar de Tarikh al-Fattash suggereert nuances.
- Titel Askia-etymologie (“a si kiya”): volksetymologie in de kronieken, waarschijnlijk deels folkloristisch.
- Datering van al-Maghili ﵀'s Replies: meest waarschijnlijk 1497-1498, maar een range van 1493-1502 is in de literatuur gedebatteerd.
- Sterfjaar 1538 is goed gedocumenteerd in de Tarikh al-Sudan; de gedetailleerde chronologie van zijn laatste jaren is minder zeker.
Bronnen
- ʿAbd ar-Rahman as-Saʿdi ﵀, Tarikh as-Sudan (Timboektoe, geschreven tussen 1653 en 1656), hoofdstuk 13 over de regering van Askia al-Hajj Muhammad en de hoofdstukken 12, 14 en 15 over zijn jaren onder Sonni Ali, zijn afzetting, zijn gevangenschap op het eiland Kangaga en zijn dood, met de dynastielijst in aanhangsel 3: in de vertaling van Hunwick, pp. 31, 96, 102–117, 126, 135, 336.
- Mahmud Kaʿti ﵀ en Ibn al-Mukhtar ﵀, Tarikh al-Fattash, de tweede kroniek van Timboektoe, over zijn vader Baru uit de Silla- of Ture-clan en zijn moeder Kasay, dochter van de heer van Kura, zoals besproken in Hunwick, p. xl, en in Gomez, p. 229; het vervalste eerste hoofdstuk dat hem de elfde ware kalief noemt, zoals besproken in Hunwick, Shariʿa in Songhay, p. 45.
- Muhammad al-Maghili ﵀, Ajwibat al-Maghili ʿan asʾilat Askia al-Hajj Muhammad (Gao, kort na de terugkeer van de Askia in juli of augustus 1498), de zeven vragen over recht en staat, met de tweede vraag over de erfenis van Sonni Ali en het oordeel dat de jihad van de Askia tegen hem tot de waardigste behoorde, in de vertaling van Hunwick, Shariʿa in Songhay, pp. 41, 72, 96, 100.
- John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. xxxix–xli, xliii–xliv, 31, 96, 102–106, 108, 113–114, 116–117, 126, 135, 189, 336.
- pp. xxxix–xli, xliii–xliv: de Tondi-farma, gouverneur van het Bandiagara-hoogland, die Sunni Baru vijf maanden na de dood van zijn vader versloeg; de Soninke-afkomst uit de Silla- of Ture-clan; de bedevaart van 1497–1498 en het gezag van de Abbasidische kalief van Caïro; Agadez als schatplichtig sultanaat en Kebbi dat zich in 1517 losmaakte; rond 1520 een rijk van de Senegal tot het Aïr-gebergte en van Borgu tot Taghaza; de nieuwe ambten van Baghana-fari en Kurmina-fari; de troon die de hele zestiende eeuw bij zijn zonen en kleinzonen bleef.
- pp. 96, 102–103 (TS hfst. 12–13): de bevelhebber die Sonni Ali herhaaldelijk ter dood veroordeelde en weer begenadigde; Muhammad ibn Abi Bakr al-Turi, of al-Sillanki, die Sunni Abu Bakr (Baru) op 18 februari 1493 bij Danagha en op 2 april 1493 bij Gao versloeg; de titels Amir al-Muʾminin en Khalifa; de dochters van Sonni Ali met hun a si kiya; het onderscheid tussen burgers en leger en de raad van de geleerden.
- pp. 103–106 (TS hfst. 13): het vertrek naar Mekka in Safar 902/oktober 1496 met vijftienhonderd man en driehonderdduizend mithqal, waarvan honderdduizend als aalmoezen in de heilige steden; de investituur als Khalifa door de Abbasidische sharif, volgens Hunwick de kalief van Caïro; de ontmoeting met al-Suyuti ﵀; de terugkeer in Dhu al-Hijja 903/1498; het rijk van het land van de Kanta tot de zoutzee en van Bendugu tot Taghaza; de jihad tegen de Mossi in 904/1498–9.
- pp. 108, 113–114 (TS hfst. 13): de veldtocht in Aïr in 906/1500–1, tegen Katsina in 919/1514 en tegen de sultan van Agadez eind 921/1515; de afvalligheid van de Kanta van Kebbi en de mislukte veldtocht van 923/1517–18.
- pp. 116–117, 126, 135, 336 (TS hfst. 13–15; aanhangsel 3): de blindheid aan het einde van zijn regering, verborgen door ʿAli Fulan; de afzetting door zijn zoon Musa op 10 Dhu al-Hijja 935/15 augustus 1529 na zesendertig jaar en zes maanden; de verbanning naar het eiland Kangaga door Askia Muhammad Bonkana; de vrijlating door Askia Ismaʿil in juni 1537 en de dood in 944/1537–8; de Askia’s van Dendi tot in de negentiende eeuw.
- pp. 31, 189 (TS hfst. 7, 21): de honderdeneen jaar van de dynastie in Timboektoe, van 2 april 1493 tot 12 april 1591, en het treffen van Askia Ishaq met Pasha Jawdar bij Tondibi.
- John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, pp. 24–28, 41, 45–47, 72, 96, 100.
- pp. 24–28: de Soninke-afstamming in vaderlijke lijn en de mondelinge overlevering dat hij Sonni Ali doodde; het nieuwe ambt van Kanfari voor zijn broer ʿUmar; de bedevaart binnen vier jaar na zijn overwinning en de volmacht van de Abbasidische schaduwkalief in Caïro over de landen van Takrur; de studie bij al-Suyuti ﵀; de gunsten aan de geleerden van Timboektoe; twintig jaar van uitbreiding van de Senegal tot Aïr en Taghaza en het verval na de dood van Dawud in 1582.
- pp. 45–47: het Askia-model bij de latere hervormers: Ahmad Lobbo van Masina, Usman dan Fodio ﵀ met zijn Bayan Wujub al-Hijra en Siraj al-Ikhwan, en al-Hajj ʿUmar ﵀.
- Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 220, 229–230, 243, 328, 364: de regering van zesendertig jaar, 1493–1529; de vader uit de Silla-clan, oorspronkelijk uit Toro; Sunni Baru die de oproep tot bekering afwees; Agadez schatplichtig sinds 1500–1 en opnieuw onderworpen in 1516; het overlijden op 1 Shawwal 944/3 maart 1538; de Slag bij Tondibi op 13 maart 1591 tegen Pasha Jawdar.
