InloggenRegistreren
VandaagArtikelenVeldslagenBiografieënVerhaalmodus

Islam in West-Afrika
أحمد بابا التنبكتي

Ahmad Baba al-Timbukti ﵀

Ahmad Baba al-Timbukti ﵀

De geleerde die vanuit een Marokkaanse cel een fatwa schreef waarmee tot op vandaag Afro-Caribische Moslims hun waardigheid verdedigen.

Leven

Ahmad Baba wordt in 1556 geboren in Timbuktu, in de Aqit-familie: een gezaghebbende tak van de Sanhaja-Imazighen die oorspronkelijk uit Araouane komt, de oase ten noorden van de stad. Zijn vader Ahmad en zijn oom Mahmud zijn al vooraanstaande juristen aan de Sankoré-moskee. Hij groeit op met manuscripten als alledaagse voorwerpen — zijn eigen bibliotheek zal later volgens hem 1.600 banden tellen, waarvan hij benadrukt dat het de kleinste is van de zes bibliotheken in zijn familie.

Hij studeert tafsir, fiqh, grammatica, logica en astronomie bij Mohammed Baghayogho, een Fulani-geleerde uit Djenne die aan Sankoré doceert. Dat leraar-leerling-verband is formatief: Baghayogho is geen engherrige jurist maar een polymaath, en Ahmad Baba ﵀ wordt er een.

Het leven breekt op 13 maart 1591 bij Tondibi. Het Marokkaanse expeditieleger onder Judar Pasha, uitgerust met musketten, verplettert het paard- en lansenleger van Songhai. Gao valt, Timbuktu volgt. De bezetting is brutaal. In 1593 vaardigt Sultan Ahmad al-Mansur bevel uit de geleerde klasse van Timbuktu te arresteren op verdenking van steun aan Askia-restanten. Ahmad Baba ﵀ wordt in ketens naar Marrakesh gevoerd — volgens zijn eigen relaas geketend gedwongen om bij de doorgang van de woestijn te lopen. Zijn bibliotheek wordt geplunderd; hij verliest 1.600 banden.

In Marrakesh wordt hij onder huisarrest gehouden, maar mag hij lesgeven. Zijn reputatie is zo groot dat Marokkaanse geleerden aan zijn voeten komen zitten. Pas in 1607, na veertien jaar, geeft sultan Zaydan hem toestemming terug te keren. Hij arriveert in 1608 weer in Timbuktu en zet daar zijn werk voort tot zijn dood in 1627.

Geloof en cultuur

Ahmad Baba ﵀ is een Maliki-jurist in de Sankoré-traditie: theologie, fiqh, biografisch woordenboek-werk, grammatica en logica zijn één geheel. Hij publiceert meer dan veertig werken, waarvan zijn Nayl al-Ibtihāj bi-Taṭrīz al-Dībāj (Het Bereiken van Vreugde door het Borduren van De Brocaat) een biografisch lexicon is van Maliki-juristen, een standaardwerk tot op vandaag.

Zijn tariqa-affiliatie is niet prominent; hij is primair jurist, geen soefi-sjeik. Maar zijn Islam is geen koude scholastiek. Zijn reactie op het onrecht dat Timbuktu is aangedaan, is geworteld in een diepe overtuiging dat de Islamitische wet gelijkelijk voor geleerde én veroveraar geldt. Die overtuiging is ook de kern van zijn beroemdste werk.

De Mi’rāj al-Ṣu’ūd ilā Nayl Ḥukm Mujallab al-Sūd (De Trap van het Opstijgen naar het Vonnis over de Aanvoer van Zwarten) schrijft hij in 1615 als antwoord op vragen uit Touat over de legaliteit van slavernij van Zwarte Afrikanen. Zijn antwoord is juridisch rigoureus en moreel scherp: de huidskleur is geen grond voor slavernij. Slavernij in de Islamitische wet vloeit alleen voort uit gevangenschap in een rechtmatige oorlog tegen niet-Moslims. De bevolkingen van Bornu, Kano, Katsina, Gao, Djenne, Timbuktu en Fulani-regio’s zijn Moslims. Hen tot slaaf maken is haram. Hij noemt met naam de volken die niet geslaafd mogen worden. Hij klaagt aan wie dat doet.

Nalatenschap

De Mi’rāj al-Ṣu’ūd is geen marginaal traktaat. Het is de meest geciteerde juridische tekst tegen de slavenhandel die binnen de Sahelse Islam zelf is voortgebracht, een eeuw voor de Atlantische handel zijn piek bereikt. Voor Afro-Caribische Moslims die vandaag hun lijn terugtrekken naar Senegambia, Guinea, Bight of Benin: dit is een ankerdocument. De geleerde die in 1615 schreef dat zijn eigen volkeren niet geslaafd mochten worden, deed dat terwijl zijn broers en neven in Marokko vastgehouden werden en zijn bibliotheek door dezelfde veroveraars verbrand. Het is geen abstracte fatwa. Het is getuigenis.

Zijn bredere oeuvre — Kifāyat al-Muḥtāj (een verkorte Nayl al-Ibtihāj), commentaren op de Mukhtaṣar van Khalil, werken over logica, werken over grammatica — laat zien dat Timbuktu in zijn tijd een volwassen academisch centrum was met internationale uitstraling. Marokkaanse, Egyptische en Hijazi geleerden corresponderen met hem.

De Tarikh al-Sudan, geschreven door Es-Sa’di in de jaren 1650, spreekt over hem met een ontzag dat aangeeft hoe zwaar zijn autoriteit in de generatie na hem nog woog. Historicus Mahmoud Zouber heeft in de jaren 1970 zijn biografie reconstrueert op basis van manuscripten die in Timbuktu-archieven bewaard zijn gebleven.

Zijn dubbele status — slachtoffer van de Marokkaanse verovering, antislavernij-stem avant la lettre — maakt hem tot een geleerde die niemand eenzijdig kan claimen. Niet de Marokkaanse historiografie, niet de koloniale, niet een hedendaagse identiteitspolitiek.

Op de kaart

Begin noordelijk van Timbuktu, bij de Saharische oase Araouane: familie-origine, zoutkaravaan-stop, Sanhaja-erfgoed. Reis zuidwaarts naar Timbuktu zelf, aan de noordelijke bocht van de Niger — hier staat Sankoré, hier is zijn bibliotheek, hier wordt hij in 1593 gearresteerd. Volg dan de gedwongen route noordwaarts over de Sahara naar Marrakesh, een tocht van ruim 2.000 kilometer die hij geketend maakt. Een kleine uitstap naar Fez, waar hij correspondeert met de geleerden-klasse. En terug, veertien jaar later, naar Timbuktu — waar hij zijn laatste twintig jaar schrijft.


Stage-uitspraak: Ah-MAD BAA-ba al-tim-BUK-ti (klemtoon Babaa op eerste lettergreep). Mi’-RAAJ al-su-OED. Ara-WAAN.
Onzekerheden: Aantal van 1.600 banden stamt uit zijn eigen verklaring en is niet onafhankelijk te verifiëren; precieze datum terugkeer naar Timbuktu varieert in bronnen tussen 1607 en 1608; omvang van zijn bibliotheek in Timbuktu vóór de plundering is mogelijk retorisch overdreven.

Bronnen

  • Ahmad Baba al-Timbukti ﵀, Miʿraj al-Suʿud ila Nayl Hukm Mujallab al-Sud (1024/1615), ook bekend als al-Kashf wa’l-bayan li-asnaf majlub al-Sudan: het antwoord op de vragen van al-Jirari uit Tuwat, met ongeloof als enige grond voor slavernij zonder onderscheid naar ras, en de moslimvolken van Kano, Katsina, Bornu, Songhay, Jenne en de Wolof, zoals aangehaald in Gomez, pp. 51–52, 304–306, Hunwick, p. lxi, en Adeleye, p. 9.
  • Ahmad Baba al-Timbukti ﵀, Nayl al-Ibtihaj bi-Tatriz al-Dibaj (voltooid in 1004/1596 in Marrakesh) en Kifayat al-Muhtaj (1603), de verkorting met zijn eigen levensbericht aan het slot, zoals aangehaald in Hunwick, Shariʿa in Songhay, p. 29, en in Gomez, pp. 171, 175.
  • ʿAbd ar-Rahman as-Saʿdi ﵀, Tarikh al-Sudan, geschreven in 1653 tot 1656: het levensbericht van Ahmad Baba ﵀ (hfst. 9), de arrestatie en deportatie van de geleerden van Timbuktu (hfst. 24) en zijn terugkeer in 1608 (hfst. 30), in de vertaling van Hunwick, pp. 31, 49, 223–225, 269.
  • Muhammad al-Saghir al-Ifrani ﵀, Nuzhat al-hadi: het relaas van de arrestatie, de 1.600 banden en de audiëntie bij sultan al-Mansur, in de vertaling van Hunwick, pp. 315–316.
  • John O. Hunwick (vert.), Timbuktu and the Songhay Empire: al-Saʿdi’s Taʾrikh al-sudan down to 1613 and other contemporary documents, Brill, Leiden 2003 (2e druk; 1e druk 1999), pp. lxi, lxiii, 31, 49–50, 62, 189, 223–225, 269, 315–316, 390.
    • pp. lxi, lxiii, 49–50, 62: de bibliotheek van 1.600 banden, naar eigen zeggen de kleinste van zijn tijdgenoten, en logica, retorica en astronomie in het curriculum van Timbuktu; het levensbericht: uniek in zijn tijd, beroemd in de Maghrib om zijn fatwa’s, onbuigzaam tegenover emirs en sultans; stamvader Muhammad Aqit uit Masina via Biru naar Timbuktu; de leermeester Muhammad Baghayogho al-Wangari; zijn dood in 1627 en zijn verwanten die in Marokko stierven.
    • pp. 189, 223–225, 269: Tondibi met 12.500 ruiters en 30.000 man voetvolk; het bevel van al-Mansur om de geleerden geketend te sturen; de gevangenzetting in Muharram 1002, september tot oktober 1593, het vertrek op 18 maart 1594 en de aankomst in Marrakesh op 21 mei 1594; de vrijlating op 19 mei 1596; de terugkeer in Timbuktu op 26 februari 1608 dankzij Mulay Zaydan.
    • pp. 31, 315–316, 390: de datering van de Tarikh al-Sudan; al-Ifrani ﵀ over de arrestatie op 19 oktober 1593, de val van de kameel en het gebroken been, het onderwijs in Marrakesh en de vrijlating door Zaydan; Mahmoud Zouber, Ahmad Baba de Tombouctou (1556–1627), Parijs 1977.
  • John O. Hunwick (ed./vert.), Shariʿa in Songhay: The Replies of al-Maghili to the Questions of Askia al-Hajj Muhammad, Oxford University Press for the British Academy, Oxford 1985, pp. 19, 29: de Aqit als Masufa-Sanhaja, rond 1450 in Timbuktu gevestigd; meer dan tien jaar lessen bij de Dyula-geleerde Muhammad Baghayogho; de Nayl (1596) en de Kifaya (1603).
  • Michael A. Gomez, African Dominion: A New History of Empire in Early and Medieval West Africa, Princeton University Press, Princeton 2018, pp. 51–52, 171, 175, 285, 291–292, 304–306, 364.
    • pp. 51–52, 304–306: de Mi’raj: ongeloof als enige voorwaarde, geen onderscheid tussen het ene ras en het andere; de vragen van al-Jirari uit Tuwat; de vrijwillig bekeerde landen Kano, Katsina, Bornu en Songhay; de Wolof en de mensen van Jenne; de 107 moslimstammen in het naschrift aan al-Isi.
    • pp. 171, 175, 285, 291–292, 364: de Kifaya als verkorting van de Nayl, voltooid in 1596 in ballingschap; de Mukhtasar van Khalil acht keer gelezen bij Baghayughu; grootvader al-hajj Ahmad, oudere broer van qadi Mahmud, en vader Ahmad, geboren in 1522; Tondibi op 13 maart 1591 onder Jawdar met musketiers.
  • R. A. Adeleye, Power and Diplomacy in Northern Nigeria 1804–1906: The Sokoto Caliphate and Its Enemies, Humanities Press, New York 1971 (Ibadan History Series), p. 9: Ahmad Baba ﵀ die Bornu, Katsina en Kano islamitische staten noemt.