Martelaarschap en nalatenschap
In Ramadan van het jaar 40 trad ʿAli ibn Abi Talib ﵁ uit zijn huis voor het fajr-gebed in de Masjid al-Aʿzam van Kufa. Bij de deur van de moskee stond een man met een vergiftigd zwaard. De slag die hem trof in de top van zijn voorhoofd bracht hem twee dagen later tot Allah ﷻ. Met zijn dood eindigde het tijdperk van de rechtgeleide khalifahs.
Het beraad in Mekka
In de zomer van het jaar 39 trof in Mekka, in de schaduw van de Kaʿba, een beraad plaats tussen drie mannen die zich als overgebleven aanhangers van de Khariji-zaak beschouwden. Zij waren ʿAbd ar-Rahman ibn Muljam al-Muradi, een Egyptenaar die in Egypte onder de Khawarij van Nahrawan had behoord en die de slag had overleefd door op het laatste moment uit het slagveld te zijn ontkomen; al-Burak ibn ʿAbdillah at-Tamimi, een Iraakse Khariji; en ʿAmr ibn Bakr at-Tamimi, een derde van dezelfde stam. Zij hadden in eigen consciëntie geconcludeerd dat de fitnah van de gemeenschap niet kon worden geheeld zolang de drie aanvoerders van de tijd in leven waren: ʿAli ﵁ in Kufa, Muʿawiya ﵁ in Damascus, en ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ in Fustat. Zij besloten tot een drievoudige aanslag, op dezelfde nacht in dezelfde maand, en zij verdeelden de aanslagen onder zich. Ibn Muljam nam de aanslag op ʿAli ﵁ op zich. Al-Burak nam Muʿawiya ﵁ op zich. ʿAmr ibn Bakr nam ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ op zich. Zij kozen voor de zeventiende nacht van Ramadan in het jaar 40 als de gemeenschappelijke datum. Zij scheidden van elkaar en reisden naar hun respectievelijke bestemmingen.
Qatam in Kufa
In Kufa aangekomen, vond Ibn Muljam onderkomen bij verwanten uit zijn stam. In de moskeeën van de stad kruiste hij een vrouw die zijn aandacht trok. Zij heette Qatam, en zij was uit de Khariji-kring. Haar vader en haar broer waren beiden gevallen bij Nahrawan, in de slag waarin ʿAli ﵁ hen had verslagen. Zij droeg het verlies van haar familie met een vaste wrok die in haar enige bron van handeling was geworden. Ibn Muljam liet, in een handeling die in latere bronnen breed is bewaard, weten dat hij haar tot vrouw wenste. Zij stelde haar voorwaarden. Zij eiste een bruidsschat die in een bepaalde lezing op drieduizend dirhams, een slaaf en een slavin werd vastgesteld, en, als laatste deel van de mahr, het hoofd van ʿAli ibn Abi Talib. Suyuti ﵀ bewaart de overlevering die as-Suddi van Ibn al-Mustadrak overneemt en die in latere generaties als een spreekwoord werd herhaald. Hij citeert vervolgens de versen van al-Farazdaq die over deze huwelijksvoorwaarde werden gedicht:
Ik heb geen bruidsschat gezien gezonden door een vrijgevige,
Zoals de bruidsschat van Qatam, van mensen (slaven) en beesten:Drieduizend, een slaaf, een dienstmaagd
En de slag van ʿAli ﵁ met het doorborende zwaard.Er is geen bruidsschat duurder dan ʿAli ﵁, ook al was hij zeer kostbaar,
En geen aanslag, dan dat zij minder is dan de aanslag door Ibn Muljam.
(Soera-vers-attestatie niet van toepassing; dit is poëzie van al-Farazdaq zoals door Suyuti ﵀ aangehaald.)
De nacht van de aanslag
Ibn Muljam ging onder de bayʿah aan Qatam in op haar voorwaarde. Hij wachtte de zeventiende nacht van Ramadan af. Hij koos voor de aanslag een vergiftigd zwaard waarvoor hij naar het oosten van Kufa was gereisd. Hij hield zich in de uren voor het fajr-gebed bij de deur van de Masjid al-Aʿzam op, in het gezelschap van twee andere Kharijis die in zijn aanslag medeplichtig waren. Hij wachtte op de komst van de Amir al-Muʾminin.
ʿAli ﵁ kwam uit zijn huis. Hij liep, zoals zijn gewoonte was, zonder geleide naar de moskee. Hij riep, naar wat in latere bronnen is bewaard, met de oproep tot het gebed:
ʿAli ﵁: Het gebed, het gebed!
Bij de deur stond Ibn Muljam. Hij trad voor hem, hief het zwaard, en sloeg hem in de top van zijn voorhoofd. De slag drong door tot in de hersenen. Mensen renden van alle kanten op de aanslag af. Ibn Muljam werd vastgehouden en geboeid.
{{location-map:cmn0khaliefenal13map}}
De twee dagen
ʿAli ﵁ leefde nog tot het Jumuʿah-gebed en tot de zaterdag. Hij stierf in de nacht voor de zondag. Al-Hasan ﵁, al-Husayn ﵁ en ʿAbdullah ibn Jaʿfar ﵁ wasten zijn lichaam. Al-Hasan ﵁ leidde het gebed over hem. Hij werd in de nacht begraven in het huis van het Amiraat in Kufa. Later werden de ledematen van Ibn Muljam afgehakt, hij werd in een rietmand gelegd en in een vuur verbrand.
Tussen de slag en de dood lagen twee dagen waarin hij in zijn ziekbed nog enkele woorden tot zijn zonen sprak. Hij gaf, naar de overlevering die Suyuti ﵀ bewaart, opdracht om Ibn Muljam niet te verminken zolang hij leefde, om hem voor het gerecht te brengen, en om indien hij stierf alleen hem en niet zijn verwanten te bestraffen. Hij sprak een woord tot zijn jongere broer in de overlevering die Ibn Saʿd ﵀ bewaart, waarin hij de hoop uitsprak dat indien zijn vermoeden over de identiteit van degene die hem het giftig drankje had aangereikt onjuist zou zijn, geen onschuldige in vergelding voor hem mocht worden gedood. Hij sprak ook woorden waaruit zijn berusting bleek; hij sprak voorwaardelijk over de hereniging met de Boodschapper ﷺ in een vorm die in de geestelijke literatuur van de generaties erna in eerbied werd bewaard.
Toen hij stierf, was hij volgens de telling die in latere bronnen het meest wordt aangehouden, drieënzestig jaar oud. Andere tellingen geven vierenzestig, vijfenzestig, zevenenvijftig of achtenvijftig jaar.
De aanslagen in Damascus en Fustat
Op dezelfde nacht in Ramadan van het jaar 40 voerde al-Burak in Damascus zijn aanslag uit op Muʿawiya ﵁. Hij sloeg in de moskee toe, maar hij raakte hem in de heup en de wond was niet dodelijk. Muʿawiya ﵁ herstelde. Al-Burak werd gegrepen en gedood. In Fustat ging het anders. ʿAmr ibn Bakr was naar de moskee getrokken voor het fajr-gebed. Hij wachtte op ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁. Maar ʿAmr ﵁ had die ochtend, naar wat in latere bronnen is bewaard, koorts, en hij had laten meedelen dat hij niet zou voorgaan. In zijn plaats voer Kharijah ibn Hudhayfah ﵁, een senior figuur in het Egyptische bestuur, het gebed voor. ʿAmr ibn Bakr sloeg in de overtuiging dat hij ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ trof, en doodde Kharijah ﵁. Toen hij na de slag begreep dat hij de verkeerde man had geraakt, sprak hij een woord uit dat in latere bronnen is bewaard:
ʿAmr ibn Bakr: Ik wilde ʿAmr ﵁, en Allah ﷻ wilde Kharijah.
ʿAmr ibn Bakr werd gegrepen en ter dood gebracht. ʿAmr ibn al-ʿAs ﵁ bleef in functie als gouverneur van Egypte.
Aldus eindigde de drievoudige aanslag in één bevestigde dood, één geredde aanvoerder en één onschuldig slachtoffer. Van de drie aanvoerders van de tijd was alleen ʿAli ﵁ gevallen.
Het graf in Kufa
ʿAli ﵁ werd in de nacht van zaterdag op zondag begraven in het huis van het Amiraat in Kufa. Het graf werd verborgen gehouden, opdat de Khawarij het niet zouden opgraven. In latere bronnen worden verschillende overleveringen bewaard over de plaats van zijn werkelijke graf. Sommige overleveraars hielden vast aan de plaats in Kufa. Anderen vertelden dat zijn lichaam in een nachtelijke tocht door zijn zoon Hasan ﵁ naar Medina werd vervoerd, om in al-Baqiʿ naast Fatima ﵂ te worden begraven. Een derde overlevering, die door enige Iraakse bronnen werd vertegenwoordigd, vermeldt dat het kameel die zijn lichaam droeg in de woestijn op de loop sloeg, en dat zijn rustplaats ergens in de woestijn tussen Iraq en Hijaz onbekend bleef. In de eeuwen erna zou een plaats in Najaf, op enige afstand van Kufa, als het graf van ʿAli ﵁ worden geïdentificeerd en tot een belangrijke bedevaartplaats uitgroeien.
De vraagstukken die hij naliet
Met de dood van ʿAli ﵁ stond de gemeenschap voor een aantal vraagstukken die zijn opvolgers in de generaties erna zouden moeten beantwoorden. Het meest dringende was de vraag wie hem zou opvolgen. In Kufa gaven de notabelen van de stad onmiddellijk de bayʿah aan zijn oudste zoon Hasan ﵁. Hasan ﵁ hield de bayʿah zes maanden, in welke periode hij onderhandelingen voerde met Muʿawiya ﵁ over een regeling die de bloedige fitnah eindelijk zou beëindigen. Hij stond, in Rabi al-Awwal van het jaar 41, naar wat Suyuti ﵀ bewaart, zijn aanspraak op het kalifaat af aan Muʿawiya ﵁ onder de voorwaarde dat geen man uit Medina, Hijaz of Iraq voor zijn betrokkenheid bij wat onder zijn vader was geschied zou worden bestraft. Met deze afstand werd de eerste fitnah formeel afgesloten en kwam wat in latere bronnen de Umayyadische periode wordt genoemd op gang. De prophetische uitspraak die de Boodschapper ﷺ in zijn leven over Hasan ﵁ had gedaan, dat Allah ﷻ door middel van hem twee groepen moslims tot vrede zou brengen, werd in deze afstand vervuld.
Het oordeel van Suyuti ﵀
Suyuti ﵀ ronden in zijn samenvatting van het kalifaat van ʿAli ﵁ af met een afsluitend oordeel. Hij stelt vast dat ʿAli ﵁ in alle voorwaarden van het imamat had voldaan: in zijn vroege bekering, in zijn directe bloedverwantschap met de Boodschapper ﷺ als neef en als schoonzoon, in zijn nabijheid bij de Boodschapper ﷺ gedurende diens hele profeetschap, in zijn juridische bekwaamheid die door alle generaties van metgezellen werd erkend, in zijn militaire competentie die in de slagen van Badr, Uhud, Khaybar en daarna onbetwist was. Hij citeert Ibn Juzayy al-Kalbi die in zijn fiqh-werk vaststelt dat in de geschillen tussen ʿAli ﵁ en Muʿawiya ﵁ ʿAli ﵁ in het recht was en in zijn ijtihad juist, en dat Muʿawiya ﵁ in zijn ijtihad mistastte en daarvoor verschoonbaar was. Hij sluit de samenvatting af met de aanmaning dat de Sahabah ﵃ aan beide zijden van het kalifaat van ʿAli ﵁ in hoogachting moeten worden gehouden en dat in geen van hen het oordeel van de bron mag worden afgesproken zonder de beste interpretatie van hun handelen.
De woorden die de generaties bewaarden
In de eeuwen na zijn dood werden de woorden van ʿAli ﵁ in elke generatie bewaard. Zijn juridische uitspraken werden in de werken van de qadi’s van Iraq aangehaald als precedent. Zijn vermaningen werden in de werken van het zuhd en het tasawwuf overgenomen als bron. Zijn poëzie, die naar wat ash-Shaʿbi ﵀ bewaart in een fragment van Suyuti ﵀, in haar bekwaamheid die van Abu Bakr ﵁, ʿUmar ﵁ en ʿUthman ﵁ overtrof, werd in de bloemlezingen van Arabische dichtkunst opgenomen. Een aantal van zijn beknopte uitspraken werd in het werk van later opgetekend dat onder de titel Nahj al-Balaghah bekend zou worden, een verzameling waarvan de aanvankelijke kern op authentieke overleveringen teruggaat.
In het bewaarde fragment van een lange uitspraak die Suyuti ﵀ via Said ibn Mansur ﵀ bewaart, sprak hij vijf principes voor wie naar geestelijke leiding zoekt:
ʿAli ﵁: Neem vijf dingen van mij. Laat niemand van jullie vrezen behalve voor zijn wandaden. Laat niemand hopen behalve op zijn Heer. Laat hij die niet weet zich niet schamen om te leren. Laat hij die niet weet zich niet schamen te zeggen: Allah ﷻ weet het beste. En geduld heeft tegenover iman dezelfde verhouding als het hoofd tegenover het lichaam. Wanneer het geduld gaat, gaat iman, want wanneer het hoofd gaat, gaat het lichaam.
De plaats van zijn kalifaat in de geschiedenis
Het kalifaat van ʿAli ﵁ duurde bijna vijf jaar, van Dhul-Hijjah 35 tot Ramadan 40. Het was, naar de tellingen van wie in latere bronnen het optekenden, het meest tumultueuze van de vier kalifaten van de Rashidun-periode. Het kende drie veldslagen onder moslims: de Slag bij de Kameel, de Slag bij Siffin en de Slag van Nahrawan. Het kende de Mushaf-list, de arbitrage van Dumat al-Jandal, het verlies van Egypte aan Sham, en de vergiftiging van Malik al-Ashtar ﵁. Het eindigde in de moskee van Kufa met een zwaardstreek van een man die in zijn aanslag een Khariji-bruidsschat tot een huwelijk meende te dragen.
Met het einde van het kalifaat van ʿAli ﵁ eindigde wat in latere bronnen Khilafat ar-Rashidun werd genoemd. Wat erna kwam was, in de woorden van een hadith die de Boodschapper ﷺ in zijn leven had geuit en die Hasan ﵁ in zijn afstand vervulde, mulk: koningschap. De Umayyadische staat onder Muʿawiya ﵁ was niet langer een kalifaat in de zin van de wijze waarop Abu Bakr ﵁, ʿUmar ﵁, ʿUthman ﵁ en ʿAli ﵁ het ambt hadden vervuld. Het was een staat met dynastieke trekken, met een hoofdstad in Damascus, met een fiscale en militaire infrastructuur die uit de Byzantijnse traditie evenveel ontleende als uit de Medinaanse. De stad van de Boodschapper ﷺ zou nooit meer hoofdstad van het kalifaat worden. De Hijaz zou geleidelijk een religieuze hartzone worden zonder politieke vorm.
Maar in de gemeenschap zou de herinnering aan de vier rechtgeleide khalifahs bewaard blijven als de norm waaraan elk later bestuur zou worden afgemeten. Hun bestuur, in zijn nabijheid bij de Sunnah van de Boodschapper ﷺ, in zijn eenvoud in levenswijze, in zijn striktheid in fiscale rechtvaardigheid, in zijn directe omgang met de gemeenschap, zou voor elke latere geleerde, elke latere reformer, elke latere oproep tot terugkeer naar de oorsprong, het referentiepunt blijven. En onder de vier zou ʿAli ibn Abi Talib ﵁, in zijn juridische diepte, in zijn militaire dapperheid, in zijn welsprekendheid, in zijn nabijheid bij het Huis van de Boodschapper ﷺ, een eigen plaats innemen die hem in elke generatie nieuwe lezers en nieuwe bewonderaars opleverde.
In de woorden van Abu al-Aswad ad-Duʾali ﵀, die in zijn rouwklacht over ʿAli ﵁ sprak die Suyuti ﵀ bewaart:
Het is alsof toen de mensen ʿAli ﵁ verloren,
Zij struisvogels waren, ronddolend in een land voor jaren.
(Poëzie van Abu al-Aswad ad-Duʾali ﵀ zoals door Suyuti ﵀ bewaard.)
{{family-tree:cmn0khaliefenalbanuhashim}}
Het gesprek van ʿAli ﵁ met al-Hasan ﵁ in het ziekbed
In de twee dagen tussen de slag en zijn dood ontving ʿAli ﵁ in zijn ziekbed Hasan ﵁ en sprak hem aan in een vermaning waarvan een aantal fragmenten in latere bronnen is bewaard. Hij gaf hem aanwijzingen over de wijze waarop hij in de komende maanden met de bayʿah van Kufa moest omgaan, over de positie tegenover Muʿawiya ﵁, over de bescherming van het bloed van de moslims. Hij sprak in een toon waarin hij zijn zoon niet als zijn opvolger in een dynastieke zin aansprak maar als een man die in eigen ijtihad de toestand van de gemeenschap moest beoordelen.
ʿAli ﵁: Mijn zoon, indien de mensen jou de bayʿah geven, aanvaard haar dan met de berusting van een man die weet dat het kalifaat geen geschenk is maar een last. Indien zij jou niet de bayʿah geven, dring haar dan niet op. Indien jij in eigen consciëntie meent dat de bayʿah aan een ander beter is voor het bloed van de moslims, geef haar dan af zonder spijt. Hetzelfde wat ik in mijn ambt ervoer, zul jij in jouw ambt ervaren: dat de eenheid van de gemeenschap zwaarder weegt dan de eer van de aanvoerder.
Dit fragment van zijn vermaning zou Hasan ﵁ in zijn afstand van het kalifaat aan Muʿawiya ﵁ in het jaar 41 in eigen consciëntie als richtsnoer hanteren. Wie in latere bronnen de afstand van Hasan ﵁ analyseerde, zag in zijn handeling de directe vervulling van het advies dat zijn vader hem in zijn ziekbed had gegeven.
De wijze waarop Suyuti ﵀ de aanslag plaatst in de Sunnah
Suyuti ﵀ haalt in zijn samenvatting na de overlevering van de aanslag een hadith aan die hij toepasselijk acht voor de manier waarop de gemeenschap deze gebeurtenis moet bewaren. De hadith komt uit zijn algemene fragment over de wijze waarop de Boodschapper ﷺ over de Sahabah ﵃ heeft gesproken:
De Boodschapper van Allah ﷺ: Wanneer mijn metgezellen worden genoemd, beheers jullie zelf in het spreken over hen. En: het is voldoende voor mijn Metgezellen ﵃ om hun martelaarsdood te noemen.
Met deze hadith plaatst Suyuti ﵀ de aanslag op ʿAli ﵁ in de bredere context van de hoogachting waarmee de gemeenschap over de Sahabah ﵃ moet spreken. Hij voegt eraan toe dat Ibn Saʿd ﵀, op wiens samenvatting hij voor de gebeurtenissen van Ali’s kalifaat voor een aanzienlijk deel berust, in zijn opname van deze gebeurtenissen geen uitvoerige interpretaties heeft gegeven maar de feiten in hun nuchtere opvolging heeft bewaard. Suyuti ﵀ acht deze nuchterheid van Ibn Saʿd ﵀ in deze gevoelige zaak meer in lijn met de raad van de Boodschapper ﷺ dan een meer uitvoerige verhandeling zou zijn.
De voortzetting onder Hasan ﵁
In de zes maanden na de dood van ʿAli ﵁ hield Hasan ﵁ het kalifaat in Kufa. De bayʿah aan hem werd direct na de wassen en het gebed over zijn vader gegeven door de senior van Kufa. Hij ontving haar in de moskee in een korte plechtigheid. Hij sprak in een korte khutbah waarin hij de gemeenschap van Kufa bedankte voor hun trouw aan zijn vader en hen uitnodigde om in dezelfde trouw aan hem in de komende maanden te blijven. Hij was, in zijn aard en in zijn toon, een man die meer leek op zijn moeder Fatima ﵂ dan op zijn vader; hij was zachter in omgang, voorzichtiger in beslissing, meer geneigd tot vrede dan tot strijd.
In de eerste weken na zijn bayʿah opende hij correspondentie met Muʿawiya ﵁ in Damascus. Hij stelde voor om in een vergadering van senior Sahabah ﵃ uit beide kampen tot een regeling te komen die de fitnah eindelijk zou beëindigen. Muʿawiya ﵁ reageerde met de eis dat hij in deze regeling als khalifah zou worden erkend, met de garantie dat na zijn dood het kalifaat naar Hasan ﵁ zou terugkeren. Hasan ﵁ overlegde met zijn jongere broer Husayn ﵁ en met de raad van Kufa. Husayn ﵁ was tegen de overgave; hij meende dat met de mobilisatie van het Iraqse leger Sham nog kon worden onderworpen. Maar de raad van Kufa was niet eensluidend; de stamhoofden waren in hun moede niet meer bereid tot een lange campagne. Hasan ﵁ besloot tot de afstand. In Rabi al-Awwal van het jaar 41 trad hij in Kufa formeel af, en de bayʿah aan Muʿawiya ﵁ werd door de Iraqse senior aan hem in een plechtigheid gegeven. Met deze handeling werd, in vervulling van de profetische uitspraak die de Boodschapper ﷺ over Hasan ﵁ had gedaan, vrede gemaakt tussen twee groepen van de moslims.
Het oordeel van de generaties
In de eeuwen erna zou over het kalifaat van ʿAli ﵁ in verschillende richtingen worden geschreven. De Soenni-traditie, in haar opname door Suyuti ﵀ en wie hem voorgingen, bewaarde de Quran-verzen van Sahabah-eerbied en plaatste ʿAli ﵁ in een rij van vier rechtgeleide khalifahs zonder onderscheid in voorrang behalve in de chronologische volgorde van hun ambt. De Shi’a-traditie, in haar opname door wie zich rondom de nazaten van het Huis van de Profeet ﷺ verzamelden, gaf aan ʿAli ﵁ een eerste plaats in de chronologische telling en bouwde rondom hem een politieke en geestelijke leer op die de eerste drie khalifahs in een tweede plaats stelde. De Khariji-traditie, in haar opname door wie zich uit de afsplitsing in Harura ontwikkelden, bleef in eigen consciëntie ʿAli ﵁ als ongelovige beschouwen op grond van zijn aanvaarding van de arbitrage.
Wat in deze drie tradities echter onbetwist bleef, was de juridische diepte, de welsprekendheid, de militaire dapperheid en de persoonlijke vroomheid van ʿAli ibn Abi Talib ﵁. Geen geleerde van enige traditie in de geschiedenis van de Islam zou in deze vier eigenschappen zijn betwistbaarheid wagen. In zijn fragmenten van wijsheid die in latere bronnen werden bewaard, in zijn juridische uitspraken die in elke madhhab werden aangehaald, in zijn poëzie die in elke bloemlezing van Arabische dichtkunst werd opgenomen, en in zijn nachtelijk gebed dat in elke generatie van soefi’s en zuhd-volgers tot een voorbeeld werd, leefde hij voort in een wijze waarin de bayʿah van Kufa in Dhul-Hijjah van het jaar 35 nooit was uitgewist.
De positie van Husayn ﵁ na de afstand van zijn broer
Na de afstand van Hasan ﵁ aan Muʿawiya ﵁ in het jaar 41 keerde Husayn ibn ʿAli ﵁ met zijn broer naar Medina terug. Hij was in eigen consciëntie tegen de afstand geweest, maar hij aanvaardde de beslissing van zijn oudere broer als hoofd van het Huis van ʿAli ﵁ na de dood van zijn vader. In Medina leefde hij de twintig jaar die volgden in een terughoudendheid waarin hij zich niet tegen het Umayyadische bestuur uitsprak zolang Muʿawiya ﵁ leefde. Hij ontving in zijn huis de senior van wie nog van de Hashimi-kring in Medina waren, en hij hield kring rondom zich van wie van de jongere generatie het geleerde van zijn vader in hun consciëntie wilden bewaren. Hij wachtte de gebeurtenissen af. In het jaar 60, na de dood van Muʿawiya ﵁ en de aantreding van Yazid ﵁ ibn Muʿawiya tot het Umayyadische kalifaat, kwam de toestand waarin hij in eigen consciëntie meende dat hij niet meer in stilte kon blijven. Wat in Karbala zou geschieden, behoort tot een ander artikel in een ander epoch, en dat artikel zal in de geschiedenis van de Umayyaden-tijdperk zijn plaats vinden. Maar de wortels van wat in Karbala geschiedde, liggen in de jaren van het kalifaat van zijn vader, in de afstand van zijn broer, en in de twintig jaar van afwachting in Medina die op deze afstand volgden.
Het stipendium van Hasan ﵁
Na zijn afstand leefde Hasan ﵁ in Medina van een stipendium van honderdduizend dirhams per jaar, dat hem in een fragmentarisch jaar door Muʿawiya ﵁ werd toegekend. Een jaar werd dit stipendium hem ingehouden. Hij placht in zijn slaap een visioen te hebben waarin de Boodschapper ﷺ tot hem kwam en hem aanraadde tot een supplicatie die in latere bronnen breed is bewaard. Hij gebruikte de supplicatie, en in een week erna kwam het stipendium met een toeslag van een miljoen en vijfhonderdduizend dirhams. Het is een fragment dat in latere bronnen werd bewaard als bewijs voor het gebed als middel in plaats van de directe petitie aan de aanvoerder. Hasan ﵁ stierf in Medina in het jaar 49, of in een andere telling in het jaar 50 of 51, vermoedelijk door vergiftiging door zijn vrouw Jaʿdah bint al-Ashʿath ibn Qays die volgens een overlevering door Yazid ibn Muʿawiya tot deze daad was bewogen, hoewel Suyuti ﵀ zelf opmerkt dat de overlevering hier zonder zijn gebruikelijke isnad-zorgvuldigheid wordt overgenomen en dat de zaak in een onbekend domein van de geschiedenis ligt. Hij werd begraven in al-Baqiʿ, naast zijn moeder Fatima ﵂.
De latere uitspraken in fiqh over de eerste fitnah
In de eeuwen na de eerste fitnah zou de juridische gemeenschap van de Soenni-traditie een aantal vaste posities ontwikkelen over hoe de gebeurtenissen van Ali’s kalifaat moesten worden gewaardeerd. De geleerden van alle vier de madhhabs kwamen tot een aantal gedeelde conclusies. Ten eerste, dat ʿAli ﵁ in zijn ambt rechtmatig was geweest en dat zijn bayʿah in Medina haar volle juridische geldigheid had bezeten. Ten tweede, dat de Sahabah ﵃ aan beide zijden van de fitnah in hoogachting moesten worden gehouden en dat in geen van hen het oordeel van de bron mocht worden afgesproken zonder de beste interpretatie van hun handelen. Ten derde, dat de slagen van de Kameel, Siffin en Nahrawan binnenmenselijke fitnah-strijden waren waarin de gewone bepalingen van de jihad tegen ongelovige opponenten niet golden. Ten vierde, dat de afstand van Hasan ﵁ aan Muʿawiya ﵁ in het jaar 41 een politiek aanvaardbare uitkomst was geweest die het bloed van de moslims had gespaard en die in de prophetische uitspraak over Hasan ﵁ als bemiddelaar tussen twee partijen van de moslims haar vervulling had gevonden.
Het slot van de Rashidun-periode
Met de afstand van Hasan ﵁ in Rabi al-Awwal 41 was de Rashidun-periode formeel beëindigd. Vier khalifahs hadden in een totale tijdsspanne van ongeveer dertig jaar het kalifaat van de Boodschapper ﷺ in een vorm voortgezet die in zijn eigen onderscheid van wat erna kwam, in latere generaties als de zuiverste vorm van het islamitische bestuur zou worden beschouwd. Abu Bakr ﵁ had de gemeenschap bijeengehouden in de eerste twee jaren na de dood van de Boodschapper ﷺ door de oorlogen tegen wie de zakat weigerden, en door de uitzending van de eerste expedities tegen de Byzantijnen. ʿUmar ﵁ had in tien jaren de gemeenschap uitgebreid tot een wereldmacht die Iraq, Sham, Egypte en Iran omvatte, en hij had het bestuurssysteem in zijn diwan-vorm uitgewerkt dat tot in de eeuwen erna de basis zou vormen voor het islamitische bestuur. ʿUthman ﵁ had in twaalf jaren de gemeenschap in haar uitgestrekte vorm bijeengehouden, en hij had in zijn compilatie van de Mushaf een handeling verricht waaraan elke generatie van moslims tot vandaag haar Quran-tekst zou ontlenen. ʿAli ﵁ had in vier jaren en negen maanden in een fitnah-toestand het kalifaat in zijn ambt vastgehouden, en hij had door zijn weigering om in deze toestand tot dynastieke politieke handelingen over te gaan, het beginsel van de bayʿah als consensus-aanstelling in zijn zuiverheid bewaard.
Van de vier had ʿAli ﵁ in de meest moeilijke omstandigheden geregeerd. Hij was de enige van de vier die in een fitnah-tijd was aangetreden. Hij was de enige van de vier die in een fitnah-tijd was gestorven. Maar zijn ambt was in zijn essentie eensluidend met dat van de drie voorgangers. Hij had in zijn bayʿah, in zijn juridische uitspraken, in zijn militaire commandos, in zijn fiscale beleid, in zijn omgang met de gemeenschap, het patroon van Abu Bakr ﵁, ʿUmar ﵁ en ʿUthman ﵁ voortgezet. In de woorden van Ibn Juzayy al-Kalbi ﵀ die Suyuti ﵀ in zijn appendix aanhaalt: hij was, na ʿUthman ﵁, de man met het meeste recht op het kalifaat, vanwege zijn nobele rang en zijn verheven deugden. Aan deze waardering had de gemeenschap zich in de eeuwen erna onthouden van enig tegenspel.
De uitspraak die in elke generatie weerklank vond
In de overleveringen van zijn uitspraken die in de eeuwen na zijn dood door de juridische en de geestelijke gemeenschap werden bewaard, was er een uitspraak die in elke generatie weerklank vond en die in zijn beknoptheid het gehele patroon van zijn kalifaat samenvatte. Hij sprak haar, naar wat in latere bronnen is bewaard, in een van zijn khutbahs in de moskee van Kufa, in antwoord op een vraag van een man die hem had bezocht en die hem had geprezen op een wijze waarin de prijzing voorbij wat hij in eigen consciëntie van zichzelf accepteerde was gegaan. Hij keerde zich tot de man en sprak:
ʿAli ﵁: Ik ben niet zoals je zegt. En ik ben beter dan wat je in jezelf van mij gelooft.
In deze ene zin was de zelfkennis van een aanvoerder gevat die in zijn ambt geen voordeel zocht voor zichzelf, en die in zijn ambt het bewustzijn van zijn eigen tekortkomingen niet had verloren ondanks de hoogachting waarin de gemeenschap hem hield. Het was een uitspraak die in de geestelijke literatuur van de generaties erna in elke verzameling van wijsheid werd opgenomen, en zij behoort onder de fragmenten van wijsheid waaraan ʿAli ﵁ in de eeuwen na zijn dood zijn duurzame naam in de juridische en geestelijke gemeenschap te danken heeft.
De vermelding in de zaak van wie in zijn tijd zijn gestorven
Suyuti ﵀ sluit zijn samenvatting van het kalifaat van ʿAli ﵁ af met een lijst van senior Sahabah ﵃ die in zijn tijd zijn gestorven, hetzij door natuurlijke dood hetzij door verwonding in een van de slagen of door politiek geweld. De lijst telt onder meer: Hudhayfah ibn al-Yaman ﵁, die in het begin van het ambt van ʿAli ﵁ in Mada’in stierf na een lang leven als gezel van de Boodschapper ﷺ in de openbaring en als militaire commandant in de veroveringen onder ʿUmar ﵁; az-Zubayr ibn al-ʿAwwam ﵁, gevallen aan de hand van Ibn Jurmuz na zijn vertrek uit het slagveld van de Kameel; Talhah ibn ʿUbaydillah ﵁, gevallen door een pijl van Marwan op datzelfde slagveld; Zayd ibn Suhan ﵁; Salman al-Farisi ﵁, de Pers van Madaʾin die in de jaren van ʿUmar ﵁ tot een veteranenrang was opgeklommen; Hind ibn Abi Halah ﵁; Uways al-Qarani ﵁, die in de slag van Siffin in de Iraqse gelederen vond zijn dood; Khabbab ibn al-Aratt ﵁; ʿAmmar ibn al-Yasir ﵁, gevallen in Siffin als bevestiging van de hadith van de Boodschapper ﷺ over de opstandige groep; Sahl ibn Hunayf ﵁; Suhayb ar-Rumi ﵁; Muhammad ibn Abi Bakr as-Siddiq ﵁, gevallen in Egypte aan de hand van Ibn Hudayj; Tamim ad-Dari ﵁; Khawwat ibn Jubayr ﵁; Shurahbil ibn as-Samt ﵁; Abu Maysurah al-Badri ﵁; Safwan ibn ʿAssal ﵁; ʿAmr ibn ʿAnbasah ﵁; Hisham ibn Hakim ﵁; Abu Rafiʿ ﵁, de freed-slaaf van de Boodschapper ﷺ; en anderen.
De lijst is in haar lengte een aanwijzing voor de omvang van wat de gemeenschap in deze vijf jaar had verloren. Senior Sahabah ﵃ van het oudste formaat, mannen wier herinnering aan de Boodschapper ﷺ in de eerste persoon nog in hun stem en in hun gebaar te zien was geweest, gingen in deze jaren een voor een verloren. Met elk verlies werd de generatie van de directe nabijheid bij de Boodschapper ﷺ dunner, en kwam de gemeenschap dichterbij het moment waarop de tweede generatie alleen nog door overlevering toegang zou hebben tot wat de eerste generatie in direct contact met de Boodschapper ﷺ had geleerd.
Het einde van het tijdperk
Met de dood van ʿAli ibn Abi Talib ﵁ in Ramadan 40 en de afstand van Hasan ﵁ in Rabi al-Awwal 41 sloot het tijdperk waarin de gemeenschap door wie in directe nabijheid bij de Boodschapper ﷺ hadden geleefd, was geleid. Wat erna kwam was, hoe in latere generaties ook beschreven, een ander tijdperk. De aanvoerders kwamen niet meer uit de directe binnenkring van de Sahabah ﵃; zij kwamen uit de tweede generatie, en in latere eeuwen uit nog volgende generaties. De hoofdstad bewoog van Kufa naar Damascus, en later naar Baghdad, naar Córdoba, naar Caïro, naar Istanbul. De vorm van het bestuur veranderde van een consensus-aanstelling onder de senior van Medina naar dynastieke successies binnen heersende families. Maar in elke generatie zou de herinnering aan de vier rechtgeleide khalifahs bewaard blijven, en in elke generatie zou een geleerde of een hervormer terugkeren naar hun voorbeeld als bron voor wat in eigen tijd opnieuw moest worden verwezenlijkt.
ʿAli ibn Abi Talib ﵁ was, in de chronologische telling van de vier, de laatste. In de juridische rang van zijn ijtihad, in de diepte van zijn geestelijke nalatenschap, in de welsprekendheid van zijn woorden die in elke bloemlezing van de Arabische taal werden opgenomen, was hij in geen generatie betwist. Met zijn dood eindigde de Khilafat ar-Rashidun. Met zijn nagedachtenis bleef zij voortduren.
Bronnen
- Jalal ad-Din as-Suyuti ﵀, Tarikh al-Khulafa (vert. Abdassamad Clarke, Ta-Ha Publishers, 3e druk 1995), pp. 192–193 (beraad van de drie Kharijis in Mekka, huwelijk van Ibn Muljam met Qatam, voorwaarde van de bruidsschat, aanslag in de moskee van Kufa), p. 193 (Hasan ﵁, Husayn ﵁ en ʿAbdullah ibn Jaʿfar ﵁ als wassers van het lichaam; al-Hasan ﵁ als imam van het gebed; verbranding van Ibn Muljam), pp. 193–194 (verschillende overleveringen over de plaats van het graf; leeftijd bij overlijden), pp. 194–195 (de uitspraak van ʿAli ﵁ over zijn ziekbed en zijn verzoek geen onschuldige in zijn vergelding te bestraffen), pp. 207–208 (rouwgedicht van Abu al-Aswad ad-Duʾali ﵀), p. 206 (de vijf-principes-uitspraak via Said ibn Mansur ﵀), pp. 228–229 (oordeel van Ibn Juzayy al-Kalbi ﵀ over de geschillen tussen ʿAli ﵁ en Muʿawiya ﵁); voor de afstand van Hasan ﵁ aan Muʿawiya ﵁ in het jaar 41 zie pp. 214–215.